Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX2516

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-07-2012
Datum publicatie
26-07-2012
Zaaknummer
10-2918 WIA-T
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Tussenuitspraak. Samenloop Duitse invaliditeitsuitkering en WIA-uitkering. Aan appellant is meegedeeld dat zijn uitkering is berekend onder toepassing van Verordening (EEG) nr. 1408/71 (Vo 1408/71), waarbij ervan uit is gegaan dat appellant in Nederland 6,167 jaar werkzaam is geweest en in Duitsland 32,417 jaar. In totaal is appellant 38,584 jaren verzekerd geweest. Het Nederlandse verhoudingscijfer is daarom 6,167/38,584, zijnde 0,1599. Het Uwv heeft ten onrechte de periode dat appellant werkzaam is geweest bij Philips-Duphar te Weesp niet meegeteld. De Raad draagt het Uwv op het gebrek in het bestreden besluit te herstellen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/2918 WIA-T

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Tussenuitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 8 april 2010, 09/1009 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.], Duitsland (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 20 juli 2012

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 april 2012. Appellant is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door M.J.H.H. Fuchs.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellant, geboren op [datum] 1947, heeft in het verleden zowel in Nederland als in Duitsland werkzaamheden verricht en is uitgevallen op 1 mei 2006. Met ingang van 1 juni 2006 is aan hem een Duitse uitkering (Rente wegen voller Erwerbsminderung) toegekend. Tevens heeft het Uwv bij besluit van 6 mei 2008 vastgesteld dat appellant per einde wachttijd, 28 april 2008, recht heeft op een uitkering ingevolge de Inkomensverzekering voor volledig en duurzaam arbeidsongeschikten (IVA) van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Daarbij is aan appellant meegedeeld dat zijn uitkering is berekend onder toepassing van Verordening (EEG) nr. 1408/71 (Vo 1408/71), waarbij ervan uit is gegaan dat appellant in Nederland 6,167 jaar werkzaam is geweest en in Duitsland 32,417 jaar. In totaal is appellant 38,584 jaren verzekerd geweest. Het Nederlandse verhoudingscijfer is daarom 6,167/38,584, zijnde 0,1599.

1.2. Bij beslissing op bezwaar van 28 januari 2009 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant, dat hij meer jaren in Nederland heeft gewerkt, ongegrond verklaard. Daarbij is vermeld dat terecht is uitgegaan van 6,167 verzekerde jaren in Nederland, te beginnen op 1 november 1967.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.1. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte tot het oordeel is gekomen dat de periode van 1 september 1963 tot en met 31 oktober 1967 niet dient te worden meegeteld bij het toepassen van artikel 46 van Vo 1408/71. Hij heeft, onder overlegging van nieuwe stukken, gesteld dat hij in die periode werkzaam is geweest bij Philips-Duphar te Weesp.

3.2. Het Uwv heeft zich in het verweerschrift op het standpunt gesteld dat deze periode terecht niet is meegeteld, omdat uit de overgelegde stukken niet blijkt dat loon uit dienstbetrekking is ontvangen.

4.1. Artikel 40 van Vo 1408/71 regelt de vaststelling van arbeidsongeschiktheidsuitkeringen ten behoeve van werknemers die achtereenvolgens onderworpen zijn geweest aan twee typen wetgeving: enerzijds een wetgeving zoals in casu de Nederlandse, die in bijlage IV van de verordening wordt genoemd als behorende tot het in artikel 37, lid 1, bedoelde type, waarbij het bedrag van de invaliditeitsuitkeringen onafhankelijk is van de duur van de tijdvakken van verzekering (hierna: ‘wetgeving van type A’), en anderzijds een wetgeving zoals in casu de Duitse, volgens welke het bedrag van de invaliditeitsuitkeringen afhankelijk is van de duur van de tijdvakken van verzekering (hierna: ‘wetgeving van type B’). Ingevolge artikel 40, lid 1, worden de uitkeringen dan berekend overeenkomstig de bepalingen van hoofdstuk 3 van de verordening (‘Ouderdom en overlijden [pensioenen]’), in het bijzonder artikel 46. Volgens lid 2 van laatstgenoemd artikel wordt in voorkomend geval een pro rata berekening gemaakt voor elke wetgeving waaraan de betrokkene onderworpen is geweest, dus ook voor die volgens welke het bedrag van de invaliditeitsuitkeringen onafhankelijk is van de duur van de tijdvakken van verzekering.

4.2. Nu appellant gebruik heeft gemaakt van het recht op vrij verkeer van werknemers en daardoor achtereenvolgens onderworpen is geweest aan een wetgeving van type A en een wetgeving van type B, moet overeenkomstig artikel 40, lid 1, van Vo 1408/71 voor de vaststelling van invaliditeitsuitkeringen uit hoofde van de Nederlandse wetgeving het bepaalde in hoofdstuk 3 (‘Ouderdom en overlijden [pensioenen]’) van titel III van de verordening worden toegepast, alsook, al naar het geval, de in artikel 46, lid 2, opgenomen samentellings- en proratiseringsregels.

