Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX2510

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-07-2012
Datum publicatie
25-07-2012
Zaaknummer
10-5125 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag om (bijzondere) bijstand voor de noodzakelijke bestaanskosten van een jongmeerderjarige (met Wajong-uitkering).

Wetsverwijzingen
Algemene bijstandswet 10
Wet werk en bijstand 12
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/5125 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 7 september 2010, 10/570 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Venlo (college)

Datum uitspraak: 24 juli 2012

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.H.M. Verstraten, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 29 mei 2012 waar partijen, met bericht, niet zijn verschenen.

OVERWEGINGEN

1.1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.2. Appellante, geboren op 30 augustus 1990, ontvangt een uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong). Zij heeft op 15 september 2009 een aanvraag ingediend om bijzondere bijstand in verband met hogere kosten van het bestaan.

1.3. Bij besluit van 15 december 2009, in bezwaar gehandhaafd bij besluit van 28 april 2010, heeft het college de aanvraag afgewezen, omdat niet is gebleken van hogere kosten van het bestaan.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellante het oordeel van de rechtbank bestreden. Zij voert, samengevat, aan dat zij heeft aangetoond dat zij onvoldoende inkomsten heeft om in haar dagelijkse levensonderhoud te voorzien.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De hier te beoordelen periode loopt van 15 september 2009 tot en met 15 december 2009.

4.2. Bij aanvragen om bijstand rust de bewijslast van bijstandbehoevendheid in beginsel op de aanvrager.

4.3. Artikel 12 van de Wet werk en bijstand (WWB) luidde in te beoordelen periode als volgt:

Een persoon van 18, 19 of 20 jaar heeft recht op bijzondere bijstand voorzover zijn noodzakelijke kosten van het bestaan uitgaan boven de bijstandsnorm en hij voor deze kosten geen beroep kan doen op zijn ouders, omdat:

a. de middelen van de ouders daartoe niet toereikend zijn; of

b. hij redelijkerwijs zijn onderhoudsrecht jegens zijn ouders niet te gelde kan maken.

4.4. Zoals de Raad eerder heeft overwogen inzake artikel 10 van de Algemene bijstandswet (Abw) (CRvB 27 juni 2000, LJN ZB8840), rust bij de beoordeling van een aanvraag om bijstand voor de noodzakelijke bestaanskosten van een jongmeerderjarige op het bijstandsverlenend orgaan de plicht om zich een zo goed mogelijk beeld te vormen over de hoogte van de noodzakelijke bestaanskosten van de aanvrager. Hierbij is een gericht onderzoek naar alle van belang zijnde omstandigheden van de aanvrager nodig.

4.5. Nu artikel 12 van de WWB in essentie niet anders luidt dan artikel 10 van de Abw, en niet is gebleken dat de wetgever heeft beoogd ter zake een andere regeling te treffen, blijft de rechtspraak inzake de toepassing van artikel 10 van de Awb haar gelding behouden onder de WWB.

4.6. Uit de gedingstukken blijkt dat het college een onderzoek als bedoeld in 4.4 aan zijn besluitvorming ten grondslag heeft gelegd. Uit dit onderzoek blijkt dat appellante met haar Wajong uitkering en de door haar ontvangen huur- en zorgtoeslag in haar noodzakelijke bestaanskosten kan voorzien. Gelet op het bepaalde in artikel 13, eerste lid, onder f, van de WWB, gaat het college daarbij terecht voorbij aan het op de Wajong uitkering gelegde derdenbeslag in verband met de aflossing van schulden. Appellante of haar bewindvoerder kan bewerkstelligen dat dit beslag niet in strijd met de zogenoemde beslagvrije voet wordt geëffectueerd. Daarnaast gaat het college op goede gronden uit van een bedrag van € 97,76 per maand aan energiekosten, omdat dit het bedrag is dat appellante feitelijk is verschuldigd. Dat het voorschot € 150,00 per maand bedraagt, doet hieraan niet af. Het ligt op de weg van appellante of haar bewindvoerder om, indien nodig, dit voorschot te doen afstemmen op de werkelijke kosten. Tot slot heeft het college voldoende gemotiveerd waarom bij het vaststellen van de noodzakelijke bestaanskosten rekening is gehouden met een bedrag van € 40,-- per week voor leefgeld. Appellante heeft niet nader gemotiveerd waarom dit bedrag voor haar niet toereikend is. Dit betekent dat het college de aanvraag op goede gronden heeft afgewezen.

4.7. Uit bovenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak wordt bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte, in tegenwoordigheid van N.M. van Gorkum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 juli 2012.

(getekend) O.L.H.W.I. Korte

(getekend) N.M. van Gorkum

HD