Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX2624

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-07-2012
Datum publicatie
26-07-2012
Zaaknummer
10/2719 ZW + 12/1493 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij de tussenuitspraak is geoordeeld dat het Uwv het bezwaar van appellante had moeten opvatten als mede gericht tegen een besluit van 10 december 2008, inhoudende weigering ziekengeld per 1 februari 2008. Bij het besluit van 26 januari 2012 heeft het Uwv, voor zover nog van belang, het bezwaar van appellante tegen het besluit van 10 december 2008 ongegrond verklaard en de weigering van een ZW-uitkering gehandhaafd. Niet is gebleken dat de stressklachten, waarvan elke objectivering ontbreekt, haar op 1 februari 2008 verhinderden haar arbeid te verrichten. Niet aannemelijk is geworden dat op 1 februari 2008 sprake was van tot een ziekte te herleiden moeheidsklachten op grond waarvan moet worden aangenomen dat appellante arbeidsongeschikt was.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/2719 ZW, 12/1493 ZW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 30 maart 2010, 09/4178 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 25 juli 2012

PROCESVERLOOP

De Raad heeft op 17 oktober 2011 (LJN BT8452) een tussenuitspraak gedaan.

Het Uwv heeft een besluit van 26 januari 2012 ingezonden en nadere stukken.

Appellante heeft haar zienswijze gegeven. Het Uwv heeft op deze zienswijze gereageerd.

De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.

De zaak is opnieuw ter zitting behandeld op 20 juni 2012. Appellante is verschenen met bijstand van mr. J. de Back, kantoorgenoot van mr. S. Ben Ahmed. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.M.J. Evers.

OVERWEGINGEN

1. Bij de tussenuitspraak is geoordeeld dat het Uwv het bezwaar van appellante had moeten opvatten als mede gericht tegen een besluit van 10 december 2008. Bij dit besluit heeft het Uwv vastgesteld dat appellante ter zake van haar melding van 12 november 2008 dat zij ziek is vanaf 1 februari 2008 geen recht heeft op een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW).

2. Bij het besluit van 26 januari 2012 heeft het Uwv, voor zover nog van belang, het bezwaar van appellante tegen het besluit van 10 december 2008 ongegrond verklaard en de weigering van een ZW-uitkering gehandhaafd. Aan het besluit van 26 januari 2012 ligt een rapportage ten grond van bezwaarverzekeringsarts F.C. Swaan, die kennis heeft genomen van de in het dossier aanwezige medische gegevens, appellante tijdens een hoorzitting heeft gesproken en informatie heeft verkregen van psychiater G. Mirri. Volgens het Uwv was appellante op 1 februari 2008 geschikt te achten voor haar werk als assistent groepshulp/woonbegeleider.

3. Appellante heeft zich op het standpunt gesteld dat onvoldoende rekening is gehouden met haar chronische nek-, rug- en schouderklachten, haar moeheidsklachten en psychische klachten. Met deze klachten was zij op 1 februari 2008 niet in staat haar fysiek en mentaal zware werkzaamheden te verrichten.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Op grond van artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid, als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Volgens vaste rechtspraak van de Raad dient onder ‘zijn arbeid’ in voormelde zin te worden verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid. Voor appellante is dat het werk als assistent groepshulp/woonbegeleider, dat zij tot 1 februari 2008 heeft verricht.

4.2. Bezwaarverzekeringsarts Swaan heeft bij zijn retrospectieve beschouwing met betrekking tot de klachten van nek-, rug- en schouders tot uitgangspunt genomen dat door de behandelaars van appellante geen aanmerkelijke afwijkingen zijn geconstateerd, zodat van een redelijke belastbaarheid van nek, rug en schouders mag worden uitgegaan. Appellante heeft geen medische gegevens ingebracht die haar stelling onderbouwen dat haar beperkingen zijn onderschat.

4.3. Uit de informatie die Swaan heeft ontvangen van psychiater Mirri blijkt dat appellante zich in verband met depressieve klachten heeft gewend tot i-psy. Een intakegesprek heeft plaatsgevonden op 31 juli 2009, waarbij als diagnose is gesteld een aanpassingsstoornis met gemengde emoties. Behandeling van de klachten heeft, zoals blijkt uit de brief van Mirri van 27 april 2010, niet plaatsgevonden omdat appellante op vervolgafspraken niet is verschenen. De door Mirri verstrekte gegevens betreffen de toestand van appellante op 31 juli 2009. Appellante heeft geen medische gegevens ingebracht waaruit blijkt dat van depressieve klachten ook al sprake was op de datum in geding, 1 februari 2008. Uit het journaal van de huisarts komt slechts naar voren dat appellante rond deze datum te kennen heeft gegeven last te hebben van stress. Niet is gebleken dat de stressklachten, waarvan elke objectivering ontbreekt, haar op 1 februari 2008 verhinderden haar arbeid te verrichten.

4.4. Appellante heeft haar moeheidsklachten in verband gebracht met de ziekte van Pfeiffer. Bezwaarverzekeringsarts Swaan heeft in zijn rapportage van 21 maart 2012 overtuigend uiteengezet dat uit de beschikbare medische informatie niet kan worden afgeleid dat appellante op de datum in geding de ziekte van Pfeiffer had. Appellante heeft de conclusie van Swaan ter discussie gesteld dat zij, als zij de ziekte van Pfeiffer heeft doorgemaakt in 2002, in 2008 voor het virus immuun is geweest en dat haar klachten pas vanaf augustus 2008 in verband zouden kunnen worden gebracht met Pfeiffer als zij toen de ziekte heeft opgelopen. Volgens appellante is een herhaalde besmetting wel mogelijk en kan ook een ander virus tot vergelijkbare klachten leiden. Appellante heeft haar stellingen niet met medische gegevens onderbouwd. Niet aannemelijk is geworden dat op 1 februari 2008 sprake was van tot een ziekte te herleiden moeheidsklachten op grond waarvan moet worden aangenomen dat appellante arbeidsongeschikt was.

4.5. Uit rechtsoverweging 4.3 van de tussenuitspraak volgt dat de aangevallen uitspraak niet in stand kan blijven en dat het bestreden besluit van 28 oktober 2009 moet worden vernietigd. De overwegingen 4.1 tot en met 4.4 van deze uitspraak leiden tot de conclusie dat het van rechtswege ontstane beroep van appellante tegen het besluit van 26 januari 2012 niet slaagt.

5. Er is aanleiding het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in hoger beroep. De kosten van rechtsbijstand worden begroot op een bedrag van € 1.311,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 28 oktober 2009 gegrond en vernietigt dit besluit;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 26 januari 2012 ongegrond;

- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1.311,-, te voldoen aan de griffier van de Raad;

- bepaalt dat het Uwv aan werknemer het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 111,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door M. Greebe, in tegenwoordigheid van L. van Eijndthoven als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 juli 2012.

(getekend) M. Greebe

(getekend) L. van Eijndthoven

CVG