Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX2508

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-07-2012
Datum publicatie
26-07-2012
Zaaknummer
11-1804 WWB
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2013:BZ4454
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering. Gezamenlijke huishouding. Hoofdverblijf in dezelfde woning. Toereikende feitelijke grondslag voor de conclusie dat sprake was van wederzijdse zorg. De feiten en omstandigheden wijzen op een in een zakelijke relatie ongebruikelijke verbondenheid en op een mate van verantwoordelijkheid voor elkaar die de grenzen van een zuiver zakelijke (huur)relatie overschrijden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/1804 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 10 februari 2011, 10/1918 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.] (Duitsland) (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Geldrop-Mierlo (college)

Datum uitspraak: 24 juli 2012

PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 mei 2012. Appellante is verschenen. Het college heeft zich niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante ontving sinds 1 januari 2004 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande met een toeslag van 10% in verband met het kunnen delen van de woonkosten, omdat zij inwoonde bij [D.] ([D.]).

1.2. Bij een regulier onderzoek naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand met behulp van een checklist zijn een aantal bijzonderheden aan het licht gekomen omtrent de inkomens- en woonsituatie van appellante. Naar aanleiding hiervan heeft het college een nader onderzoek ingesteld. In dat kader heeft dossieronderzoek plaatsgevonden, is informatie opgevraagd, heeft een huisbezoek plaatsgevonden en is appellante gehoord. Op basis van de bevindingen van dit onderzoek, waarvan de resultaten zijn neergelegd in een rapport van 21 april 2009, heeft het college bij besluit van 21 april 2009 de bijstand van appellante met ingang van 13 maart 2009 ingetrokken en de gemaakte kosten van bijstand over de periode 13 maart 2009 tot en met 31 maart 2009 tot een bedrag van € 448,52 van appellante teruggevorderd. Dit besluit berust op de grond dat appellante vanaf 13 maart 2009 een gezamenlijke huishouding in de zin van de WWB voert met [D.] en daarom niet als zelfstandig subject van bijstandsverlening kan worden aangemerkt.

1.3. Bij besluit van 6 oktober 2009 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van appellante tegen het besluit van 21 april 2009 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellante de aangevallen uitspraak bestreden. Zij heeft hiertoe aangevoerd dat zij niet gehouden kan worden aan de door haar afgelegde verklaring, omdat deze onjuistheden bevat. Zij woonde niet samen met [D.], maar verbleef tijdelijk bij hem in afwachting van een nieuwe woning. Er was sprake van een noodsituatie.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De hier te beoordelen periode loopt van 13 maart 2009 tot en met 31 maart 2009.

4.2. Ingevolge artikel 3, tweede lid, aanhef en onder a, van de WWB wordt als gehuwd of als echtgenoot mede aangemerkt de ongehuwde die met een ander een gezamenlijke huishouding voert. Van een gezamenlijke huishouding is op grond van artikel 3, derde lid, van de WWB sprake indien twee personen hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins. De vraag of in een bepaald geval sprake is van een gezamenlijke huishouding dient te worden beantwoord aan de hand van objectieve criteria. Daarbij zijn omstandigheden die tot het voeren van een gezamenlijke huishouding hebben geleid, de motieven van de betrokkenen en de aard van hun onderlinge relatie niet van belang. Dat appellante en [D.] niet beoogden samen te wonen is dus voor de vraag of sprake was van een gezamenlijke huishouding niet van belang.

4.3. Niet in geschil is dat appellante en [D.] gedurende de hier te beoordelen periode hun hoofdverblijf in dezelfde woning hadden, zodat aan het eerste criterium van een gezamenlijke huishouding is voldaan.

4.4. Het tweede criterium waaraan moet zijn voldaan, is dat van de wederzijdse zorg. Deze kan blijken uit een bepaalde mate van financiële verstrengeling tussen de betrokkenen die verder gaat dan het uitsluitend delen van de woonlasten en hiermee samenhangende lasten. Indien van een zodanige verstrengeling niet of slechts in geringe mate sprake is, kunnen ook andere feiten en omstandigheden voldoende zijn om aan te nemen dat de betrokkenen in zorg voor elkaar voorzien. Een afweging van alle ten aanzien van betrokkenen gebleken feiten en omstandigheden, die niet van subjectieve aard zijn, zal bepalend zijn voor het antwoord op de vraag of aan het zorgcriterium in een concreet geval is voldaan.

4.5. Appellante is op 14 april 2009 gehoord door een ambtenaar bijzonder onderzoek en een bijstandsconsulent. Het daarvan opgemaakte rapport is op ambtseed en naar waarheid opgemaakt en ondertekend. Appellante heeft volgens dit rapport geweigerd het te ondertekenen, omdat het onjuistheden zou bevatten. Zij kon destijds niet aangeven welke. Het betoog dat appellante niet aan haar verklaring kan worden gehouden omdat deze onjuistheden bevat, faalt. Appellante heeft destijds en ook ter zitting niet kunnen aangeven op welke onderdelen de verklaring onjuist is. De verklaring komt overeen met de overige bevindingen van het onderzoek. Appellante heeft voorts ter zitting van de Raad vele van de in haar verklaring beschreven elementen van wederzijdse zorg, zoals onder 4.6 nog te noemen, erkend.

4.6. Uit het onderzoeksrapport en de verklaring van appellante blijkt dat appellante vanaf 2001 bij [D.] woonde, eerst op het adres [adres 1] te Mierlo en daarna op het adres [adres 2] te Mierlo. De aanwezige huurcontracten zijn door appellante zelf opgesteld. Appellante betaalde huur als zij geld over had. Appellante mocht van [D.] bij hem blijven wonen tot zij zelfstandige woonruimte zou vinden. [D.] reed appellante naar de huisarts en het ziekenhuis. Daarnaast zijn zij gezamenlijk een aantal dagen naar Duitsland geweest om de kleinkinderen en de zieke zus van appellante te bezoeken. Ook deden zij gezamenlijk boodschappen. Appellante waste ook kleding van [D.]. [D.] gebruikte de koelkast van appellante. Appellante betaalde ook wel eens benzine voor [D.]. Appellante heeft het huis op het adres [adres 1] schoongemaakt, ook na de verhuizing toen [D.] dit te koop aanbood. Tijdens het huisbezoek bleek dat er door nagenoeg het hele huis spullen van appellante lagen, waaronder kleding en administratie.

4.7. De onderzoeksbevindingen bieden een toereikende feitelijke grondslag voor de conclusie dat in de te beoordelen periode sprake was van wederzijdse zorg in de in 4.4 bedoelde zin. De feiten en omstandigheden wijzen op een in een zakelijke relatie ongebruikelijke verbondenheid en op een mate van verantwoordelijkheid voor elkaar die de grenzen van een zuiver zakelijke (huur)relatie overschrijden.

4.8. Het betoog van appellante dat sprake is van een tijdelijke noodsituatie faalt. Zij woonde vanaf 2001 bij [D.] zodat, in de periode hier ter beoordeling, niet gesproken kan worden van een tijdelijke situatie. Dat appellante een haar aangeboden passende woning heeft geweigerd en zij haar inschrijving voor een nieuwe woning met ingang van 1 juli 2008 op passief heeft gezet, duiden evenmin op aanwezigheid van een tijdelijke noodsituatie.

4.9. Het voorgaande betekent dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte, in tegenwoordigheid van N.M. van Gorkum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 juli 2012.

(getekend) O.L.H.W.I. Korte

(getekend) N.M. van Gorkum

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding.

HD