Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX2506

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-07-2012
Datum publicatie
26-07-2012
Zaaknummer
10-4846 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Terugvordering bijstandsuitkering. Intrekking bijstand rechtens onaantastbaar. Geen dringende redenen op grond waarvan het college had moeten afzien van gehele of gedeeltelijke terugvordering van de ten onrechte verleende bijstand. De door appellant bedoelde bijzondere omstandigheid dat de intrekking uitsluitend berust op de aanwezigheid van een rechtsvermoeden van artikel 3, vierde lid, aanhef en onder a, van de WWB, waarvan hij geen weet had, en dat hij dus zijn inlichtingenverplichting niet had geschonden, doet zich niet voor. Het college behoefde dan ook reeds daarom niet met overeenkomstige toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Algemene wet bestuursrecht af te zien van terugvordering. Zoals ook de rechtbank heeft geoordeeld is op grond van de schending van de inlichtingenverplichting voorts in beginsel geen plaats voor de toepassing van de zogeheten zesmaanden-jurisprudentie. Zeer bijzondere omstandigheden op grond waarvan het college van dit uitgangspunt had moeten afwijken heeft appellant niet naar voren gebracht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/4846 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 20 juli 2010, 10/39 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Almere (college)

Datum uitspraak: 17 juli 2012

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. N.R.H. Boasman-Trustfull, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 mei 2012. Voor appellant is verschenen mr. Boasman-Trustfull, vergezeld van [K.] ([K.]). Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door W. Jernberg.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Het college heeft een door appellant begin 2008 ingediende aanvraag om bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) afgewezen, omdat hij een gezamenlijke huishouding voerde met [K.] op het adres [adres] te Almere. Het college heeft dit besluit in bezwaar gehandhaafd. De rechtbank heeft het hiertegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard bij uitspraak van 30 januari 2009. Na het verkrijgen van een postadres bij het Leger des Heils te Almere, ontving appellant vanaf 8 december 2009 bijstand naar de norm voor een alleenstaande.

1.2. Appellant heeft op 14 januari 2009 een mutatieformulier ingediend bij het college waarin hij meldt dat hij met ingang van 8 januari 2009 is verhuisd naar de [adres] te Almere. Bijgevoegd is een afschrift van een overeenkomst gesloten tussen appellant en [K.] voor de huur van een kamer bij [K.] tegen betaling van € 250,-- per maand.

1.3. Naar aanleiding van een interne fraudemelding ontvangen op 27 juli 2009 heeft een sociaal rechercheur van de gemeente Almere een onderzoek ingesteld. Bij dit onderzoek heeft de sociaal rechercheur dossieronderzoek verricht en een huisbezoek aan het adres [adres] afgelegd. Daarbij heeft de sociaal rechercheur een verklaring van appellant opgenomen. Voorts is onderzoek verricht naar de bankafschriften van appellant. De resultaten van dit onderzoek heeft de sociaal rechercheur neergelegd in een rapport van 10 augustus 2009 (rapport).

1.4. Bij besluit van 13 augustus 2009 heeft het college de bijstand van appellant beëindigd (lees: ingetrokken) met ingang van 8 januari 2009. Bij besluit van 14 oktober 2009 heeft het college het bezwaar tegen dit besluit ongegrond verklaard. Appellant heeft het hiertegen ingestelde beroep ingetrokken.

1.5. Bij besluit van 9 september 2009 heeft het college de over het tijdvak van 8 januari 2009 tot en met 31 juli 2009 gemaakte kosten van bijstand van € 5.960,83 teruggevorderd van appellant en mede teruggevorderd van [K.].

1.6. Bij besluit van 4 december 2009 heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 9 september 2009 ongegrond verklaard. Hieraan heeft het college, samengevat, ten grondslag gelegd dat appellant de inlichtingenverplichting heeft geschonden door alleen de inwoning bij [K.] te melden, maar niet op te geven dat hij met haar een gezamenlijke huishouding voert. De bijstand is daarom op juiste gronden ingetrokken. Dringende redenen of bijzondere omstandigheden die aan uitoefening van de bevoegdheid tot terugvordering in de weg staan doen zich niet voor.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich gekeerd tegen de aangevallen uitspraak. Hij heeft aangevoerd dat zich in zijn geval dringende redenen voordoen op grond waarvan het college van terugvordering had moeten afzien. Hij heeft daartoe verwezen naar zijn financiële omstandigheden en zijn medische situatie, die hem belet om te werken. Hierdoor zal hij zijn openstaande schuld niet kunnen afbetalen en zal hij in een uitzichtloze situatie raken. Daarnaast heeft hij de inlichtingenverplichting niet geschonden, omdat hij de wijziging van zijn hoofdverblijf heeft gemeld. Hierin zijn bijzondere omstandigheden gelegen die aan de terugvordering in de weg staan. Bovendien had zijn melding voor het college een voldoende signaal moeten zijn om tot besluitvorming over te gaan. Het college heeft daarom de zesmaanden-jurisprudentie ten onrechte niet toegepast en had de terugvordering moeten matigen tot een duur van zes maanden gerekend vanaf 8 januari 2009.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Appellant heeft zijn onder 1.4 vermelde beroep ingetrokken. Daaruit vloeit voort dat de intrekking van de bijstand over de periode van 8 januari 2009 tot en met 31 juli 2009 in rechte onaantastbaar is. Dit betekent dat het college tevens bevoegd was met toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB de over deze periode gemaakte kosten van bijstand van appellant terug te vorderen. Het vorenstaande brengt niet mee dat de schending van de inlichtingenverplichting ook in dit geding over de terugvordering zonder meer een vaststaand gegeven is.

