Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX2507

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-07-2012
Datum publicatie
26-07-2012
Zaaknummer
10/7034 WWB + 11/238 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag bijstandsuitkering. Vermogen dat meer bedraagt dan de vermogensgrens. 1) Waarde van de auto. Kenteken registratie. Betrokkene heeft de beschikkingmacht over de auto behouden tot en met 6 oktober 2009. De rechtbank heeft daarom op goede grond geoordeeld dat het college de auto tot en met die datum terecht tot het vermogen van betrokkene heeft gerekend. De stellingen van betrokkene dat het huis van zijn zus dichtbij zijn eigen woning is, zodat ook zijn zus in de nabijheid van zijn woning kon parkeren, dat de auto voornamelijk werd gebruikt door de dochter van zijn zus en dat bij de observaties nooit is waargenomen dat hij in de auto reed, maken het voorgaande niet anders. 2) Schuld van betrokkene aan het Uwv. Aangezien de schuld aannemelijk is en daarvoor daadwerkelijk een verplichting tot terugbetaling geldt, dient deze schuld bij de vermogensvaststelling te worden betrokken. De omstandigheid dat betrokkene ten tijde van de aanvraag feitelijk nog niet terugbetaalde dan wel dat hij vordering al had kunnen voldoen, brengt hierin geen verandering. De rechtbank is terecht tot het oordeel gekomen dat het college een onjuiste maatstaf heeft aangelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/7034 WWB, 11/238 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 2 december 2010, 10/1083 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.] (betrokkene)

het college van burgemeester en wethouders van Nijmegen (college)

Datum uitspraak: 17 juli 2012

PROCESVERLOOP

Namens betrokkene heeft mr. P.L.O. van de Waarsenburg, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft eveneens hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met de zaken 10/4028 WWB, 10/4029 WWB en 11/1928 WWB plaatsgevonden op 22 mei 2012, waar betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. Van de Waarsenburg, en waar het college zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. H.A.M. van Gerwen. In de gevoegde zaken wordt heden afzonderlijk uitspraak gedaan.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Nadat een eerdere aanvraag om bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) was afgewezen, zie ook de uitspraak van de Raad van heden met reg. nrs. 10/4028, 10/4029 en 11/1928, heeft betrokkene op 3 september 2009 opnieuw een aanvraag ingediend om bijstand. Hij heeft op het aanvraagformulier vermeld dat hij met ingang van 1 november 2009 een eigen zaak begint.

1.2. Bij besluit van 8 november 2009 heeft het college de aanvraag afgewezen. Daaraan heeft het college ten grondslag gelegd dat betrokkene over vermogen beschikt dat meer bedraagt dan de vermogensgrens genoemd in artikel 34, derde lid, aanhef en onder c, van de WWB.

1.3. Bij besluit van 18 februari 2010 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 8 november 2009 ongegrond verklaard. Het college heeft daaraan eveneens ten grondslag gelegd dat betrokkene over vermogen beschikt dat de vermogensgrens overschrijdt. Het heeft daarbij het vermogen aan de hand van de volgende bestanddelen vastgesteld. Betrokkene heeft in 2008 een auto van het merk Mazda (auto) gekocht. Hoewel het kenteken van de auto op naam van zijn zus stond geregistreerd, heeft hij deze auto op 7 oktober 2009 verkocht voor een bedrag van € 10.700,--. De waarde van de auto is hoger dan het bedrag van € 4.538,-- dat op grond van het gemeentelijk beleid wordt vrijgelaten. Het college gaat er vanuit dat betrokkene ten aanzien van de auto tot 7 oktober 2009 over een vermogen van € 6.162,-- beschikte en daarna over een vermogen van € 10.700,--. Daarnaast heeft het college rekening gehouden met een aantal vrijgekomen of door betrokkene afgekochte koopsompolissen met een waarde van in totaal € 9.800,--. Opgeteld bij de waarde van de auto bedroeg het vermogen van betrokkene tot 7 oktober 2009 € 15.962,-- en daarna € 20.500,--. Dit vermogen ligt boven de voor betrokkene geldende vermogensgrens van € 10.960,--. Het college heeft bij het vaststellen van het vermogen geen rekening gehouden met de schuld van betrokkene aan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv).

