Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX2629

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-07-2012
Datum publicatie
26-07-2012
Zaaknummer
10-4838 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging recht op ziekengeld. “Zijn arbeid”. Na herbeoordeling ingevolge de WAO is appellante, primair geschikt geacht voor haar werk als secretaresse voor gemiddeld 40 uur per week. Voor de onderhavige beoordeling dient voor de maatstaf arbeid dan ook uitgegaan te worden van deze functie. Het Uwv heeft dan ook een onjuiste maatstaf voor de arbeid gehanteerd. De bezwaarverzekeringsarts heeft voor de beoordeling van appellantes medische geschiktheid, uiteindelijk een voldoende duidelijk beeld gehad van de aard en de zwaarte van de als maatstaf geldende arbeid. Geen reden te twijfelen aan de juistheid van de beperkingen zoals deze nu door de bezwaarverzekeringsarts worden aangenomen. Het Uwv heeft inzichtelijk en overtuigend gemotiveerd waarom appellante niet ongeschikt kan worden geacht voor haar laatst verrichte werk als secretaresse. Nu deze motivering echter eerst in hoger beroep is gegeven, ziet de Raad aanleiding het bestreden besluit en de aangevallen uitspraak te vernietigen, waarbij de Raad zal bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/4838 ZW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 21 juli 2010, 10/1593 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 25 juli 2012

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. I. Winia, werkzaam bij SRK Rechtsbijstand, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting op 13 juni 2012, waar partijen, met bericht, niet zijn verschenen.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellante was werkzaam als secretaresse voor gemiddeld 40 uur per week, toen zij op 8 januari 2001 voor dit werk is uitgevallen met psychische klachten. Na het bereiken van de voorgeschreven wachttijd van 52 weken op 6 januari 2002, heeft het Uwv appellante een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Het Uwv heeft deze uitkering na een medische en arbeidskundige herbeoordeling bij besluit van 12 augustus 2003 per 2 oktober 2003 ingetrokken. Aan dit besluit ligt de motivering ten grondslag dat het Uwv appellante primair geschikt achtte voor haar eigen werk als secretaresse en subsidiair voor een aantal geselecteerde functies. Aansluitend ontving appellante een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet. Vanuit deze situatie heeft zij zich twee maal ziek gemeld, voor het laatst per 23 oktober 2009 met pijnklachten aan vingers en heupen. Naar aanleiding van deze ziekmelding heeft appellante op 14 januari 2010 het spreekuur bezocht van verzekeringsarts A.G. Willems. Deze arts is tot de conclusie gekomen dat appellante met ingang van 25 januari 2010 geschikt kan worden geacht voor ten minste één van de bij de eerdere WAO-beoordeling geduide functies. Bij besluit van 21 januari 2010 heeft het Uwv dienovereenkomstig met ingang van 25 januari 2010 het recht op ziekengeld beëindigd.

1.2. Na een herbeoordeling door de bezwaarverzekeringsarts R.M. de Vink, heeft het Uwv bij besluit van 11 maart 2010 (bestreden besluit) het bezwaar van appellante tegen het besluit van 21 januari 2010 ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank onder meer overwogen dat er geen aanknopingspunten zijn het medisch onderzoek door de betrokken verzekeringsartsen onzorgvuldig te achten of hun medisch oordeel onjuist te achten. Hieruit volgt volgens de rechtbank dat er dan ook geen reden is om de geschiktheid van appellante voor ten minste één van de eerder geduide functies te betwijfelen.

3. In hoger beroep voert appellante aan dat met name met de artrose in de handen onvoldoende rekening is gehouden bij de vaststelling van haar beperkingen. De reumatoloog is van mening dat appellante niet voortdurend dezelfde belasting kan hebben op de vingergewrichten en dat door het werken op een toetsenbord haar klachten verergeren. Ter onderbouwing legt appellante een brief van de reumatoloog H.D. Boom over van 14 januari 2011. In haar eigen werk als secretaresse moet veelvuldig met een toetsenbord worden gewerkt en zal altijd op tijd en vaak met spoed moeten worden gewerkt. Appellante is daarom niet in staat dit werk te verrichten.

4.1. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.2. Ingevolge artikel 19, eerste en vierde lid, van de Ziektewet (ZW) heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid, als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Volgens vaste rechtspraak van de Raad dient onder “zijn arbeid” in voormelde zin te worden verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid. Deze regel lijdt echter in zoverre uitzondering dat, wanneer de verzekerde na het volbrengen van de voorgeschreven wachttijd, blijvend ongeschikt is voor zijn oude werk en niet in enige arbeid heeft hervat, als maatstaf geldt arbeid, zoals die nader is geconcretiseerd bij de beoordeling van betrokkenes aanspraak op een uitkering ingevolge de WAO.

