Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX2524

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-07-2012
Datum publicatie
26-07-2012
Zaaknummer
11-262 WIA-T
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Tussenuitspraak. Herziening WIA-uitkering. Niet gebleken dat in de FML meer beperkingen in verband met COPD GOLD II moeten worden aangenomen. Opleidingseis. Appellant heeft in Marokko van zijn zesde tot zijn tiende jaar koranonderwijs gehad en geen andere opleiding gevolgd. Appellant kan niet lezen of schrijven. Het Uwv heeft onvoldoende gemotiveerd dat de combinatie van opleiding en ervaring zodanig is dat deze op één lijn mag worden gesteld met het voltooien van basisonderwijs. Eveneens is onvoldoende gemotiveerd dat het opleidingsniveau van appellant op niveau 2 dient te worden bepaald en niet op niveau 1. Immers opleidingsniveau 2 veronderstelt dat appellant basisonderwijs heeft voltooid, dan wel daarmee op één lijn te stellen werkervaring heeft opgedaan. Ondeugdelijke motivering. De Raad draagt het Uwv op het gebrek in het bestreden besluit te herstellen.

Wetsverwijzingen
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering 18
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2012/264
USZ 2012/222
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/262 WIA-T

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

T U S S E N U I T S P R A A K

Tussenuitspraak op het hoger beroep tegen:

[A. te B.] (appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 1 december 2010, 10/2158 (aangevallen uitspraak)

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv).

Datum uitspraak: 18 juli 2012

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. P.J.W. de Water, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 maart 2012. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. De Water. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door W.H.M. Visser.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant was voorheen werkzaam als vorkheftruckchauffeur. Op 13 september 2007 heeft appellant zich ziekgemeld in verband met long- en hartklachten. Op 3 september 2009 is appellant onderzocht door de verzekeringsarts. In een brief van 15 oktober 2008 heeft de huisarts de verzekeringsarts geïnformeerd over de longaandoening van appellant. Daarin zijn tevens de bevindingen en conclusies uit een onderzoek van september en oktober 2007 van longarts Kersbergen vermeld. Bij brief van 7 oktober 2009 heeft longarts Dik verklaard dat bij onderzoek geen cardiale afwijkingen zijn vastgesteld. Dik heeft geconstateerd dat sprake is van een normale fietstest bij een patiënt met COPD GOLD II. Voorts is sprake van een maximale test gezien de hartfrequentie. Er is nog ruime ademreserve. Volgens het Uwv is sprake van energetische beperkingen en beperkingen met betrekking tot atmosferische condities, te weten geen stof, rook of prikkelende damp. De beperkingen zijn weergegeven op de zogenoemde Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). Op basis van die FML zijn functies geselecteerd tot het verrichten waarvan appellant in staat wordt geacht. Dit leverde een verlies aan verdiencapaciteit op van ruim 20%. Bij besluit van 5 oktober 2009 heeft het Uwv vastgesteld dat appellant per 10 september 2009 geen recht heeft op een uitkering ingevolge de Wet Werk en inkomen naar arbeidsvermogen. Appellant heeft tegen dat besluit bezwaar gemaakt.

1.2. Naar aanleiding van het bezwaar is wederom verzekeringsgeneeskundig onderzoek verricht. Geconcludeerd is dat de pulmonale conditie toereikend is voor de aangegeven functionele mogelijkheden en dat is gehandeld volgens het protocol COPD door de mate van ernst van de longproblematiek aan te duiden met Goldberg II. Tenslotte is geconcludeerd dat de medische conditie van appellant in de FML accuraat is beschreven. Vervolgens zijn opnieuw functies geselecteerd tot het verrichten waarvan appellant in staat wordt geacht. Het verlies aan verdiencapaciteit is daarbij onveranderd vastgesteld op ruim 20%. Het bezwaar is bij besluit van 15 februari 2010 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak is het beroep ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank is de uitkering terecht ontzegd.

