Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX2744

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-07-2012
Datum publicatie
26-07-2012
Zaaknummer
11-977 TOG
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging tegemoetkoming op grond van de TOG 2000. Ten aanzien van het standpunt van appellant dat een verkeerde maatstaf zou zijn gehanteerd bij de beoordeling van de vraag of de zoon tot het huishouden van appellant behoort, onderschrijft de Raad het oordeel van de rechtbank volledig en maakt die overwegingen tot de zijne. De Raad merkt daarbij op dat intern verblijf in een internaat, gedurende vijf dagen en vier nachten, volgens vast beleid van de Svb leidt tot de kwalificatie van uitwonend zijn. De omstandigheid dat een kind ten behoeve van wie kinderbijslag of een tegemoetkoming op grond van de TOG 2000 is gevraagd gedurende vakanties en de overige vrije dagen tijdelijk (in enig kwartaal) in overwegende mate bij een ouder verblijft, geeft geen aanleiding om aan te nemen dat dit kind niet langer als uitwonend kan worden aangemerkt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/977 TOG

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 7 januari 2011, 10/10 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.] (appellant)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

Datum uitspraak: 25 juli 2012

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R.C.C.M. Nadaud, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 juni 2012. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Nadaud. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.F.L.B. Metz.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant heeft een zoon, genaamd [D.], geboren in 1994, die bekend is met PDD-NOS en een reactieve hechtingsstoornis. In verband daarmee heeft Svb appellant bij besluit van 25 oktober 2005 met ingang van het derde kwartaal van 2005 in aanmerking gebracht voor een tegemoetkoming in de onderhoudskosten van zijn zoon op grond van de Regeling tegemoetkoming onderhoudskosten thuiswonende gehandicapte kinderen 2000 (TOG 2000).

1.2. Appellant heeft op 25 augustus 2008 aan Svb te kennen gegeven dat zijn zoon met ingang van 1 september 2008 onderwijs zal gaan volgen op het O.L.Vrouw Lyceum te Genk (België). [D.] zal als interne leerling van maandag tot en met vrijdag op deze school verblijven. Met het verblijf op dit internaat wordt beoogd de sociale vaardigheden van [D.] in de omgang met mede-leerlingen te bevorderen. Bij deze melding is verder opgemerkt dat [D.] in de weekenden en tijdens schoolvakanties thuis wordt verzorgd en ondersteund.

1.3. Naar aanleiding van deze melding heeft Svb bij besluit van 1 september 2009 de tegemoetkoming op grond van de TOG 2000 met ingang van het vierde kwartaal van 2009 beëindigd.

1.4. Bij besluit van 16 september 2009 heeft Svb appellant met ingang van het vierde kwartaal 2009 in aanmerking gebracht voor tweevoudige kinderbijslag ingevolge de Algemene Kinderbijslagwet. Svb heeft daarbij overwogen dat [D.] jonger is dan 16 jaar en dat hij in verband met het volgen van onderwijs niet bij appellant thuis woont.

2. Bij besluit van 4 december 2009 (bestreden besluit) heeft Svb het tegen het besluit van 1 september 2009 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

3.1. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank vastgesteld dat [D.] sinds 1 september 2009 in een internaat verblijft, van maandagochtend tot en met het einde van de lessen op vrijdag. Hij volgt daar gedurende vijf dagen per week algemeen secundair onderwijs. Dit betekent dat hij tenminste vier nachten per week in het internaat verblijft. Op grond daarvan heeft Svb naar het oordeel van de rechtbank terecht geconcludeerd dat [D.] op de peildatum in geding niet meer tot het huishouden van appellant behoorde. Voor dit oordeel heeft de rechtbank mede aansluiting gezocht bij de wetgeving en jurisprudentie inzake tweevoudige kinderbijslag ten behoeve van kinderen die in verband met het volgen van onderwijs uitwonend zijn in een internaat. De rechtbank heeft daarbij nog opgemerkt dat uit het voorgaande tevens valt af te leiden dat appellant de zorg voor zijn zoon voor een groot deel van de week uit handen heeft gegeven aan derden.

3.2. Appellant heeft zich in hoger beroep - daarmee grotendeels herhalend hetgeen hij in bezwaar en beroep heeft aangevoerd - op het standpunt gesteld dat gezien de feitelijke situatie geconcludeerd moet worden dat [D.] bij hem thuis woont. Daartoe heeft hij er op gewezen dat [D.] bij hem staat ingeschreven in het bevolkingsregister van de gemeente Eijsden-Margraten en dat [D.] 223 dagen - het totaal van vakanties, vrije dagen en feestdagen - van de 365 dagen in een jaar bij appellant thuis verblijft. Naar de mening van appellant heeft Svb ten onrechte de maatstaf van tenminste 4 nachten per week gehanteerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Ten aanzien van het standpunt van appellant dat een verkeerde maatstaf zou zijn gehanteerd bij de beoordeling van de vraag of [D.] tot het huishouden van appellant behoort, onderschrijft de Raad het oordeel van de rechtbank zoals weergegeven in 3.1 volledig en maakt die overwegingen tot de zijne. De Raad merkt daarbij op dat intern verblijf in een internaat, gedurende vijf dagen en vier nachten, volgens vast beleid van de Svb leidt tot de kwalificatie van uitwonend zijn. De omstandigheid dat een kind ten behoeve van wie kinderbijslag of een tegemoetkoming op grond van de TOG 2000 is gevraagd gedurende vakanties en de overige vrije dagen tijdelijk (in enig kwartaal) in overwegende mate bij een ouder verblijft, geeft geen aanleiding om aan te nemen dat dit kind niet langer als uitwonend kan worden aangemerkt.

4.2. Dit betekent dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H.C.P. Venema als voorzitter en H.J. de Mooij en J.M.A. van der Kolk-Severijns als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.C. Nijholt als griffier, uitgesproken in het openbaar op 25 juli 2012.

(getekend) H.C.P. Venema

(getekend) M.C. Nijholt

RB