4.3. In dit geval is van belang dat appellante in het kader van de herbeoordeling ingevolge de WAO, zoals onder 1.1 is weergegeven, primair geschikt is geacht voor haar werk als secretaresse voor gemiddeld 40 uur per week. Voor de onderhavige beoordeling dient voor de maatstaf arbeid dan ook uitgegaan te worden van deze functie. Het Uwv heeft dan ook een onjuiste maatstaf voor de arbeid gehanteerd.

4.4. Het Uwv heeft desgevraagd een rapport van 20 maart 2012 van de bezwaararbeidsdeskundige B. Evegaars overgelegd. Deze heeft te kennen gegeven dat in de laatst verrichte arbeid van appellante in de functie van secretaresse bij Roest Singh Advocaten geen sprake is van hoge werkdruk en brieven/rapporten worden uitgetypt zonder dictafoon. Op basis van deze specifieke werkomstandigheden in combinatie met haar ruime werkervaring als juridisch secretaresse kan ervan worden uitgegaan dat appellante in haar werk voldoende mogelijkheden en inzicht had om langdurige, eenzijdige belasting in haar werk te vermijden. Uit dit rapport volgt dat de bezwaarverzekeringsarts voor de beoordeling van appellantes medische geschiktheid, uiteindelijk een voldoende duidelijk beeld heeft gehad van de aard en de zwaarte van de als maatstaf geldende arbeid.

4.5. De Raad ziet in de door appellante aangevoerde gronden geen reden te twijfelen aan de juistheid van de beperkingen zoals deze nu door de bezwaarverzekeringsarts worden aangenomen. De Raad neemt daarbij in aanmerking dat bezwaarverzekeringsarts De Vink appellante op het spreekuur van 16 februari 2010 heeft onderzocht en daarbij de artrose aan de handen en heupen heeft onderkend. De hieruit voortvloeiende beperkingen maken dat appellante niet langer dan een half uur aaneen kan lopen, niet de hele dag kan staan en dat zij een functie moet uitoefenen waarin regelmatig van houding kan worden gewisseld. Betreffende de handen is sprake van een milde artrose, waarbij beleid is dat appellante haar handen moet blijven bewegen, maar dat zij overbelasting (en ook trillingen) van/op haar handen moet vermijden. In de informatie van de reumatoloog van 14 januari 2011 heeft de bezwaarverzekeringsarts geen aanleiding gezien de vastgestelde belastbaarheid te wijzingen. In zijn rapport van 11 februari 2011 geeft hij te kennen dat de reumatoloog appellante niet op de datum hier in geding, te weten 25 januari 2010, heeft beoordeeld of gezien. Tevens merkt de bezwaarverzekeringsarts op dat het bedienen van een toetsenbord geen kracht vergt en daarom niet als bijzonder gewrichtsbelastend voor appellante moet worden gezien. De onder 4.4 weergegeven belasting in de functie van secretaresse is door de bezwaarverzekeringsarts, zoals blijkt uit het rapport van 23 maart 2012, afgezet tegen de hierboven weergegeven belastbaarheid. De Vink is tot de conclusie gekomen dat er geen argumenten zijn aangevoerd waarom de belasting in het laatst verrichte werk voor appellante te zwaar zou zijn.

5. Gelet op hetgeen onder 4.2 tot en met 4.5 is overwogen, heeft het Uwv inzichtelijk en overtuigend gemotiveerd waarom appellante per 25 januari 2010 niet ongeschikt kan worden geacht voor haar laatst verrichte werk als secretaresse. Nu deze motivering echter eerst in hoger beroep is gegeven, ziet de Raad aanleiding het bestreden besluit en de aangevallen uitspraak te vernietigen, waarbij de Raad zal bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven.

6. De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 437,-- voor verleende rechtsbijstand in beroep en op € 437,-- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 11 maart 2010;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;

- veroordeelt het Uwv in de kosten van appellant tot een bedrag van € 874,--;

- bepaalt dat het Uwv aan appellant het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 152,-- vergoedt;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst, in tegenwoordigheid van P.J.M. Crombach als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 juli 2012.

(getekend) Ch. van Voorst

(getekend) P.J.M. Crombach

CVG