De rechtbank ziet geen aanknopingspunten om aan te nemen dat de medische conclusies van de verzekeringsartsen niet juist zijn. Overwogen is dat appellant beperkt is geacht in verband met de aandoening COPD en geen medische stukken zijn ingebracht, op grond waarvan aan de medische conclusies zou moeten worden getwijfeld. De rechtbank is van oordeel dat appellant in staat is te achten de voorgehouden functies te verrichten. De signaleringen zijn afdoende gemotiveerd. De rechtbank heeft de stelling van appellant dat hij de functies niet kan vervullen vanwege onvoldoende beheersing van de Nederlandse taal verworpen. Daarbij is overwogen dat van een uit ziekte of gebrek voortkomende onmogelijkheid om de Nederlandse taal aan te leren geen sprake is. In de functies zal het gaan om in eenvoudig Nederlandse verwoorde instructies. In het verleden is niet gebleken van onvoldoende functioneren van appellant door beperkte beheersing van het Nederlands.

3.1. Appellant heeft zich op het standpunt gesteld dat niet is onderkend dat hij een ernstige de vorm van COPD heeft. De maximale hoeveelheid uitgeademde lucht ligt tussen de 50% en 80% van de normale waarde. Een grotere longcapaciteit kan slechts worden bereikt door het versterken van de longspieren. De ziekte is ongeneeslijk. Appellant heeft gesteld dat hem niet te verwijten is dat hij de Nederlandse taal niet beheerst. Appellant is analfabeet en heeft in zijn geboorteland de basisschool niet afgemaakt, omdat - zo is gesteld is - hij zwakbegaafd is. Voorts heeft appellant het standpunt ingenomen dat niet is voldaan aan de opleidingseis van voltooid basisonderwijs, die wordt gesteld in de drie geselecteerde functies.

3.2. Het Uwv heeft gesteld dat het analfabetisme en gebrekkige kennis van de Nederlandse taal niet in de weg staat aan het verrichten van de geselecteerde functies. Volgens de bezwaararbeidsdeskundige betreft het eenvoudige productiefuncties waarin nauwelijks eisen worden gesteld aan beheersing van de Nederlandse taal. Het Nederlands dat voor de functie kledingperser is vereist betreffen instructies die ook mondeling gegeven kunnen worden; voor het administreren van de bon is maar een beperkt aantal woorden nodig dat appellant moet kunnen aanleren. Appellant woont al 33 jaar in Nederland. Het Uwv heeft daarbij gewezen op artikel 9, van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten en de Regeling nadere invulling algemeen gebruikelijk bekwaamheden op grond waarvan mondelinge beheersing van de Nederlandse taal wordt aangemerkt als bekwaamheid die algemeen gebruikelijk is en binnen zes maanden kan worden verworven. Volgens het Uwv moet appellant worden geacht de Nederlandse taal te beheersen. Voorts heeft de bezwaararbeidsdeskundige het verdedigbaar geacht dat appellant voldoet aan de opleidingseis, gelet op de werkervaring van appellant. Appellant heeft (ten minste) drie jaar in Nederland gewerkt.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.1. Er is geen aanleiding tot een ander oordeel te komen dan de rechtbank over de medische grondslag van het bestreden besluit. De Raad verenigt zich met de overwegingen van de rechtbank en maakt deze tot de zijne.

4.1.2. De verzekeringsartsen hebben energetische beperkingen en beperkingen met betrekking tot atmosferische condities van appellant in de FML opgenomen. Tussen partijen is niet in geschil dat de longaandoening moet worden aangeduid met COPD GOLD II. Dit stemt overigens overeen met de informatie van beide longartsen, waarop de verzekeringsartsen hun conclusies mede hebben gebaseerd. In het midden kan blijven of de COPD GOLD II een ernstige vorm van COPD is. Niet gebleken is dat in de FML meer beperkingen moeten worden aangenomen. Appellant heeft ook in hoger beroep geen (medische) informatie overgelegd die tot twijfel aan de juistheid van de vastgestelde beperkingen leidt. Voor het benoemen van een deskundige bestaat dan ook geen aanleiding.

4.2. Uitgaande van de juistheid van de door het Uwv vastgestelde belastbaarheid, moeten vervolgens de arbeidskundige aspecten van het bestreden besluit worden beoordeeld. In het kader van de schatting zijn appellant drie functies voorgehouden (operator afbindmachine, kledingperser en productiemedewerker bedrading), waarbij in iedere functie de eis van voltooid basisonderwijs is gesteld.

4.3. In dit geval is terecht aangenomen dat appellant moet worden geacht de Nederlandse taal de beheersen. De Raad heeft onder meer in zijn uitspraak van 6 juli 2009, LJN BJ2117, tot uitdrukking gebracht dat voor zover het mondelinge instructies betreft de fictie mag gelden dat appellant voldoende Nederlands spreekt. Deze fictie brengt echter niet mee dat appellant moet worden geacht te voldoen aan de opleidingseis van voltooid basisonderwijs, die in de drie geselecteerde functies wordt gesteld.