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het door betrokkene ingestelde beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat het college een nieuw besluit neemt op het bezwaar tegen het besluit van 8 november 2009.

3. Betrokkene en het college hebben zich tegen deze uitspraak gekeerd.

3.1. Betrokkene heeft daartoe aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de waarde van de auto moet worden gerekend tot zijn vermogen. Hij heeft de auto immers in april 2009 aan zijn zus overgedragen ter aflossing van een schuld aan haar. Vervolgens heeft hij de auto op verzoek van zijn zus verkocht.

3.2. Het college heeft aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het een onjuiste maatstaf heeft aangelegd door de schuld van betrokkene aan het Uwv niet in mindering te brengen op het in aanmerking te nemen vermogen. Het college stelt zich op het standpunt dat het terecht geen rekening heeft gehouden met deze vordering. Volgens het college had betrokkene deze vordering kunnen voorzien. Hij kreeg immers voorschotten uitgekeerd waarvan hij, gelet op de inkomsten uit zijn onderneming in de periode waarin de vordering is ontstaan, wist dat hij die zou moeten terugbetalen. Betrokkene had de vordering bovendien allang kunnen voldoen. Voorts wordt er feitelijk niet afgelost.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De te beoordelen periode loopt in dit geval van 3 september 2009 tot 1 november 2009.

4.2. Ingevolge artikel 34, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB wordt onder vermogen verstaan de waarde van de bezittingen waarover de alleenstaande of het gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken, verminderd met de aanwezige schulden.

De waarde van de auto.

4.3.1. Volgens vaste rechtspraak (onder meer CRvB 28 februari 2012, LJN BV7110) mag voor de toepassing van de WWB in het geval het kenteken van een auto op naam van de betrokkene staat geregistreerd, behoudens toereikend tegenbewijs, worden aangenomen dat die auto een bestanddeel vormt van het vermogen waarover hij beschikt of redelijkerwijs kan beschikken.

4.3.2. Betrokkene heeft de auto in maart 2008 gekocht. Het kenteken was van 14 maart 2008 tot en met 24 april 2009 op zijn naam geregistreerd. Vanaf 24 april 2009 tot en met 6 oktober 2009 heeft het kenteken op naam van zijn zus geregistreerd gestaan. Met ingang van 6 oktober 2009 is het kenteken geregistreerd op naam van [naam bedrijf] te [vestigingsplaats]. Op grond van deze gegevens staat vast dat de auto gedurende de hier te beoordelen periode niet op naam van betrokkene stond geregistreerd. Ter beoordeling staat of uit overige feiten en omstandigheden niettemin volgt dat de auto wel tot het vermogen van betrokkene moet worden gerekend. Daarbij is het volgende van belang.

4.3.3. Tijdens observaties in de periode van 21 september 2009 tot en met 1 oktober 2009 is de auto verscheidene keren aangetroffen in de [naam straat], in de nabije omgeving van de woning van betrokkene. De eigenaar van [naam bedrijf] heeft tegenover de sociale recherche verklaard dat hij de auto heeft ingekocht van betrokkene voor een bedrag van € 10.700,--. Volgens de eigenaar heeft betrokkene hem toen meegedeeld dat de auto van hem was, dat hij geld nodig had om een eigen zaak te beginnen, dat hij veel in Turkije verbleef en dat het daarom handiger was dat de auto op naam van zijn zus stond. Betrokkene heeft niet aannemelijk gemaakt dat niet uitgegaan mag worden van de juistheid van deze verklaring. Ter zitting heeft hij bovendien verklaard dat zijn zus over een eigen auto beschikte. Voorts heeft hij niet aangevoerd dat hij de voor de auto ontvangen koopsom aan zijn zus heeft overgemaakt dan wel overhandigd. Ook op andere wijze heeft hij dat niet aannemelijk gemaakt. Hierbij komt nog dat betrokkene de auto in 2008 heeft gekocht en dat hij het kenteken op 24 april 2009 van zijn eigen naam heeft overgeschreven op naam van zijn zus, korte tijd voor hij op 19 mei 2009 voor de eerste maal bijstand heeft aangevraagd. Ter verklaring hiervan heeft hij aangevoerd dat hij de auto aan zijn zus heeft gegeven om een schuld aan haar te voldoen. Bij de onder 1.1 genoemde uitspraak heeft de Raad echter geoordeeld dat hij het bestaan van deze schuld niet aannemelijke acht. Dat geldt in deze zaak evenzeer.