Appellant heeft gesteld reeds met ingang van 1963, dus voor inwerkingtreding van de WAO, op 1 juli 1967, in Nederland werkzaam te zijn geweest. Voor de toepassing van artikel 46, lid 2, van Vo 1408/71 is daarom Bijlage VI van belang. Bijlage VI, onderdeel J (Nederland), punt 4, sub c, van Vo 1408/71, zoals gewijzigd bij Verordening nr. 1992/2006, bepaalt:

‘c) Bij de berekening van uitkeringen die zijn vastgesteld overeenkomstig de WAO, de WIA of de WAZ houden de Nederlandse organen rekening met:

- de tijdvakken van arbeid in loondienst en de daarmee gelijkgestelde

tijdvakken die vóór 1 juli 1967 in Nederland zijn vervuld;

- de tijdvakken van verzekering vervuld krachtens de WAO;

(…)’

4.3. Appellant en het Uwv verschillen van mening over de vraag of in het tijdvak van 1 september 1963 tot 1 juli 1967 sprake is geweest van arbeid in loondienst en of in het tijdvak van 1 juli 1967 tot en met 31 oktober 1967 sprake is geweest van tijdvakken van verzekering vervuld krachtens de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). In de door appellant gegeven toelichting en overgelegde stukken ziet de Raad aanleiding de zienswijze van het Uwv, dat geen sprake is geweest van arbeid in loondienst en verzekering in de zin van de WAO omdat niet is komen vast te staan dat appellant voor zijn werkzaamheden loon heeft ontvangen, niet te volgen.

4.3.1. Ter zitting heeft appellant toegelicht dat het loon in de tijdvakken in geding naar algemeen gebruik contant werd betaald in zakjes met een handgeschreven loonstrookje erbij. Er zijn daarom geen bankafschriften voorhanden, waaruit van loonbetalingen blijkt. Er werd door de werknemers wel getekend voor ontvangst doch daar zijn geen stukken meer van. Ter onderbouwing van deze laatste stelling heeft appellant een email overgelegd van een medewerker van Philips People Services waarin deze heeft meegedeeld dat er geen gegevens meer voorhanden zijn van appellants arbeidsverleden bij Philips, omdat de gegevens zijn vernietigd conform de daarvoor geldende regels.

4.3.2. Appellant heeft een op 29 september 1966 afgegeven bewijs van toelating tot het examen voor wetenschappelijk chemisch analist overgelegd. Daaruit blijkt dat appellant toestemming heeft verkregen dit examen in 1967 af te leggen onder de voorwaarde dat hij zich tot aan het examen in het laboratorium waar hij op het tijdstip van afgifte van het bewijs werkzaam was, blijft voorbereiden op het examen. Appellant heeft voorts een praktijkverklaring overgelegd waarin het hoofd van het chemisch laboratorium van N.V. Philips-Duphar te Weesp heeft verklaard dat appellant van augustus 1964 tot tenminste de dagtekening, op 12 april 1967, dagelijks, gehele dagen en onafgebroken werkzaam is geweest in het laboratorium. Het formulier beschrijft in de toelichting enerzijds de mogelijkheid dat een kandidaat voor het examen naast zijn normale werkzaamheden nog een aanvullende cursorische opleiding voor het examen volgt - in welk geval het formulier tevens moet worden ingevuld door de cursusleider - en anderzijds de mogelijkheid dat dat niet het geval is. In het geval van appellant is het formulier tevens ingevuld door zijn directe chef en niet door een cursusleider. Daaruit kan worden afgeleid dat geen sprake is geweest van een cursorische opleiding, tijdens of na werktijd, tijdens welke opleiding appellant mogelijk geen loon zou hebben genoten. Tot slot heeft appellant een kopie van een legitimatiebewijs overgelegd van N.V. Philips-Duphar, afgegeven op 1 augustus 1964, waarop is vermeld dat het bewijs bij ontslag of vertrek ingeleverd dient te worden. De Raad is van oordeel dat, nu uit de stukken blijkt dat appellant voltijds heeft gewerkt, er geen aanknopingspunten zijn om aan te nemen dat hij hiervoor geen loon heeft ontvangen. Appellant heeft met de overgelegde stukken voldoende aannemelijk gemaakt dat hij in de periode van 1 augustus 1964 tot en met 31 oktober 1967 arbeid in loondienst heeft verricht en dat deze tijdvakken mee dienen te tellen bij de toepassing van artikel 46, tweede lid, van Vo 1408/71. Met betrekking tot de periode voorafgaand aan 1 augustus 1964 heeft appellant geen onderbouwing gegeven van zijn stelling dat sprake is geweest van arbeid in loondienst. De Raad sluit aan bij de einddatum van 31 oktober 1967 omdat niet in geschil is dat appellant met ingang van 1 november 1967 zijn dienstplicht is gaan vervullen.

4.3.3. Voor de toepassing van artikel 46, lid 2, van Vo 1408/71 dient het tijdvak van 1 augustus 1964 tot en met 31 oktober 1967 te worden aangemerkt als tijdvak van arbeid in loondienst respectievelijk tijdvak van verzekering vervuld krachtens de WAO in de zin van Bijlage VI, onderdeel J (Nederland), punt 4, sub c, van Vo 1408/71.

4.4. Uit hetgeen is overwogen in 4.1 tot en met 4.3.3 volgt dat in de einduitspraak de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit zullen worden vernietigd.

5. De Raad ziet aanleiding met toepassing van artikel 21, zesde lid, van de Beroepswet het Uwv op te dragen het gebrek in het bestreden besluit te herstellen.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep draagt het Uwv op binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek in het bestreden besluit te herstellen overeenkomstig hetgeen de Raad heeft overwogen.

Deze uitspraak is gedaan door E.E.V. Lenos, in tegenwoordigheid van J.R. Baas als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 juli 2012.

(getekend) E.E.V. Lenos

(getekend) J.R. Baas

NW