Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX2453

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-07-2012
Datum publicatie
24-07-2012
Zaaknummer
11-1734 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om met toepassing van de Suppletieregeling rechterlijke ambtenaren een voorschot te verstrekken op de aanvulling van de terugzendpremie in verband met het einde van appellants uitzending. Beleid gaat niet buiten de grenzen van een redelijke beleidsbepaling. Appellant voldoet aan geen van de in de Regeling gestelde eisen voor toekenning van een aanvulling op de terugzendpremie. Aan hem is geen ontslag verleend bij het Hof van Justitie, hij is niet teruggekeerd naar Nederland en hij heeft de terugzendpremie niet ontvangen. Het feit dat er belasting wordt geheven over deze terugzendpremie, indien deze wordt uitbetaald, maakt niet dat sprake is van opgebouwd loon. Geen strijd met gelijkheidsbeginsel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2013/8
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/1734 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak in het geding tussen

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (verweerder)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 7 februari 2011.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 juni 2012. Appellant is verschenen en verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. T.M. Poos en P. Wendt.

OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant was vanaf 1 februari 1998 raadsheer bij het Gerechtshof Amsterdam. Vanaf

1 augustus 1998 is aan hem buitengewoon verlof zonder behoud van bezoldiging verleend in verband met zijn benoeming als lid van het toenmalige Gemeenschappelijk Hof van de Nederlandse Antillen en Aruba. Zijn uitzending eindigde op 1 augustus 2003. Appellant keerde een korte periode terug naar het Gerechtshof Amsterdam en werd per 1 februari 2004 opnieuw uitgezonden. Hij bleef werkzaam als lid van genoemd Hof. Deze uitzending eindigde (na verlenging) op 1 februari 2010. Het buitengewoon verlof van appellant bij het Gerechtshof Amsterdam liep door tot 1 juli 2010, per welke datum aan appellant ontslag uit zijn functie als raadsheer bij dat hof werd verleend. Appellant bleef hierna werkzaam als lid van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustacius en Saba, zoals de naam van dat Hof luidt sinds 10 oktober 2010 (verder: Hof van Justitie).

1.2. Appellant heeft op 21 december 2009 aan verweerder verzocht aan hem met toepassing van de Suppletieregeling rechterlijke ambtenaren een voorschot te verstrekken op de aanvulling van de terugzendpremie in verband met het einde van zijn uitzending op 1 februari 2010. Bij besluit van 2 september 2010 is hierop afwijzend beslist. Het door appellant tegen dit besluit gemaakte bezwaar is bij besluit van 7 februari 2011 ongegrond verklaard (bestreden besluit).

2. Naar aanleiding van hetgeen partijen in beroep naar voren hebben gebracht overweegt de Raad als volgt.

2.1. Op grond van artikel I van de Suppletieregeling rechterlijke ambtenaren, vastgesteld bij ministeriële beschikking van 3 maart 1976 en laatstelijk gewijzigd op 16 maart 1995 (verder: Regeling), wordt aan de leden van het Hof van Justitie, voor zover zij op het tijdstip van benoeming als zodanig deel uitmaken van de rechterlijke macht in Nederland en in hun Nederlandse functie buitengewoon verlof zonder behoud van bezoldiging hebben verkregen, voor zover hier van belang, na eervol ontslag uit dat ambt een belastingvrije aanvulling op de ten laste van de Nederlandse Antillen en Aruba toegekende terugzendpremie verleend. Deze aanvulling op de terugzendpremie bestaat op grond van artikel III van de Regeling uit het verschil tussen 20% van het laatstelijk per maand fictief geldende Nederlandse schaalsalaris en kinderbijslag, naar reden van de sedert het onder I genoemde tijdstip tot het tijdstip van ontslag verstreken tijdsduur van de uitzending met een maximum van vijf jaar en de ten laste van de Nederlandse Antillen en Aruba verleende terugzendpremie, verminderd met een bedrag overeenkomende met het bedrag aan Nederlandse loonbelasting bij toepassing van de tabel voor bijzondere beloningen op dat verschil.

