Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX2526

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-07-2012
Datum publicatie
25-07-2012
Zaaknummer
11-3436 WW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Fictieve opzegtermijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2012/1718
RSV 2012/266
USZ 2012/253 met annotatie van Red.
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/3436 WW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 3 mei 2011, 10/1885 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 18 juli 2012

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. I.T. Martens hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 juni 2012. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H.B. Heij.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellant is op 1 januari 2007 in dienst getreden bij Kobalt B.V. (werkgever). In artikel 1.3 van de voor zes maanden aangegane arbeidsovereenkomst tussen werkgever en appellant is ten aanzien van de opzegging van de arbeidsovereenkomst bepaald: “Beide partijen zijn gerechtigd de arbeidsovereenkomst tussentijds op te zeggen. Opzegging dient schriftelijk te geschieden tegen het einde van een kalendermaand, met inachtneming van de opzegtermijn van twee maanden voor de werknemer."

Bij brief van 21 juni 2007 heeft werkgever appellant meegedeeld dat de arbeidsovereenkomst per 1 juli 2007 wordt omgezet in een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd en dat alle overige arbeidsvoorwaarden vermeld in de arbeidsovereenkomst van 1 januari 2007 ongewijzigd blijven.

1.2. Werkgever en appellant hebben op 30 september 2009 een beëindigingsovereenkomst gesloten. Hierin is onder meer bepaald dat de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst uiterlijk met ingang van 1 november 2009 met wederzijds goedvinden zal worden beëindigd en dat werkgever appellant een beëindigingsvergoeding van € 8.454,24 betaalt.

1.3. Appellant heeft per 1 november 2009 een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) aangevraagd. Bij besluit van 3 november 2009 heeft het Uwv appellant WW-uitkering ontzegd tot en met 17 november 2009. Het door appellant gemaakte bezwaar tegen het besluit van 3 november 2009 is door het Uwv bij besluit van 12 maart 2010 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Het Uwv heeft zich op het standpunt gesteld dat op grond van de arbeidsovereenkomst voor appellant - in afwijking van de wettelijke bepaling - een opzegtermijn van twee maanden gold. Op grond van het Burgerlijk Wetboek (BW) geldt er dan voor de werkgever - aldus het Uwv - een opzegtermijn van vier maanden. Daarbij is benadrukt dat het wettelijke schriftelijkheidsvereiste ziet op de afwijking van de voor de werknemer geldende opzegtermijn en niet op de verlengde opzegtermijn van de werkgever.

2. De rechtbank heeft het namens appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard en het door het Uwv ingenomen standpunt onderschreven.

3. Appellant kan zich niet verenigen met de uitspraak van de rechtbank. Hij stelt zich op het standpunt dat artikel 1.3 van de arbeidsovereenkomst nietig is, omdat niet schriftelijk is overeengekomen dat de opzegtermijn voor de werkgever vier maanden bedraagt. Voor de bepaling van de opzegtermijn moet volgens appellant worden uitgegaan van de wettelijke bepaling(en), zodat deze moet worden vastgesteld op één maand. Appellant is dan ook van mening dat hij met ingang van 1 november 2009 recht heeft op een WW-uitkering.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Voor een weergave van het toepasselijk wettelijk kader verwijst de Raad naar overweging 2 van de aangevallen uitspraak.

4.2. Het gaat in dit hoger beroep om de vaststelling van de zogenoemde fictieve opzegtermijn op grond van artikel 16, derde lid, van de WW. Bepalend daarvoor is de rechtens geldende termijn indien de dienstbetrekking door opzegging zou zijn beëindigd. Daaronder wordt verstaan de termijn die de werkgever of de werknemer op grond van artikel 7:672 van het BW in acht behoort te nemen. Nu de arbeidsovereenkomst is beëindigd met wederzijds goedvinden geldt ingevolge artikel 16, derde lid, van de WW als uitgangspunt voor de bepaling van de fictieve opzegtermijn de door de werkgever in acht te nemen opzegtermijn.

4.3. De vraag is of artikel 1.3 van de arbeidsovereenkomst een rechtsgeldige afwijking bevat van de in artikel 7:672, tweede lid, van het BW neergelegde wettelijke opzegtermijnen. De Raad heeft in zijn uitspraak van 15 januari 2003, LJN AF5515, overwogen dat hoewel artikel 7:672, zesde lid, van het BW begint met een regel omtrent de opzegtermijn voor de werknemer, de tweede volzin van dat artikel ook betekenis heeft voor de door de werkgever in acht te nemen opzegtermijn. In artikel 7:672, zesde lid, van het BW is immers bepaald dat als de opzegtermijn van de werknemer wordt verlengd, de door de werkgever in acht te nemen opzegtermijn niet korter mag zijn dan het dubbele van die voor de werknemer. Anders dan de rechtbank en het Uwv is de Raad van oordeel dat het in deze bepaling opgenomen schriftelijkheidsvereiste niet alleen met zich brengt dat een afwijking van de door de werknemer in acht te nemen opzegtermijn schriftelijk moet zijn vastgelegd. Dit vereiste moet, mede uit een oogpunt van rechtszekerheid, zo worden verstaan dat in geval van afwijking van de door de werknemer in acht te nemen opzegtermijn de door de werkgever in acht te nemen opzegtermijn eveneens schriftelijk moet worden vastgelegd. Daarbij is van belang dat uit artikel 7:672, zesde lid, van het BW niet zonder meer voortvloeit dat de door de werkgever in acht te nemen opzegtermijn het dubbele is van die voor de werknemer. Deze bepaling laat immers de mogelijkheid open om een langere opzegtermijn voor de werkgever overeen te komen.

