Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX2795

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-07-2012
Datum publicatie
27-07-2012
Zaaknummer
11-2236 AW + 11-2344 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Met het verzoek om toezending is beoogd dat alsnog een besluit tot vaststelling van de beoordeling tot stand zou komen. Nu een zodanig beoordelingsbesluit al was genomen en bekendgemaakt, moet de negatieve reactie op het verzoek in dit geval worden aangemerkt als een feitelijke mededeling, die geen rechtsgevolg in het leven roept. Het bezwaar is daarom terecht niet-ontvankelijk verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2012/303
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/2236 AW en 11/2344 AW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 3 maart 2011, 10/3648 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

het college van burgemeester en wethouders van Haarlemmermeer (appellant)

[A. te B.] (betrokkene)

Datum uitspraak: 26 juli 2012

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Betrokkene heeft een verweerschrift ingediend.

Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft appellant op 7 april 2011 een nieuwe beslissing op bezwaar genomen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 juli 2012. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door D. Vahlen, en appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.J. Willems.

OVERWEGINGEN

1. Betrokkene was werkzaam als archiefmedewerker van de gemeente Haarlemmermeer. Aan hem is in september 2008 en in januari 2009 geen periodieke salarisverhoging toegekend vanwege een onvoldoende beoordeling in juni 2008. Tegen het niet toekennen van die verhoging heeft hij geprocedeerd, hetgeen heeft geleid tot de uitspraak van deze Raad van 28 april 2011, LJN BQ4122. Daarbij is de besluitvorming over de periodieke verhoging in stand gebleven.

1.1. In januari 2010 heeft betrokkene verzocht om toezending van het besluit waarbij de in juni 2008 opgemaakte beoordeling is vastgesteld. Dit verzoek is bij besluit van 2 februari 2010 geweigerd. Daarbij is overwogen dat het feit dat de beoordeling niet overeenkomstig het bepaalde in de UWO-II aan het huisadres van betrokkene is verzonden niet betekent dat er geen rechtsgeldig beoordelingsbesluit zou liggen. De beoordeling is aan hem overhandigd, hij heeft de beoordeling van opmerkingen voorzien en het beoordelingsformulier voor gezien getekend. Vervolgens is de reactie op die opmerkingen van de leidinggevende, gedateerd 19 juni 2008, wel aan zijn huisadres gezonden. De vastgestelde beoordeling is dus al in het bezit van betrokkene, reden waarom deze niet nogmaals wordt toegezonden.

1.2. Het bezwaar tegen deze weigering is niet-ontvankelijk verklaard bij besluit van 18 juni 2010 (bestreden besluit), omdat - volgens appellant - de weigering niet een besluit gericht op rechtsgevolg behelst.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van betrokkene gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd. De rechtbank was van oordeel dat de weigering van 2 februari 2010 moet worden opgevat als de weigering alsnog een beoordeling vast te stellen, aangezien de toezending naar het huisadres van de opgemaakte beoordeling een constitutief vereiste is voor de tot standkoming van de beoordeling. Nu die toezending niet heeft plaatsgevonden, is de beoordeling nog steeds niet vastgesteld, aldus de rechtbank.

3. Bij besluit van 7 april 2011 heeft appellant, ter uitvoering van de aangevallen uitspraak en onder voorbehoud, opnieuw op het bezwaar van betrokkene beslist, dat bezwaar gegrond verklaard en alsnog een afschrift van de opgemaakte beoordeling en het verslag van het beoordelingsgesprek aan het huisadres van betrokkene gezonden. Daarbij zijn nogmaals gevoegd de opmerkingen van betrokkene en de reactie daarop van zijn leidinggevende.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. In de onder 1 genoemde uitspraak van de Raad is onder 3.5 overwogen dat het door appellant ook in die procedure ingenomen standpunt dat de beoordeling in rechte onaantastbaar is geworden, ondanks het ontbreken van een rechtsmiddelenverwijzing, juist is. Gewezen is op het verslag van de hoorzitting, waar betrokken had verklaard dat hij geen bezwaar heeft gemaakt tegen de beoordeling omdat hij dat geestelijk niet kon opbrengen. Geconcludeerd is dat betrokken niet is geschaad door het niet opnemen van een bezwaarclausule.

4.2. Hieruit volgt dat het in de aangevallen uitspraak vervatte oordeel dat nog steeds geen beoordeling is vastgesteld, niet juist is. Het hoger beroep slaagt en die uitspraak komt daarom voor vernietiging in aanmerking. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal het bestreden besluit worden getoetst in het licht van de daartegen in eerste aanleg aangevoerde beroepsgronden, voor zover daarop, na hetgeen hiervoor is overwogen, nog moet worden beslist.

4.3. Met het verzoek om toezending is beoogd dat alsnog een besluit tot vaststelling van de beoordeling tot stand zou komen. Nu een zodanig beoordelingsbesluit al was genomen en bekendgemaakt, moet de negatieve reactie op het verzoek in dit geval worden aangemerkt als een feitelijke mededeling, die geen rechtsgevolg in het leven roept. Het bezwaar is daarom terecht niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep moet ongegrond worden verklaard.

5. Dit betekent verder dat aan het besluit van 7 april 2011, dat bij de beoordeling in dit geding wordt betrokken, de grondslag is komen te ontvallen. Dit besluit wordt daarom vernietigd.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep ongegrond;

- vernietigt het besluit van 7 april 2011.

Deze uitspraak is gedaan door K. Zeilemaker, in tegenwoordigheid van A.C. Oomkens als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 juli 2012.

(getekend) K. Zeilemaker

(getekend) A.C. Oomkens

HD