4.2. Op grond van de beleidswijzer van de gemeente Almere voert het college bij de uitoefening van de bevoegdheid op grond van artikel 58, eerste lid, van de WWB het beleid dat het in principe niet afziet van de terugvordering van de kosten van bijstand. Enkel in het geval de terugvordering zou leiden tot absoluut onaanvaardbare financiële of sociale consequenties bij belanghebbende of diens gezin ziet het college af van terugvordering op grond van dringende redenen.

4.3. In wat appellant heeft aangevoerd omtrent zijn financiële en medische situatie liggen geen dringende redenen besloten op grond waarvan het college had moeten afzien van gehele of gedeeltelijke terugvordering van de ten onrechte verleende bijstand.

4.4. In verband met de door appellant aangevoerde bijzondere omstandigheden heeft het college ter zitting toegelicht dat na ontvangst van het fraudesignaal met het oog op zorgvuldige besluitvorming onderzoek is gedaan naar de woon- en leefsituatie van appellant. Dit onderzoek heeft bestaan uit de onder 1.3 vermelde onderzoekshandelingen, waarvan de bevindingen zijn vermeld in het rapport. De conclusie van het rapport luidt dat appellant de inlichtingenverplichting heeft geschonden. In het besluit van 13 augustus 2009 staat dit niet expliciet vermeld als reden van de intrekking. Gelet op de conclusies van het onderzoek en de ter zitting door het college gegeven toelichting moet het ervoor worden gehouden dat aan het intrekkingsbesluit van 13 augustus 2009 ten grondslag ligt de schending van de inlichtingenverplichting door het niet melden van de gezamenlijke huishouding met [K.]. Ook de rechtbank is in de aangevallen uitspraak tot die conclusie gekomen. Daarom faalt wegens gebrek aan feitelijke grondslag het in de beroepsgronden van appellant besloten liggende betoog dat de intrekking enkel steunt op het rechtsvermoeden van artikel 3, vierde lid, aanhef en onder a, van de WWB. Voorts kan appellant niet staande houden dat hij door zijn inwoning bij [K.] te melden zijn inlichtingenverplichting volledig is nagekomen. Uit het rapport komt immers naar voren dat appellant en [K.] sinds 2005 fiscale partners zijn, hetgeen duidt op financiële verstrengeling. Hiervan heeft appellant geen melding gedaan in zijn mutatieformulier van 14 januari 2009. Bij deze melding heeft appellant het doen voorkomen alsof sprake was van een situatie van commerciële kamerverhuur.

4.5. Uit 4.4 volgt dat de door appellant bedoelde bijzondere omstandigheid dat de intrekking uitsluitend berust op de aanwezigheid van een rechtsvermoeden van artikel 3, vierde lid, aanhef en onder a, van de WWB, waarvan hij geen weet had, en dat hij dus zijn inlichtingenverplichting niet had geschonden, zich niet voordoet. Het college behoefde dan ook reeds daarom niet met overeenkomstige toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Algemene wet bestuursrecht af te zien van terugvordering. Zoals ook de rechtbank heeft geoordeeld is op grond van de schending van de inlichtingenverplichting voorts in beginsel geen plaats voor de toepassing van de zogeheten zesmaanden-jurisprudentie. Zeer bijzondere omstandigheden op grond waarvan het college van dit uitgangspunt had moeten afwijken heeft appellant niet naar voren gebracht.

4.6. Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

4.7. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte als voorzitter en M. Hillen en M.F. Wagner als leden, in tegenwoordigheid van R. Scheffer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 juli 2012.

(getekend) O.L.H.W.I. Korte

(getekend) R. Scheffer

HD