4.4. Uit 4.3 volgt dat de tweede volzin van artikel 1.3 van de arbeidsovereenkomst in strijd is met artikel 7:672, zesde lid, van het BW. Dit betekent echter niet, zoals appellant stelt, dat dit beding nietig is. De gevolgen van de strijdigheid van dit beding worden mede bepaald door de artikelen 3:40, 3:41, en 3:42 van het BW. Ervan uitgaande dat artikel 6:72, zesde lid, van het BW strekt tot bescherming van de werknemer kunnen de gevolgen van een met dat artikellid strijdig beding afhankelijk van de concrete situatie verschillend zijn. Zoals de Raad eerder in een gelijksoortige situatie heeft overwogen, bestaat er aanleiding om bij de bepaling van een fictieve opzegtermijn - mede vanuit een oogpunt van praktische toepasbaarheid van deze bepaling van de WW - in die situatie uit te gaan van de wettelijke opzegtermijn (zie de in 4.3 genoemde uitspraak van 15 januari 2003).

4.5. Appellant was minder dan vijf jaar in dienst van de werkgever. De door de werkgever in acht te nemen wettelijke opzegtermijn bedroeg één maand. De beëindiging is schriftelijk overeengekomen op 30 september 2009. Het recht op WW-uitkering is op 1 november 2009 ontstaan. Dit betekent dat het Uwv ten onrechte appellant over de periode van 1 november 2009 tot en met 17 november 2009 recht op WW-uitkering heeft ontzegd.

4.6. Het hoger beroep slaagt. De aangevallen uitspraak komt voor vernietiging in aanmerking. Het beroep moet gegrond worden verklaard en het bestreden besluit moet worden vernietigd. De Raad ziet aanleiding om, nu daartoe voldoende gegevens bekend zijn, zelf in de zaak te voorzien en zal bepalen dat appellant over de periode van 1 november 2009 tot en met 17 november 2009 een WW-uitkering toekomt van € 139,10 bruto per dag.

5. Het verzoek om veroordeling tot vergoeding van wettelijke rente wordt toegewezen. Omwille van een praktische en eenvormige rechtstoepassing, mede gezien het forfaitaire karakter van wettelijke rente, neemt de Raad hierbij tot uitgangspunt dat de wettelijke rente gaat lopen op de eerste dag van de kalendermaand volgende op de maand (of het andere tijdvak) waarop de periodieke betaling betrekking heeft. Indien het niet gaat om reeds lopende periodieke betalingen, maar om een eerste toekenning of om een wijziging van een element van de periodieke betaling, geldt bovendien dat de wettelijke rente niet eerder gaat lopen dan vanaf de eerste dag van de kalendermaand volgende op die waarin de beslistermijn voor de toekenning of wijziging is verstreken. In het geval van appellant is de aanvraag ontvangen op 7 oktober 2009. De toekenning van de uitkering had moeten plaatsvinden met ingang van 1 november 2009 en de eerste betaling van de uitkering had op grond van artikel 33 van de WW moeten plaatshebben op 1 december 2009. Nu het gaat om een eerste toekenning en de beslistermijn ingevolge artikel 127 van de WW acht weken (na 7 oktober 2009) bedraagt, brengt toepassing van de bovenstaande regels met zich dat de wettelijke rente over de onderhavige periode is ingegaan op 1 januari 2011. Over iedere verdere termijn is de wettelijke rente telkens gaan lopen op de eerste dag van de daarop volgende kalendermaand. Zoals de Raad eerder heeft uitgesproken, moet bij de berekening worden uitgegaan van het brutobedrag van de betrokken termijn. Tevens dient, voor iedere termijn afzonderlijk, telkens na afloop van een jaar het bedrag waarover de rente wordt berekend te worden vermeerderd met de over dat jaar verschuldigde rente. De aldus berekende wettelijke rente loopt tot de dag van de algehele voldoening.

6. Er bestaat aanleiding het Uwv te veroordelen in de kosten van appellant in bezwaar, beroep en hoger beroep. Met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht worden de kosten voor verleende rechtsbijstand begroot op € 437,- in bezwaar, op € 437,- in beroep en op € 437,- in hoger beroep, in totaal € 1.311,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 12 maart 2010;

- bepaalt dat appellant over de periode van 1 november 2009 tot en met 17 november 2009 een uitkering op grond van de WW toekomt van € 139,10 bruto per dag;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit van 12 maart 2010;

- veroordeelt het Uwv tot vergoeding aan appellant van de schade zoals onder 5 van deze uitspraak is vermeld;

- veroordeelt het Uwv in de kosten van appellant tot een bedrag van in totaal € 1.311,-;

- bepaalt dat het Uwv het betaalde griffierecht in beroep en in hoger beroep van in totaal € 153,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk als voorzitter en H.G. Rottier en M. Greebe als leden, in tegenwoordigheid van I.J. Penning als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 juli 2012.

(get.) G.A.J. van den Hurk.

(get.) I.J. Penning.

JL