Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX2618

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-07-2012
Datum publicatie
26-07-2012
Zaaknummer
11-3948 WW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening en terugvordering WW- en TW-uitkering. Boete. Nu het Uwv het in het vernietigde besluit neergelegde standpunt niet handhaaft, kan de aangevallen uitspraak niet in stand blijven voor zover de rechtbank de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand heeft gelaten. De Raad zal zelf in de zaak voorzien door de besluiten van 7 april 2010 en 21 april 2010 te herroepen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/3948 WW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 13 mei 2011, 10/2759 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te. B.] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 18 juli 2012

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. I. Nelemans, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 juni 2012. Appellant is, met bericht, niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.A. Vermeijden.

OVERWEGINGEN

1.1. Naar aanleiding van een signaal dat appellant naast zijn uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) en toeslag op grond van de Toeslagenwet (TW) inkomsten zou hebben ontvangen uit werkzaamheden via een uitzendbureau is het Uwv een onderzoek gestart. Naar aanleiding van dit onderzoek heeft het Uwv bij besluit van 7 april 2010 de WW-uitkering en de toeslag op grond van de TW van appellant herzien over de periode van 10 augustus 2009 tot en met 6 september 2009 en een bedrag van € 923,- aan onverschuldigd betaalde WW-uitkering en toeslag teruggevorderd. Bij besluit van 21 april 2010 heeft het Uwv appellant in verband met schending van de inlichtingenverplichting een boete opgelegd van € 100,-.

1.2. Bij besluit van 8 juni 2010 (bestreden besluit) heeft het Uwv de bezwaren van appellant tegen de besluiten van 7 april 2010 en 21 april 2010 ongegrond verklaard.

2. Appellant heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. In een tussenuitspraak van 22 december 2010 heeft de rechtbank geoordeeld dat het bestreden besluit niet deugdelijk is gemotiveerd en niet met de nodige zorgvuldigheid is voorbereid. Bij brief van 16 februari 2011 heeft het Uwv de motivering van het bestreden besluit aangevuld en een rapport van 17 januari 2011 overgelegd waarin het Uwv de bevindingen van een nader onderzoek heeft neergelegd. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd, maar de rechtsgevolgen van dat besluit in stand gelaten.

3. Het Uwv heeft ter zitting van de Raad het in het vernietigde besluit van 8 juni 2010 neergelegde standpunt niet gehandhaafd en de Raad verzocht zelf in de zaak te voorzien.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Nu het Uwv het in het vernietigde besluit neergelegde standpunt niet handhaaft, kan de aangevallen uitspraak niet in stand blijven voor zover de rechtbank de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand heeft gelaten. De Raad zal zelf in de zaak voorzien door de besluiten van 7 april 2010 en 21 april 2010 te herroepen.

5. Er is aanleiding het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 437,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover daarbij de rechtsgevolgen van het vernietigde

besluit van 8 juni 2010 in stand zijn gelaten;

- herroept de besluiten van 7 april 2010 en 21 april 2010 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit van 8 juni 2010;

- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant in hoger beroep tot een bedrag van € 437,-;

- bepaalt dat het Uwv aan appellant het door hem betaalde griffierecht in hoger beroep van € 112,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk als voorzitter en H. Bolt en H.G. Rottier als leden, in tegenwoordigheid van E. Heemsbergen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 juli 2012.

(getekend) G.A.J. van den Hurk

(getekend) E. Heemsbergen

RK