Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX2743

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-07-2012
Datum publicatie
26-07-2012
Zaaknummer
10-6300 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering. Onroerend goed in Turkije. Het college mocht van de uit het taxatierapport blijkende waarde uitgaan. De gestelde financiering door haar kinderen doet immers niet af aan het feit dat appellante gedurende de gehele te beoordelen periode eigenaar is geweest van de grond en het complex en de beschikking heeft gehad over het betreffende vermogen. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij op enig moment recht heeft gehad op bijstand. Van de door appellante gestelde wanverhouding tussen de hoogte van het teruggevorderde bedrag en de omvang van het vastgestelde vermogen is voorts geen sprake, zodat ook om die reden geen grond voor het college bestond de terugvordering te matigen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/6300 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 7 oktober 2010, 10/511 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Groningen (college)

Datum uitspraak: 25 juli 2012

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. B. van Dijk, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 15 mei 2012 heeft mr. E. van Wolde, advocaat, zich als opvolgend gemachtigde van appellante gesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 juni 2012. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Van Wolde. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R. Mulder.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante ontving bijstand, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande.

1.2. Naar aanleiding van een vermoeden dat appellante over onroerend goed in Turkije beschikt, heeft de sociale recherche een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. In dat kader is onder meer dossieronderzoek verricht, heeft het Internationaal Bureau Fraude-informatie (IBF) onderzoek in Turkije laten verrichten en is appellante verhoord. De bevindingen van dit onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 4 januari 2010.

1.3. Bij besluit van 19 januari 2010 heeft het college de bijstand van appellante met ingang van 1 januari 1998 ingetrokken op de grond dat appellante niet heeft gemeld dat zij een complex van een bedrijfsruimte en appartementen in Turkije bezit waarvan de waarde is getaxeerd op € 140.000,--. Voorts heeft het college de over de periode van 1 januari 1998 tot en met 31 december 2009 ten onrechte gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 143.877,42 van appellante teruggevorderd.

1.4. Bij besluit van 19 april 2010 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 19 januari 2010 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft in hoger beroep, samengevat, het volgende aangevoerd. Het college heeft in strijd met artikel 3:9 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te lichtvaardig de bevindingen van het taxatierapport overgenomen. De waarde van het complex is te hoog. Hierbij is van belang dat het complex slechts uitwendig is getaxeerd. Appellante heeft ter zitting van de Raad een bewijsaanbod gedaan om zelf een taxatierapport op te laten maken. Zij erkent dat zij juridisch eigenaar is van de grond en het complex en dat zij daarvan mededeling had moeten doen aan het college. Het complex is echter gefinancierd door haar kinderen en zij had zelf geen geld om aan de financiering bij te dragen. Hiermee had het college bij de terugvordering rekening moeten houden. Voorts had het college de terugvordering moeten matigen, omdat een wanverhouding bestaat tussen de hoogte van de terugvordering en de omvang van het vastgestelde vermogen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad ziet geen aanleiding om appellante thans nog de gelegenheid te geven om een taxatierapport te laten opmaken, zoals appellante ter zitting van de Raad heeft verzocht. Appellante heeft voldoende gelegenheid gehad om tijdig een taxatierapport in te dienen. Hierbij is van belang dat appellante reeds in de bezwaarfase, in februari 2010, te kennen heeft gegeven een taxatierapport te zullen laten opmaken en niettemin geen actie hiertoe heeft ondernomen.

4.2. Artikel 3:9 van de Awb bepaalt dat het bestuursorgaan, indien een besluit berust op een onderzoek naar feiten en gedragingen dat door een adviseur is verricht, zich ervan dient te vergewissen dat dit onderzoek op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. Van een deugdelijke advisering, die het bestuursorgaan de mogelijkheid biedt daarop af te gaan, slechts sprake zijn indien uit dat advies ten minste blijkt op basis van welke gegevens dit tot stand is gebracht en welke procedure daarbij is gevolgd.

4.2.1. Anders dan appellante heeft aangevoerd, heeft het college niet in strijd met artikel 3:9 van de Awb gehandeld door zich bij de besluitvorming te baseren op het taxatierapport van de door het Bureau Attaché voor Sociale Zaken van de Nederlandse ambassade in Turkije ingeschakelde makelaar. Deze makelaar heeft blijkens zijn taxatierapport onderzoek gedaan naar de kadastrale gegevens van het complex en voorts het complex, samen met een buitendienstmedewerker van de Nederlandse Ambassade, bezichtigd. Op basis van de daaruit verkregen informatie is aan de hand van diverse eigenschappen van het complex, waaronder de bestemming, oppervlakte, bouwdatum, aantal kamers en gebruikte bouwmaterialen, de waarde bepaald. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat het rapport onzorgvuldig tot stand is gekomen of niet deugdelijk zou zijn. Dat sprake is geweest van een zichttaxatie, doet evenmin afbreuk aan de deugdelijkheid van de verrichte taxatie. Het college mocht dan ook van de uit het taxatierapport blijkende waarde uitgaan.

4.3. Appellante heeft gesteld dat het college bij de terugvordering ermee rekening had moeten houden dat haar kinderen het complex hebben gefinancierd en zij zelf geen geld had om aan de financiering bij te dragen. Voor zover deze stelling moet worden opgevat als een beroep op dringende redenen om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien, slaagt dat beroep niet. De gestelde financiering door haar kinderen doet immers niet af aan het feit dat zij gedurende de gehele te beoordelen periode eigenaar is geweest van de grond en het complex en de beschikking heeft gehad over het betreffende vermogen. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij op enig moment recht heeft gehad op bijstand. Van de door appellante gestelde wanverhouding tussen de hoogte van het teruggevorderde bedrag en de omvang van het vastgestelde vermogen is voorts geen sprake, zodat ook om die reden geen grond voor het college bestond de terugvordering te matigen.

4.4. Uit 4.1 tot en met 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt en het verzoek van appellante om het college te veroordelen tot vergoeding van schade dient te worden afgewezen.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door E.J.M. Heijs als voorzitter en E.J. Govaers en A.M. Overbeeke als leden, in tegenwoordigheid van V.C. Hartkamp als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 juli 2012.

(getekend) E.J.M. Heijs

(getekend) V.C. Hartkamp

HD