Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX2459

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-07-2012
Datum publicatie
24-07-2012
Zaaknummer
10/3478 AW + 10/3480 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ingangsdatum bevordering. Ontvankelijkheid hoger beroep na rectificatie uitspraak. De rechtbank heeft in de gerectificeerde uitspraak onder de rechtsmiddelenclausule als verzenddatum 6 mei 2010 vermeld. Op grond van deze wat misleidende aanpak van de rechtbank heeft appellant redelijkerwijs in de veronderstelling kunnen komen dat met de verzending van de gerectificeerde uitspraak een nieuwe hogerberoepstermijn is gaan lopen. Verschoonbare termijnoverschrijding. De aangevallen uitspraak moet zo worden opgevat dat naar het oordeel van de rechtbank de door appellant gekozen datum van 1 januari 2008 onjuist is en dat de ingangsdatum in plaats daarvan moet worden vastgesteld op 1 mei 2006. Uitgaande van de juistheid van dit oordeel mocht de rechtbank zelf in de zaak voorzien door te bepalen dat betrokkenen 1 mei 2006 worden bevorderd naar de standaardschaal. Verder onderschrijft de Raad de door de rechtbank vastgestelde ingangsdatum. Door betrokkenen werden vanaf 1 mei 2006 de meest essentiële onderdelen van de functie werden uitgevoerd zoals deze zijn beschreven in de in 2008 opgestelde functiebeschrijving.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 6:11
Algemene wet bestuursrecht 8:72
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2012/275
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/3478 AW, 10/3480 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 8 april 2010, 09/1577 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

het college van burgemeester en wethouders van Smallingerland (appellant)

[betrokkene] en [betrokkene] beiden wonende te Drachten (betrokkenen)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Betrokkenen hebben een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 april 2012. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.H. Jonker. Namens betrokkenen is verschenen

mr. D.J. Bomhof, advocaat.

OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Betrokkenen zijn door appellant met ingang van 1 januari 2004 in vaste dienst aangesteld als Toezichthouder publiek domein, waarbij zij zijn ingeschaald in salarisschaal 4. Deze aanstellingen waren onderdeel van een proefproject met een duur van vier jaar dat verband hield met de invoering van de bestuurlijke boete. Bij brief van 23 januari 2006 heeft appellant aan betrokkenen meegedeeld dat de functie van Toezichthouder publiek domein beschreven zal worden op het moment dat duidelijk wordt welke taken de functie omvat en dat de functie dan op basis van de functiebeschrijving gewaardeerd zal worden. Daaraan is toegevoegd dat indien dit leidt tot een hogere functieschaal, nabetaling zal volgen over de periode vanaf het moment dat de meest essentiële onderdelen van de functie worden uitgevoerd. Nadien is de functie van betrokkenen beschreven en gewaardeerd op standaardschaal 5.

1.2. Bij besluiten van 10 december 2008 heeft appellant aan betrokkenen meegedeeld dat zij met ingang van 1 januari 2008 worden bevorderd naar standaardschaal 5. Bij besluit van

15 juni 2009 (bestreden besluit) heeft appellant de bezwaren van betrokkenen ongegrond verklaard. Daaraan is ten grondslag gelegd, kort samengevat, dat van de uitvoering door betrokkenen van integrale toezichts- en handhavingstaken vóór 1 januari 2008 geen sprake is geweest.

2.1. Bij de aangevallen uitspraak, die is verzonden op 8 april 2010, heeft de rechtbank de beroepen van betrokkenen tegen het bestreden besluit gegrond verklaard en dit besluit vernietigd. Daarbij heeft de rechtbank de besluiten van 10 december 2008 herroepen, de ingangsdatum van de bevordering naar functieschaal 5 vastgesteld op 1 mei 2006 en bepaald dat de uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit. Verder zijn beslissingen gegeven over de vergoeding van de proceskosten en het griffierecht. De rechtbank heeft hierbij overwogen dat uit de stukken onvoldoende blijkt dat, zoals appellant had gesteld, tot 1 januari 2008 sprake was van een opleidingssituatie en dat evenmin is gebleken dat op of rond 1 januari 2008 wezenlijke onderdelen aan het takenpakket van betrokkenen zijn toegevoegd. In verband hiermee heeft de rechtbank het bestreden besluit vernietigd wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank heeft aanleiding gezien om zelf in de zaak te voorzien. In dit verband heeft de rechtbank overwogen dat betrokkenen vanaf eind 2005 gaandeweg zijn ingezet in een groot aantal projecten en dat uit de stukken voldoende blijkt dat betrokkenen vanaf 1 mei 2006 zelfstandig de meest essentiële onderdelen van hun functie hebben uitgevoerd.

2.2. Op 6 mei 2010 heeft de rechtbank een gerectificeerde uitspraak toegezonden. Hierin is op de eerste pagina de abusievelijke vermelding van “[X]” als eiser doorgestreept en vervangen door “[betrokkene]”. Op pagina 4 van de gerectificeerde uitspraak is onder de rechtsmiddelenclausule, waarin is vermeld dat binnen zes weken na verzending van de uitspraak hoger beroep kan worden ingesteld, als verzenddatum 6 mei 2010 vermeld. In een begeleidende brief van de rechtbank van 6 mei 2010 is vermeld: ”Ik verzoek u om de aan u verzonden uitspraak van 8 april 2010 aan de rechtbank te retourneren. U kunt daarvoor gebruik maken van bijgaande retour-envelop.” Appellant heeft aan dit verzoek gevolg gegeven en heeft bij faxbericht van 16 juni 2010 hoger beroep ingesteld.