2.2. Tussen partijen is niet in geschil dat de Regeling beleidsregels bevat en evenmin dat appellant niet voldoet aan de in artikel I gestelde voorwaarden voor aanspraak op de terugzendpremie en de aanvulling daarop. Appellant is nog steeds aangesteld in het Hof van Justitie en woont in [woonplaats]. Aan hem is ook geen terugzendpremie verstrekt. Appellant is echter van mening dat verweerder van deze beleidsregels had moeten afwijken, op de grond dat sprake is van uitgesteld opgebouwd loon, ook in fiscaalrechtelijke zin. Verder zou deze premie ook dienen ter compensatie van niet genoten voordelen ten opzichte van andere ambtenaren die worden uitgezonden. Appellant heeft jaarlijks Nederland bezocht op eigen kosten. Naar de mening van appellant is verder sprake van strijd met het gelijkheidsbeginsel. Het vereiste dat ontslag moet zijn verleend uit de overzeese dienst zou ook geen redelijk doel dienen. Verweerder heeft er bovendien negen maanden over gedaan voordat op het verzoek van appellant werd beslist. Hierdoor zou appellant zijn belemmerd in zijn mogelijkheid om alsnog terug te keren naar Nederland. Appellant heeft naast zijn werkzaamheden als rechter veel werk verricht bij de totstandkoming van nieuwe wetgeving. Zo deze argumenten niet op zichzelf reden zijn voor een redelijke uitleg of afwijking van de onderhavige beleidsregel, dan zijn zij dat in onderling verband en samenhang volgens appellant.

2.3.1. De Raad kan appellant hierin niet volgen. Voor zover appellant de in de Regeling neergelegde criteria aanvecht, oordeelt de Raad dat dit beleid niet buiten de grenzen van een redelijke beleidsbepaling gaat. Dat één van de voorwaarden om aanspraak te maken op de aanvulling op de terugzendpremie is dat ontslag moet zijn verleend uit het rechtersambt bij het Hof van Justitie past in het kader van afsluiting van een uitzendperiode.

2.3.2. Appellant voldoet aan geen van de in de Regeling gestelde eisen voor toekenning van een aanvulling op de terugzendpremie. Aan hem is geen ontslag verleend bij het Hof van Justitie, hij is niet teruggekeerd naar Nederland en hij heeft de terugzendpremie niet ontvangen. Het feit dat er belasting wordt geheven over deze terugzendpremie, indien deze wordt uitbetaald, maakt niet dat sprake is van opgebouwd loon.

2.3.3. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel treft evenmin doel. De door appellant genoemde gevallen zijn in dit kader niet gelijk aan die van appellant, met uitzondering van het geval van één Officier van Justitie, die wel een terugzendpremie heeft ontvangen en niet naar Nederland is teruggekeerd. Verweerder heeft erkend dat in dat geval een fout is gemaakt en dat men de ten onrechte verstrekte premie niet heeft teruggevorderd. Het gelijkheidsbeginsel strekt niet zo ver dat een gemaakte fout herhaald moet worden en de Raad ziet ook in dit geval niet dat verweerder op deze grond de premie ook aan appellant zou moeten verstrekken. De overige door appellant genoemde gevallen zijn niet (in relevante mate) gelijk aan die van appellant. Bij Officieren van Justitie was sprake van ontslag (hun aanstelling liep af na een bepaalde periode), een door appellant genoemde rechter is wel teruggekeerd naar Nederland en heeft daar een woonadres. Onweersproken is door verweerder gesteld dat er minstens twee gevallen zijn geweest die wel vergelijkbaar waren met die van appellant en die ook geen (aanvulling op) terugkeerpremie hebben ontvangen.

2.3.4. Dat verweerder pas na negen maanden heeft beslist over de aanvraag van appellant kan evenmin tot de conclusie leiden dat de aanvulling op terugkeerpremie aan appellant had moeten worden verstrekt. Appellant had in elk geval tot 1 februari 2012 de mogelijkheid om ontslag te nemen en terug te keren naar Nederland. Dat hij vanwege werk en gezin de keuze heeft gemaakt om in [woon[woonplaats] te blijven is begrijpelijk, maar die keuze brengt nu eenmaal mee dat geen aanspraak bestaat op de betreffende aanvulling.

2.3.5. Nu ook overigens in de grieven van appellant geen aanleiding is gevonden om het bestreden besluit in rechte aan te tasten, dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

3. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het beroep tegen het besluit van 7 februari 2011 ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en B.J. van de Griend en G.L.M.J. Stevens als leden, in tegenwoordigheid van M.R. Schuurman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 juli 2012.

(getekend) A. Beuker-Tilstra

(getekend) M.R. Schuurman

RK