Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX2679

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-07-2012
Datum publicatie
26-07-2012
Zaaknummer
11-2563 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging ZW-uitkering. Geen aanleiding om het medisch onderzoek onzorgvuldig te achten. Het gaat bij een verzekeringsgeneeskundig onderzoek om de vaststelling van beperkingen voor het verrichten van arbeid. Daarbij is een diagnose niet doorslaggevend, evenmin de eigen opvatting van appellante daarover.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/2563 ZW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 21 maart 2011, 10/1079 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 25 juli 2012

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M. Sieben, werkzaam bij Stichting Univé Rechtshulp te Assen, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 juni 2012. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Sieben. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.I. Damsma.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellante was sinds 17 februari 2009 werkzaam als schoonmaakster voor 35 tot 40 uur per week bij Speelstad Oranje, toen zij op 13 juli 2009 uitviel wegens diverse lichamelijke klachten. Bij het einde van het dienstverband is appellante met ingang van 17 augustus 2009 een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) toegekend. Appellante heeft meerdere keren het spreekuur van de arts J.J. Smits bezocht. In dat kader is door deze arts informatie opgevraagd bij de behandelend sector. Na het laatste spreekuur van 12 maart 2010 is de arts tot de conclusie gekomen dat appellant met ingang van 22 maart 2010 geschikt is te achten voor haar arbeid. Bij besluit van 12 maart 2010 is ZW-uitkering van appellante beëindigd met ingang van 22 maart 2010. Appellante heeft daartegen bezwaar gemaakt. Bij besluit van 4 mei 2010 (bestreden besluit) is het bezwaar ongegrond verklaard. Daaraan is het rapport van de bezwaarverzekeringsarts L.J. Zwemer van 3 mei 2010 ten grondslag gelegd.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarbij - kort samengevat - betekenis toegekend aan de bevindingen van de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts. De rechtbank heeft in de door appellante in beroep overgelegde informatie van de behandelend sector geen aanleiding gezien om te twijfelen aan de zienswijze van de verzekeringsartsen.

3. Appellante kan zich met de uitspraak van de rechtbank niet verenigen. In hoger beroep benadrukt appellante dat zij naast haar hoofdpijnklachten ook vermoeidheidsklachten en reumatische klachten in de armen en benen heeft. Nu in 2011 de diagnose neurofibromatosis is vastgesteld kunnen de klachten en belemmeringen van appellante in een ander licht worden geplaatst. Haar klachten passen bij de gevonden aandoening. Appellante is dan ook van mening dat de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts onvoldoende hebben beargumenteerd dat zij op de datum in geding volledig arbeidsgeschikt was. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft appellante een rapport van medisch adviseur

dr. A.M.H. Ostendorf van 16 mei 2012 ingebracht.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Ingevolge artikel 19, eerste en vierde lid, van de Ziektewet (ZW) heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid, als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld.

4.2. Hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd vormt geen aanleiding anders te oordelen dan de rechtbank heeft gedaan. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank en de overwegingen die daaraan ten grondslag hebben gelegen.

4.3. Er bestaat geen aanleiding om het medisch onderzoek onzorgvuldig te achten. Daarbij is van belang dat de primaire arts appellante meerdere malen heeft onderzocht en inlichtingen heeft ingewonnen bij de huisarts, de kno-arts en de reumatoloog. Uit de informatie van de reumatoloog dr. T.L. Jansen van 23 februari 2010 blijkt dat voor de pijnklachten temporaal geen goede verklaring is te geven en het pijnbeeld van appellante waarschijnlijk past bij fibromyalgie. De bezwaarverzekeringsarts heeft dossierstudie verricht, de hoorzitting bijgewoond en appellante aansluitend onderzocht. Bij de beoordeling heeft de bezwaarverzekeringsarts de informatie van de behandelend sector meegewogen. Ook de bezwaarverzekeringsarts kon bij eigen onderzoek, behoudens een huidafwijking aan de rechterkant van het gezicht van appellante, geen aanwijzingen vinden voor een andere diagnose dan de waarschijnlijkheidsdiagnose fibromyalgie.

4.4. Uit de in beroep overgelegde informatie van neuroloog drs. R.F. Duyff van 2 juni 2010, 25 juni 2010 en 9 december 2010 en dermatoloog dr. B. Horvàth van 1 maart 2011 blijkt dat mogelijk sprake is van neurofibromatosis. Een MRI-scan van de hersenen en de nek liet een neurofibroom zien in de nek. Appellante acht het aannemelijk dat zij op grond van deze aandoening op de datum in geding beperkt arbeidsgeschikt was. De Raad merkt op dat het bij een verzekeringsgeneeskundig onderzoek gaat om de vaststelling van beperkingen voor het verrichten van arbeid. Daarbij is een diagnose niet doorslaggevend, evenmin de eigen opvatting van appellante daarover. De bezwaarverzekeringsarts heeft in zijn rapportages van 10 december 2010 en 16 februari 2011 voldoende gemotiveerd aangegeven waarom de overgelegde informatie van de neuroloog en de dermatoloog, die overigens niet ziet op de datum in geding, hem geen aanleiding geven om het eerder ingenomen standpunt te wijzigen. De gevonden neurofibroom in de nek is volgens de bezwaarverzekeringsarts geen reden om per datum in geding bij appellante meer beperkingen aan te nemen.

4.5. Ook de in hoger beroep overgelegde rapportage van medisch adviseur dr . Ostendorf van 16 mei 2012 werpt geen ander licht op de zaak. Er is geen aanleiding te twijfelen aan de reactie van de bezwaarverzekeringsarts G.J. Dreijer, neergelegd in de rapportage van 4 juni 2012, dat later weliswaar de diagnose neurofibromatose is gesteld, maar dat in het kader van deze aandoening slechts enkele kleine afwijkingen in de huid zijn aangetoond die de diverse klachten van appellante niet kunnen verklaren. Dat de klachten in de zomer van 2010 verder zijn toegenomen en appellantes gezondheidstoestand in 2011, zoals blijkt uit het rapport van medisch adviseur dr. Ostendorf, is verslechterd, is voor dit geding niet van belang.

4.6. Uit hetgeen onder 4.1 tot en met 4.5 is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

De Raad acht geen gronden aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst, in tegenwoordigheid van P.J.M. Crombach als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 juli 2012.

(getekend) Ch. van Voorst

(getekend) P.J.M. Crombach

RK