4.4. In zijn rechtspraak heeft de Raad aanvaard dat aan een gestelde opleidingseis kan worden voldaan door een combinatie van zijn opleiding en werkervaring. De Raad wijst op zijn uitspraken van 20 mei 2009, LJN BI4863, 21 april 2010, LJN BM1947, en 7 mei 2010, LJN BM3879.

4.5. Tussen partijen is niet in geschil dat appellant in Marokko van zijn zesde tot zijn tiende jaar koranonderwijs heeft gehad en geen andere opleiding heeft gevolgd. Appellant kan niet lezen of schrijven. De werkgever heeft het Uwv meegedeeld dat appellant werkte zoals binnen zijn functie verwacht werd, maar niets meer dan dat. Het Uwv heeft verder het volgende overwogen: "Uit ad-onderzoek blijkt dat cliënt nooit goed heeft gefunctioneerd in de functie van magazijnmedewerker/heftruckchauffeur vanwege zijn beperkte capaciteiten en beperkte opleiding. Zo kon cliënt niet onthouden waar alles naar toe moest, en ook zijn analfabetisme speelde hem parten bij het lezen van orderbonnen e.d." Appellant heeft op de zitting toegelicht dat hij in zijn functie van heftruckchauffeur vrachtwagens laadde en steeds samenwerkte met één collega die wel (voldoende) Nederlands sprak.

4.6. Het Uwv heeft onvoldoende gemotiveerd dat de combinatie van opleiding en ervaring zodanig is dat deze op één lijn mag worden gesteld met het voltooien van basisonderwijs. De mededeling van de werkgever dat appellant werkte zoals in zijn functie werd verwacht, maar niet meer dan dat, sluit niet uit dat appellant - zoals appellant zelf heeft aangegeven-, zijn functie slechts kon verrich-ten dankzij de collega waarmee hij steeds samenwerkte. Bovendien volgt uit de onder 4.5 geciteer-de passage dat er blijkbaar ook een andere, tegengestelde opvatting bestond over de wijze waarop appellante functioneerde. Daarbij is van belang dat - kennelijk - naar deze omstandigheid bij de werkgever geen navraag is gedaan. Eveneens is onvoldoende gemotiveerd dat het opleidingsniveau van appellant op niveau 2 dient te worden bepaald en niet op niveau 1. Immers opleidingsniveau 2 veronderstelt dat appellant basisonderwijs heeft voltooid, dan wel daarmee op één lijn te stellen werkervaring heeft opgedaan.

Appellant heeft op school niet leren lezen of schrijven, heeft deze school niet afgemaakt en heeft geen vervolgopleiding genoten. Weliswaar heeft hij tussen 2002 en 2005 gewerkt, maar hij was daarbij afhankelijk van anderen zodat niet aannemelijk is dat appellant in dit werk zodanig heeft gefunctioneerd dat hij daardoor alsnog aan de opleidingseis voldoet. Overigens wordt er nog op gewezen dat niet is uitgesloten dat appellant in eventuele vóór 2002 verrichte werkzaamheden zodanig heeft gefunctioneerd dat daaruit moet worden afgeleid dat hij een met voltooid basisonderwijs op één lijn te stellen opleidingsniveau heeft bereikt.

5. Uit hetgeen onder 4.3 tot en met 4.6 is overwogen volgt dat het bestreden besluit niet zorgvuldig is voorbereid en daardoor tevens niet deugdelijk is gemotiveerd. Het bestreden besluit dient daarom te worden vernietigd wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. De aangevallen uitspraak dient eveneens te worden vernietigd.

6. Er is aanleiding het Uwv met toepassing van artikel 21, zesde lid, van de Beroepswet op te dragen het arbeidskundig gebrek in het bestreden besluit te herstellen. Het is aan het Uwv om een passende onderbouwing van het bestreden besluit te leveren, dan wel om een nieuw besluit met een materieel andere inhoud te nemen.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Draagt het Uwv op binnen acht weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek in het bestreden besluit te herstellen met inachtneming van hetgeen de Raad heeft overwogen.

Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier, in tegenwoordigheid van K.E. Haan als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 juli 2012.

(get.) H.G. Rottier

(get.) K.E. Haan

TM