Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX2640

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-07-2012
Datum publicatie
26-07-2012
Zaaknummer
11-515 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging recht op ziekengeld. Geen aanleiding het medisch onderzoek voor onzorgvuldig te houden dan wel de uitkomst daarvan onjuist te achten. Het Uwv heeft inzichtelijk en overtuigend gemotiveerd waarom appellant niet ongeschikt kan worden geacht voor zijn laatst verrichte werk in de functie van afwasser/schoonmaker voor 35 uur in de week.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/515 ZW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 9 december 2010, 10/2308 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 25 juli 2012

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. B.M. Voogt, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 juni 2012. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Voogt. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.K. Dekker.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellant was werkzaam als afwasser/schoonmaker voor 35 uur in de week, toen hij voor dit werk op 29 juli 2009 is uitgevallen vanwege rugklachten en psychische klachten. Naar aanleiding van deze ziekmelding heeft appellant op 25 februari 2010 het spreekuur bezocht van de verzekeringsarts M. Mirzoyan. Deze arts is tot de conclusie gekomen dat appellant met ingang van 1 maart 2010 geschikt kan worden geacht voor zijn laatst verrichte werk als schoonmaker. Bij besluit van 25 februari 2010 heeft het Uwv dienovereenkomstig met ingang van 1 maart 2010 het recht op ziekengeld beëindigd.

1.2. Na een herbeoordeling door de bezwaarverzekeringsarts J. van der Stoep heeft het Uwv bij besluit van 27 mei 2010 (bestreden besluit) het bezwaar van appellant tegen het besluit van 25 februari 2010 ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep voert appellant aan dat de door de huisarts verhoogde dosering zware pijnmedicatie duidt op zware rugklachten. Vanwege de voortdurende psychische problemen heeft appellant zich weer onder behandeling laten plaatsen bij Bavo Europoort. Na de echtscheiding van 22 april 2010 kan aan de stabiliserende factor die uitgaat van het huwelijk niet veel waarde meer worden gehecht. Deze klachten waren volgens appellant onweersproken op 1 maart 2010 aanwezig en maakten hem ongeschikt voor zijn werk. Ter onderbouwing legt appellant een behandelplan van 4 oktober 2010 over waaruit blijkt dat de problemen niet zijn afgenomen, maar juist zijn toegenomen.

4.1. De Raad oordeelt als volgt.

4.2. Ingevolge artikel 19, eerste en vierde lid, van de Ziektewet (ZW) heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid, als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Volgens vaste rechtspraak moet onder “zijn arbeid” worden verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid.

4.3. Er is geen aanleiding het medisch onderzoek voor onzorgvuldig te houden dan wel de uitkomst daarvan onjuist te achten. Daarbij is van belang dat de verzekeringsarts appellant op het spreekuur van 25 februari 2010 heeft onderzocht en daarbij op de hoogte was van de psychosociale problemen van appellant. Bij het lichamelijk onderzoek werden door de verzekeringsarts voorts geen rugbeperkingen geconstateerd.

Bezwaarverzekeringsarts Van der Stoep heeft vervolgens het dossier bestudeerd en de informatie van de huisarts van appellant van 22 april 2010 bij zijn beoordeling meegewogen. In het rapport van 26 mei 2010 heeft hij te kennen gegeven dat betreffende de rugklachten de huisarts rapporteert dat het röntgenonderzoek geen bijzonderheden opleverde, hetgeen overeenkomt met de uitkomst van het onderzoek door de verzekeringsarts. De rugklachten vormen dan ook geen belemmering voor appellant om zijn werk te verrichten. Betreffende de psychische klachten blijkt volgens bezwaarverzekeringsarts Van der Stoep uit de informatie van de huisarts dat appellant therapietrouw is en daardoor psychisch stabiel, zodat appellant ook de mentale belasting in zijn laatst verrichte werk van afwasser/schoonmaker moet aankunnen. In het in hoger beroep overgelegde behandelplan heeft de bezwaarverzekeringsarts geen aanleiding gezien zijn standpunt te wijzigen. Daarbij heeft hij te kennen gegeven dat dit behandelplan geruime tijd na de hier in geding zijnde datum, te weten 1 maart 2010, is opgesteld en dat het een beeld geeft van appellant in het najaar van 2010, dat niet zonder meer kan worden geprojecteerd op de datum in geding. De door de huisarts beschreven psychisch stabiele toestand van appellant was mede het gevolg van de medicatie die hij op dat moment gebruikte en komt overeen met het beeld dat de verzekeringsarts had op het spreekuur van 25 februari 2010, dus enkele dagen voor de datum in geding. Betreffende de pijnmedicatie heeft Van der Stoep ten slotte opgemerkt dat het gebruik daarvan iets zegt over de pijnbeleving en niet direct gekoppeld kan worden aan medisch objectiveerbare rugafwijkingen. Gelet op het vorenstaande heeft het Uwv inzichtelijk en overtuigend gemotiveerd waarom appellant per 1 maart 2010 niet ongeschikt kan worden geacht voor zijn laatst verrichte werk in de functie van afwasser/schoonmaker voor 35 uur in de week.

5. Hetgeen onder 4.2 en 4.3 is overwogen, leidt tot de slotsom dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

6. Er zijn geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake de vergoeding van de proceskosten.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst, in tegenwoordigheid van P.J.M. Crombach als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 juli 2012.

(getekend) Ch. van Voorst

(getekend) P.J.M. Crombach

EK