4.3.4. Uit het voorgaande volgt dat betrokkene de beschikkingmacht over de auto heeft behouden tot en met 6 oktober 2009. De rechtbank heeft daarom op goede grond geoordeeld dat het college de auto tot en met die datum terecht tot het vermogen van betrokkene heeft gerekend. De stellingen van betrokkene dat het huis van zijn zus dichtbij zijn eigen woning is, zodat ook zijn zus in de nabijheid van zijn woning kon parkeren, dat de auto voornamelijk werd gebruikt door de dochter van zijn zus en dat bij de observaties nooit is waargenomen dat hij in de auto reed, maken het voorgaande niet anders. Het hoger beroep van betrokkene slaagt niet.

De schuld van betrokkene aan het Uwv.

4.4.1. Bij besluit van 30 juni 2009 heeft het Uwv een bedrag van € 9.402,80 aan ten onrechte uitbetaald voorschot op de uitkering ingevolge de Werkloosheidswet van betrokkene teruggevorderd. Volgens vaste rechtspraak (onder meer CRvB, 20 januari 2009, LJN BH1608) dienen de positieve bestanddelen van het vermogen slechts gesaldeerd te worden met die schulden waarvan aannemelijk is dat zij bestaan en dat daaraan een daadwerkelijke verplichting tot terugbetaling is verbonden. Voor een schuld als gevolg van een terugvorderingsbesluit is dat niet anders. Vergelijk de uitspraak van de Raad van 13 september 2005, LJN AU2501. Aangezien de schuld van € 9.402,80 aannemelijk is en daarvoor daadwerkelijk een verplichting tot terugbetaling geldt, dient deze schuld bij de vermogensvaststelling te worden betrokken. De omstandigheid dat betrokkene ten tijde van de aanvraag feitelijk nog niet terugbetaalde dan wel dat hij vordering al had kunnen voldoen, brengt hierin geen verandering. De rechtbank is terecht tot het oordeel gekomen dat het college een onjuiste maatstaf heeft aangelegd. Hieruit volgt dat het beroep van het college evenmin slaagt.

4.5. Het in 4.3.1 tot en met 4.4.1 overwogene leidt tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Op grond van het oordeel in 4.4.1 bestaat aanleiding het college te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in het hoger beroep van het college. Voor het verschijnen van de gemachtigde ter zitting wordt één punt toegekend. Niet is gebleken dat betrokkene in deze zaak andere proceskosten heeft gemaakt, zodat deze kosten worden vastgesteld op € 437,--. Op grond van het oordeel in 4.3.1 tot en met 4.3.4 bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling, omdat het hoger beroep van betrokkene niet slaagt.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- bepaalt dat van het college een griffierecht wordt geheven van € 448,--;

- veroordeelt het college in de kosten van betrokkene tot een bedrag van € 437,--.

Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte als voorzitter en M. Hillen en M.F. Wagner als leden, in tegenwoordigheid van R. Scheffer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 juli 2012.

(getekend) O.L.H.W.I. Korte

(getekend) R. Scheffer

HD