Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX2443

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-07-2012
Datum publicatie
24-07-2012
Zaaknummer
12-653 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beoordeling. Beëindiging aanstelling. Samenstelling adviescommissie voldoet aan de eisen. Geen grond voor de stelling van appellant dat hem, in strijd met een fundamenteel beginsel van procesrecht, het recht is ontnomen te reageren op ingebrachte stukken. Geen grond om aan te nemen dat het college met de verlening dan wel met de verlenging van zijn tijdelijke proefaanstelling zou hebben toegezegd hem een vaste aanstelling verlenen. Niet aannemelijk gemaakt dat de beoordelaar van appellant onzorgvuldig te werk zou zijn gegaan bij het inwinnen van informatie bij informanten of dat zij hem niet met de vereiste objectiviteit zou hebben beoordeeld. Voor het door appellant gestelde dwarszitten en pesten door collega’s zijn onvoldoende aanwijzingen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 7:13
Algemene wet bestuursrecht 7.13
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2012/278
USZ 2012/246
JB 2012/212
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/653 AW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

22 december 2011, 10/3179 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft aanvullende stukken en gronden ingezonden.

Naar aanleiding van de oproeping om op de zitting van de Raad van 10 mei 2012 te verschijnen, heeft appellant laten weten niet ter zitting te willen verschijnen, maar toestemming te geven om uitspraak te doen zonder zitting.

Desgevraagd heeft ook het college toestemming gegeven om uitspraak te doen zonder zitting en daarbij nog een reactie gegeven op de aanvullende stukken en gronden van appellant.

Na ontvangst van deze reactie heeft appellant desgevraagd opnieuw toestemming gegeven om uitspraak te doen zonder zitting.

OVERWEGINGEN

1.Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Bij besluit van 12 december 2008 is appellant voor de periode van 1 januari 2009 tot

1 oktober 2009 in tijdelijke dienst bij wijze van proef aangesteld als assistent bij de ouder- en kindzorg (OKZ) van het cluster Jeugdgezondheidszorg van de GGD. Bij besluit van

15 september 2009 is de tijdelijke aanstelling verlengd tot en met 30 juni 2010, nadat op basis van een beoordeling was geconcludeerd dat onvoldoende vaststond of eiser in vaste dienst kon worden aangesteld. Appellant heeft in deze besluiten berust, zodat deze rechtens onaantastbaar zijn geworden.

1.2. Per 1 maart 2010 is appellant voor 24 uren van zijn aanstelling geplaatst als medewerker op de afdeling Centrale Telefonische bereikbaarheid. Voor de overige twaalf uren van zijn aanstelling bleef hij werkzaam als OKZ-assistent. Op 24 maart 2010 heeft een tweede beoordeling van appellants functioneren als OKZ-assistent plaatsgevonden. Daarbij is aangegeven dat appellant niet aan de eisen voldoet en dat geen verlenging van de aanstelling of vaste aanstelling zal worden verleend. Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen de vastgestelde beoordeling en tegen de beëindiging van zijn aanstelling per 1 juli 2010.

1.3. Bij besluit van 1 november 2010 (bestreden besluit) heeft het college de bezwaren van appellant ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak voor zover hier van belang, het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd voor zover daarbij het bezwaar tegen de beoordeling van 24 maart 2010 ongegrond is verklaard, die beoordeling herroepen en bepaald dat haar uitspraak in de plaats treedt van het bestreden besluit voor zover dat is vernietigd, en het verzoek tot schadevergoeding afgewezen. De handhaving van het besluit om appellants aanstelling niet te verlengen heeft de rechtbank in stand gelaten.

3.1. In hoger beroep heeft appellant gesteld dat de bezwaaradviescommssie niet juist was samengesteld en dat hij voor de hoorzitting niet de beschikking heeft gehad over alle op de zaak betrekking hebbende stukken. Voorts zou de rechtbank ten onrechte hebben overwogen dat hem geen toezeggingen zijn gedaan met betrekking tot een vaste aanstelling. Zijn beoordelaar heeft volgens appellant ten onrechte geen schriftelijke consultatie van informanten gepleegd; van de gestelde mondelinge consultatie bestaat geen bewijs. De rechtbank is er ten onrechte aan voorbijgegaaan dat appellant werd dwarsgezeten of zelfs gepest door collega’s. Hierdoor heeft appellant geen eerlijke kans gekregen. Naast gegrondverklaring van het hoger beroep en vernietiging van de aangevallen uitspraak heeft appellant schadevergoeding als bedoeld in artikel 8:73 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gevraagd.

3.2. Het college heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep naar voren hebben gebracht overweegt de Raad het volgende.