3.1. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte zelf in de zaak heeft voorzien, aangezien de rechtbank het bestreden besluit heeft vernietigd wegens een motiveringsgebrek en er dus voor appellant nog beoordelingsruimte bestond met betrekking tot het vaststellen van de juiste ingangsdatum van de bevordering naar standaardschaal 5.

3.2. Betrokkenen hebben zich primair op het standpunt gesteld dat het hoger beroep van appellant niet-ontvankelijk is wegens termijnoverschrijding. Verder hebben betrokkenen het standpunt ingenomen dat de rechtbank terecht en op goede gronden de datum van bevordering naar standaardschaal 5 heeft vastgesteld op 1 mei 2006.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1.1. Allereerst moet de vraag worden beantwoord of het hoger beroep ontvankelijk is te achten. In dit geval was 20 mei 2010 de laatste dag waarop tijdig hoger beroep kon worden ingesteld tegen de aangevallen uitspraak, die immers op 8 april 2010 aan partijen is verzonden. Anders dan appellant kennelijk heeft verondersteld, is door de rectificatie geen nieuwe termijn voor het instellen van hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gaan lopen. De Raad verwijst hierbij naar zijn uitspraak van 6 maart 2007, LJN BA1301. Het op 16 juni 2010 verzonden hogerberoepschrift is dus na het verstrijken van de hogerberoepstermijn ingediend.

4.1.2. De termijnoverschrijding is in dit geval echter wel verschoonbaar. Zoals onder 2.2 is weergegeven heeft de rechtbank verzocht om de aangevallen uitspraak te retourneren, aan welk verzoek appellant ook gevolg heeft gegeven, en heeft de rechtbank in de gerectificeerde uitspraak onder de rechtsmiddelenclausule als verzenddatum 6 mei 2010 vermeld. Op grond van deze wat misleidende aanpak van de rechtbank heeft appellant redelijkerwijs in de veronderstelling kunnen komen dat met de verzending van de gerectificeerde uitspraak een nieuwe hogerberoepstermijn is gaan lopen.

4.1.3. Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep ontvankelijk is.

4.2. De Raad volgt appellant niet in zijn standpunt dat de rechtbank niet zelf in de zaak had mogen voorzien door zelf een ingangsdatum van de bevordering naar de standaardschaal vast te stellen. Ter beoordeling stond vanaf welke datum betrokkenen de meest essentiële onderdelen van hun functie vervulden. De rechtbank heeft geoordeeld dat onvoldoende vast staat dat dit pas het geval was op 1 januari 2008. In verband hiermee heeft de rechtbank het bestreden besluit vernietigd wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb. Vervolgens heeft de rechtbank geoordeeld dat uit de stukken voldoende blijkt dat betrokkenen vanaf

1 mei 2006 de meest essentiële onderdelen van de functie vervulden. Gezien deze overwegingen, in onderlinge samenhang bezien, moet de aangevallen uitspraak - die op dit punt inderdaad niet in helderheid uitblinkt - zo worden opgevat dat naar het oordeel van de rechtbank de door appellant gekozen datum van 1 januari 2008 onjuist is en dat de ingangsdatum in plaats daarvan moet worden vastgesteld op 1 mei 2006. Uitgaande van de juistheid van dit oordeel mocht de rechtbank zelf in de zaak voorzien door te bepalen dat betrokkenen 1 mei 2006 worden bevorderd naar de standaardschaal.

4.3. Verder onderschrijft de Raad de door de rechtbank vastgestelde ingangsdatum. Uit de stukken, waaronder het Verslag handhavers publiek domein gemeente Smallingerland, periode januari t/m mei 2006, blijkt voldoende dat door betrokkenen vanaf 1 mei 2006 de meest essentiële onderdelen van de functie werden uitgevoerd zoals deze zijn beschreven in de in 2008 opgestelde functiebeschrijving. Daarbij merkt de Raad nog op dat de gemachtigde van appellant ter zitting desgevraagd heeft verklaard dat deze datum goed verdedigbaar is. De rechtbank heeft dan ook terecht de ingangsdatum van de bevordering naar standaardschaal 5 vastgesteld op 1 mei 2006.

4.4. Uit hetgeen onder 4.1.1 tot en met 4.3 is overwogen, volgt dat het hoger beroep geen doel treft en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. De Raad ziet aanleiding om het college met toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 874,- aan kosten van rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;

- veroordeelt het college in de proceskosten van betrokkenen tot een bedrag van € 874,-;

- bepaalt dat van het college een griffierecht wordt geheven van € 448,--.

Deze uitspraak is gedaan door J.Th. Wolleswinkel als voorzitter en M.C. Bruning en

F.J.L. Pennings als leden, in tegenwoordigheid van P.J.M. Crombach als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 juli 2012.

(getekend) J.Th. Wolleswinkel

(getekend) P.J.M. Crombach

HD