Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX2748

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-07-2012
Datum publicatie
26-07-2012
Zaaknummer
10-3811 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Hennepkwekerij. Herziening, intrekking en terugvordering bijstand. Uit het verzoek van de verhuurder om de woning van appellant op 9 februari 2006 te bezoeken kan geen bewijsaanbod worden afgeleid. De inlichtingenverplichting is verbonden aan het recht op bijstand en staat los van het verstrekken van informatie die van belang is voor een strafrechtelijk onderzoek, zodat het beroep op artikel 6 van het EVRM faalt. Vaststellen van de aanvang van de exploitatie is terecht geschat op 6 januari 2006. Het standpunt van appellant dat met het arrest van het gerechtshof te ’s-Gravenhage van 27 maart 2008 vast staat dat hij op een later tijdstip dan 7 januari 2006 is begonnen met het kweken van hennep kan niet worden onderschreven. De bestuursrechter is bij de vaststelling van en het oordeel over het hem voorgelegde geschil in het algemeen niet gebonden aan hetgeen in een strafrechtelijk geding door de desbetreffende rechter is geoordeeld, teminder nu in een strafrechtelijke procedure een andere rechtsvraag voorligt en een ander procesrecht van toepassing is.

Wetsverwijzingen
Wet werk en bijstand
Wet werk en bijstand 17
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2012/231
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/3811 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 26 mei 2010, 09/6881 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van ’s-Gravenhage (college)

Datum uitspraak: 17 juli 2012

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. drs. E. Tamas, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Mr. drs. Tamas heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 juni 2012. Namens appellant is F. Fatemi, kantoorgenoot van mr. drs. Tamas, verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Mos.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant ontvangt vanaf 4 januari 2001, met onderbrekingen, bijstand, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande.

1.2. Op 1 juli 2006 is in de woning van appellant door de politie een in werking zijnde hennepkwekerij aangetroffen met 122 hennepplanten. Tijdens zijn verhoor heeft appellant tegenover de politie verklaard dat hij vijf weken tevoren met de hennepkwekerij is begonnen. Een medewerker fraude in dienst van Eneco Energie Infra B.V. (Eneco) heeft bij de bezichtiging van de hennepkwekerij geschat dat de aanwezige hennepplanten 35 dagen oud zijn en is tot de conclusie gekomen dat er voldoende aanwijzingen zijn om aan te nemen dat in de woning tevens twee hennepoogsten hebben plaatsgevonden. Op grond van deze gegevens heeft Eneco de aanvang van de exploitatie van de hennepkwekerij berekend op 7 januari 2006.

1.3. Bij besluit van 20 mei 2009 heeft het college de bijstand van appellant over de periode van 7 januari 2006 tot en met 30 juni 2006 herzien (lees: ingetrokken) en de over die periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 6.319,47 van appellant teruggevorderd. Bij besluit van 10 juni 2009 heeft het college de bijstand van appellant met ingang van 1 juli 2009 gedurende een maand met 30% verlaagd op de grond dat hij de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden door geen opgave te doen van de hennepkwekerij. Bij besluit van 17 augustus 2009 (bestreden besluit) heeft het college de bezwaren tegen de besluiten van 20 mei 2009 en 10 juni 2009 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich gekeerd tegen de aangevallen uitspraak. Appellant is van mening dat de rechtbank ten onrechte voorbij is gegaan aan zijn bewijsaanbod om een medewerker van de verhuurder van zijn woning als getuige te horen. Deze medewerker heeft de woning van appellant op 9 februari 2006 bezocht en toen geen hennepkwekerij aangetroffen. Voorts heeft de rechtbank ten onrechte het standpunt van appellant verworpen dat in dit geval de inlichtingenverplichting op grond van de WWB in strijd is met artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM),