4.1. Anders dan appellant heeft gesteld, heeft het college niet in strijd met de Awb gehandeld, door het horen te laten uitvoeren door een commissie bestaande uit een externe voorzitter en een secretaris, in plaats van door een commissie met de in artikel 7:13, eerste lid, onder a van de Awb genoemde samenstelling van een externe voorzitter en ten minste twee leden. Zoals het college terecht naar voren heeft gebracht schrijft artikel 7:13 niet voor dat een adviescommissie verplicht moet bestaan uit een voorzitter en tenminste twee leden. Het artikel bepaalt alleen dat, indien gekozen wordt voor de instelling van zo’n uitgebreide commissie, enkele aanvullende regels gelden. Bij keuze voor een commissie met een meer beperkte samenstelling, zoals het college heeft gedaan, gelden voor de samenstelling wel de eisen van artikel 7:5 van de Awb. In dit geval is, zoals de rechtbank terecht heeft vastgesteld, voldaan aan die eisen, nu het horen is geschied door twee personen die niet bij de voorbereiding van de primaire besluiten betrokken zijn geweest. Deze grief treft daarom geen doel.

4.2. De Raad deelt voorts het oordeel van de rechtbank dat het gegeven dat een deel van de stukken eerst kort voor de hoorzitting aan de gemachtigde is verstrekt en dat een deel van de informatie eerst tijdens de hoorzitting op 6 augustus 2010 aan de orde is gekomen, niet meebrengt dat deze informatie buiten beschouwing dient te blijven. Evenals de rechtbank acht de Raad daarbij van betekenis dat het hier gaat om gespreksverslagen waarvan de inhoud reeds aan appellant bekend moet zijn geweest. Uit door het college in hoger beroep ingezonden e-mails blijkt dat de verslagen daadwerkelijk aan appellant zijn toegestuurd. Indien appellant zelf op de hoorzitting was verschenen, had hij direct zijn standpunt over de desbetreffende stukken en informatie kenbaar kunnen maken. Nu hij daar niet aanwezig is geweest, is hij na de hoorzitting alsnog in de gelegenheid gesteld schriftelijk te reageren, hetgeen hij ook, door middel van een brief van zijn gemachtigde van 1 september 2010, heeft gedaan. Desgevraagd is daarop weer een schriftelijke reactie gegeven door het waarnemend hoofd Personeeel en Organisatie van de GGD Amsterdam. Appellant heeft hierin destijds kennelijk geen aanleiding gezien om een nadere schriftelijke reactie te geven of om een nadere hoorzitting te vragen. De gang van zaken overziende ziet de Raad geen grond voor de stelling van appellant dat hem, in strijd met een fundamenteel beginsel van procesrecht, het recht is ontnomen te reageren op ingebrachte stukken.

4.3. De Raad ziet evenals de rechtbank geen grond om aan te nemen dat het college met de verlening dan wel met de verlenging van zijn tijdelijke proefaanstelling zou hebben toegezegd hem een vaste aanstelling verlenen, zoals is gesteld door appellant. Weliswaar was het college voornemens om tijdens de eerste proefaanstelling, in de periode van 1 januari 2009 tot

1 oktober 2009, te beoordelen of appellant zou kunnen worden aangesteld in vaste dienst, maar blijkens de gedingstukken, waaronder de beoordelingslijst van 1 juli 2009 en de gespreksverslagen van 1 oktober 2009 en 7 december 2009, functioneerde appellant daarvoor nog niet in voldoende mate. In het besluit van 15 september 2009, waarbij verlenging van de eerdere proefaanstelling van 1 oktober 2009 tot 1 juli 2010 is verleend, is uitdrukkelijk vermeld dat de voorgaande tijdelijke proefaanstelling zou worden verlengd omdat in onvoldoende mate was komen vast te staan dat appellant in vaste dienst kon worden aangesteld. In een en ander kan niet de door appellant gestelde toezegging worden gelezen.

4.4. Evenmin acht de Raad door appellant aannemelijk gemaakt dat de beoordelaar van appellant onzorgvuldig te werk zou zijn gegaan bij het inwinnen van informatie bij informanten of dat zij hem niet met de vereiste objectiviteit zou hebben beoordeeld.

4.5. De Raad deelt verder de inhoudelijke beoordeling die de rechtbank heeft gegeven van de handhaving van het besluit om appellants aanstelling niet te verlengen. Evenals de rechtbank acht de Raad dit besluit met voldoende concrete voorbeelden onderbouwd, terwijl, zoals de rechtbank terecht heeft opgemerkt, aan appellant uitdrukkelijk de kans is geboden zijn functioneren te verbeteren. Voor het door appellant gestelde dwarszitten en pesten door collega’s ziet de Raad in de gedingstukken onvoldoende aanwijzingen. Hooguit kan de Raad uit de gedingstukken afleiden, dat er een gespannen verhouding is geweest met één directe collega, een OKZ-assistente, en dat er geen goede match was tussen appellant en de teams waar hij werkzaam was. Dit leidt de Raad echter niet tot een ander oordeel over de beëindiging van de aanstelling.

5. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspaak moet, voor zover aangevochten, worden bevestigd.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door K.J. Kraan, in tegenwoordigheid van M.C. Nijholt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 juli 2012.

(getekend) K.J. Kraan

(getekend) M.C. Nijholt

HD