waarin het recht is neergelegd om te zwijgen over feiten die kunnen incrimineren. Appellant erkent dat hij zich gedurende 35 dagen voorafgaande aan 1 juli 2006 heeft bezig gehouden met het kweken van hennep, maar ontkent dat er daarvoor twee hennepoogsten zijn geweest. Het gerechtshof te ’s-Gravenhage heeft bij arrest van 27 maart 2008 de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel afgewezen, omdat niet is komen vast te staan dat appellant daadwerkelijk hennep heeft geoogst. Daardoor staat volgens appellant vast dat hij niet langer dan 35 dagen met de hennepkwekerij bezig is geweest. Ook uit de verklaring die [naam getuige] ([naam getuige]) als getuige op 1 september 2011 tegenover de raadsheer-commissaris heeft afgelegd blijkt dat appellant niet de gehele periode van 7 januari 2006 tot en met 30 juni 2006 zich heeft bezig gehouden met het kweken van hennep.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Het standpunt dat de rechtbank ten onrechte voorbij gegaan is aan een bewijsaanbod van appellant kan niet worden onderschreven, reeds omdat uit de gedingstukken, waaronder het proces-verbaal van de zitting van de rechtbank op 8 april 2010, niet blijkt dat een dergelijk bewijsaanbod is gedaan. De gemachtigde van appellant heeft ter zitting voorgelezen uit een brief van de verhuurder met daarin het verzoek de woning van appellant op 9 februari 2006 te bezoeken. Daaruit kan echter geen bewijsaanbod worden afgeleid. Overigens is appellant bij brief van 18 april 2012 erop gewezen dat het hem vrij stond getuigen mee te nemen naar de zitting van de Raad en daarvan heeft hij geen gebruik gemaakt.

4.2.1. Ingevolge artikel 17, eerste lid, van de WWB, voor zover van belang, doet de belanghebbende aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand. Schending van de inlichtingenverplichting vormt een rechtsgrond voor intrekking van de bijstand, indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of, en zo ja in hoeverre, de betrokkene verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden. Het is dan aan de betrokkene aannemelijk te maken dat in het geval wel aan de inlichtingenverplichting zou zijn voldaan over de betreffende periode recht op volledige of aanvullende bijstand bestond.

4.2.2. Door geen melding te doen van het opzetten en exploiteren van de op 1 juli 2006 in zijn woning aangetroffen professionele hennepkwekerij, hetgeen onmiskenbaar van belang is voor het vaststellen van het recht op bijstand, heeft appellant de op hem rustende wettelijke inlichtingenverplichting geschonden. Daarbij wordt opgemerkt dat deze werkzaamheden van belang zijn voor verlening van de bijstand, ongeacht of daaruit (al) inkomsten worden genoten. Deze inlichtingenverplichting is verbonden aan het recht op bijstand en staat los van het verstrekken van informatie die van belang is voor een strafrechtelijk onderzoek, zodat het beroep op artikel 6 van het EVRM faalt. De omstandigheid dat de opgave van deze werkzaamheden mogelijkerwijs kan leiden tot een strafrechtelijk onderzoek, kan aan de reikwijdte van de in artikel 17, eerste lid, van de WWB neergelegde verplichting niet afdoen.

4.3.1. Tussen partijen is in geschil of een toereikende grondslag bestaat voor het standpunt van het college dat voorafgaande aan de kweek van hennep gedurende 35 dagen twee volledige kweekperiodes hebben plaatsgevonden. Niet wordt bestreden dat een volledige kweekperiode gemiddeld 70 dagen in beslag neemt.

4.3.2. Het college is voor het vaststellen van de aanvang van de exploitatie op 6 januari 2006 uitgegaan van de bevindingen van Eneco en de daaruit getrokken conclusie. Niet gebleken is dat de schatting van Eneco dat er twee volledige kweekperiodes zijn geweest op onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen. Blijkens het rapport van Eneco van 9 juli 2006 is de schatting gebaseerd op de door Eneco waargenomen mate van stof op de assimilatielampen, de mate van vervuiling van het filtermateriaal van het koolstoffilter, de aangetroffen afvalbladeren en de resten van hennepplanten op de vloer en het aanwezig zijn een dikke kalkaanslag op het zeil op de vloer en een kalkaanslag op de afvoergoten. Appellant heeft deze bevindingen eerst ter zitting, desgevraagd, in zoverre bestreden dat gesteld is dat de afvalbladeren en resten van hennepplanten niet afkomstig zijn van een eerdere oogst, maar van de aanwezige hennepplanten. Dat gedurende de kweekperiode van 35 dagen van de nieuwe planten resten van hennepplanten kunnen ontstaan en dat de aangetroffen afvalbladeren van de nieuwe planten afkomstig waren, is niet aannemelijk gemaakt. Uit de omstandigheid dat onder de banden waaraan het koolstoffilter was opgehangen geen vervuiling is aangetroffen, is afgeleid dat de vervuiling ter plekke is ontstaan. Dit betekent dat het stof, de kalkaanslag en de vervuiling op en in de aanwezige apparatuur niet is veroorzaakt doordat appellant, zoals hij tijdens zijn verhoor heeft verklaard, tweedehands apparatuur heeft gebruikt.

4.3.3. Het standpunt van appellant dat met het arrest van het gerechtshof te ’s-Gravenhage van 27 maart 2008 vast staat dat hij op een later tijdstip dan 7 januari 2006 is begonnen met het kweken van hennep kan niet worden onderschreven. De bestuursrechter is bij de vaststelling van en het oordeel over het hem voorgelegde geschil in het algemeen niet gebonden aan hetgeen in een strafrechtelijk geding door de desbetreffende rechter is geoordeeld, teminder nu in een strafrechtelijke procedure een andere rechtsvraag voorligt en een ander procesrecht van toepassing is. Dit geldt eveneens voor een uitspraak van de strafrechter in een ontnemingszaak aangezien die uitspraak in het verlengde ligt van de uitspraak in de strafzaak. Er bestaan geen bijzondere omstandigheden om hierover in dit geval anders te oordelen. Volgens appellant is het gerechtshof te ’s-Gravenhage op basis van stukken, waaronder een rapport van een geraadpleegde deskundige, tot het arrest van 27 maart 2008 gekomen. De door appellant bedoelde stukken zijn evenwel niet overgelegd. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat van de zijde van de verhuurder, zoals verzocht, de woning van appellant op 9 februari 2006 is bezocht en bezichtigd. Van de zijde van appellant zijn geen andere gegevens dan de door [naam getuige] op 1 september 2011 afgelegde verklaring ingebracht op grond waarvan de schatting van Eneco niet als juist kan worden aanvaard. Aan de enkele verklaring die [naam getuige] op 1 september 2011 heeft afgelegd wordt geen doorslaggevende betekenis toegekend, temeer omdat [naam getuige] een goede vriend van appellant is. Deze verklaring is onvoldoende om te twijfelen aan de door Eneco gemaakte schatting over het aantal volledige kweekperiodes.

4.4. Appellant heeft, zoals in 4.2.2 overwogen, de op hem rustende inlichtingenverplichting geschonden. Aangezien appellant niet aan de hand van een administratie of anderszins aannemelijk heeft gemaakt in welke omvang de werkzaamheden zijn verricht en wat daarmee is verdiend, kan niet worden vastgesteld of hij in de periode van 7 januari 2006 tot en met 30 juni 2006 (aanvullend) recht op bijstand zou hebben gehad als hij de inlichtingenverplichting wel was nagekomen. Het college was dan ook bevoegd om met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB de aan appellant over de genoemde periode verleende bijstand in te trekken.

4.5. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.F. Bandringa als voorzitter en E.C.R. Schut en M.F. Wagner als leden, in tegenwoordigheid van A.C. Oomkens als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 juli 2012.

(getekend) J.F. Bandringa

(getekend) A.C. Oomkens

RK