Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX2420

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-07-2012
Datum publicatie
25-07-2012
Zaaknummer
10-4642 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

1) Ingangsdatum van de opheffing van de maatregel. Appellant is niet te kort gedaan. 2) Betaling aan de bewindvoerder. Aangezien de schuldsaneringsregeling op appellant van toepassing was op het moment dat het dagelijks bestuur tot nabetaling, overging, viel dit - volledige - bedrag op dat moment in de boedel. 3) Immateriële schadevergoeding in verband met het overschrijden van de redelijke termijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/4642 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van

21 juli 2010, 09/1219 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het dagelijks bestuur van de intergemeentelijke sociale dienst Brunssum Onderbanken Landgraaf (dagelijks bestuur)

PROCESVERLOOP

Ingevolge een gemeenschappelijke regeling oefent het dagelijks bestuur vanaf 1 januari 2008 de taken en de bevoegdheden op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) uit die het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Brunssum (college) voorheen uitoefende.

Namens appellant heeft mr. P.H.A. Brauer, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 juni 2012. Appellant is vertegenwoordigd door mr. S.V.A.Y. Dassen-Vranken, kantoorgenoot van mr. Brauer. Het dagelijks bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.M.M.H. Wouters-Heuts.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Het college heeft bij besluit van 20 maart 2003 aan appellant met ingang van 14 oktober 2002 bijstand verleend naar de norm voor een alleenstaande ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw). Daarbij heeft het college aan appellant een maatregel van 10% van de bijstand opgelegd voor een periode van 60 maanden op de grond dat hij tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in zijn bestaan heeft getoond. Deze maatregel resulteerde effectief in een maandelijkse korting van € 49,71. Bij besluit van 23 december 2004 heeft het college de bijstand met ingang van 19 november 2004 omgezet in een uitkering op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Daarbij is de maatregel stilzwijgend voortgezet en is de korting gewijzigd in € 80,62 per maand.

1.2. Appellant heeft het college bij brief van 8 november 2005 verzocht om terug te komen van het besluit van 20 maart 2003 met dien verstande dat de maatregel met terugwerkende kracht tot 14 oktober 2002 dan wel per datum verzoek ongedaan wordt gemaakt. Bij besluit van 3 april 2006 heeft het college beide verzoeken afgewezen. Het college heeft bij besluit van 12 september 2006, voor zover hier van belang, het bezwaar tegen het besluit van 3 april 2006 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft bij uitspraak van 17 april 2007, 06/2221, voor zover hier van belang, het beroep tegen het besluit van 12 september 2006 ongegrond verklaard.

1.4. De Raad heeft bij uitspraak van 7 april 2009, LJN BI1197, voor zover hier van belang, de uitspraak van 17 april 2007 vernietigd voor zover aangevochten, het beroep gegrond verklaard voor zover dit ziet op het niet ongedaan maken van de maatregel per 8 november 2005, het besluit van 12 september 2006 in zoverre vernietigd en bepaald dat het dagelijks bestuur in zoverre een nieuwe beslissing op bezwaar neemt met inachtneming van de uitspraak. De Raad heeft overwogen dat het standpunt van het dagelijks bestuur dat er geen grond was om de maatregel na ruim drie jaar - per 8 november 2005 - te beëindigen ontoereikend was gemotiveerd, gelet op de gestelde persoonlijke en financiële omstandigheden van appellant.

1.5. Ter uitvoering van de uitspraak van de Raad heeft het dagelijks bestuur bij besluit van

27 mei 2009, voor zover hier van belang, de maatregel gehandhaafd voor de periode van

14 oktober 2002 tot en met 18 november 2004 en deze ongedaan gemaakt voor de periode van 19 november 2004 tot en met 31 juli 2006. Daaraan heeft het dagelijks bestuur ten grondslag gelegd dat de bijstand per 9 november 2004 is omgezet in een uitkering op grond van de WWB en dat vanaf die datum iedere drie maanden een heroverweging van de maatregel had moeten plaatsvinden. Het dagelijks bestuur heeft het aan appellant terug te betalen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente, vastgesteld op € 2.454,98 en bepaald dat - in overleg met de bewindvoerder van appellant - dit bedrag zal worden overgemaakt naar de boedelrekening.

1.6. Bij besluit van 14 juli 2009 (bestreden besluit) heeft het dagelijks bestuur het bezwaar tegen het besluit van 27 mei 2009, voor zover gericht tegen de berekening van de wettelijke rente, gegrond verklaard en het terug te betalen bedrag vastgesteld op in totaal € 3.411,96. Het dagelijks bestuur heeft het bezwaar voor het overige ongegrond verklaard en het verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn en van overige schade afgewezen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard en dat besluit vernietigd voor zover het de vergoeding van de kosten in bezwaar betreft. De rechtbank heeft overwogen dat het dagelijks bestuur in redelijkheid de maatregel met ingang van 19 november 2004 heeft kunnen opheffen. Het besluit om de nabetaling en de wettelijke rente over te maken naar de boedelrekening acht de rechtbank juist. Het betoog van appellant dat het dagelijks bestuur hem de geleden immateriële schade en overige geleden schade had moeten vergoeden, heeft de rechtbank verworpen.

3. Appellant heeft zich op de hierna te bespreken gronden tegen deze uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

De ingangsdatum van de opheffing van de maatregel

4.1. Appellant kan zich niet verenigen met de overweging van de rechtbank dat de Raad in de uitspraak van 7 april 2009 als ingangsdatum van de opheffing van de maatregel de datum van het herzieningverzoek - 8 november 2005 - in gedachten had en dat het dagelijks bestuur in het voordeel van appellant heeft beslist door de maatregel met ingang van 19 november 2004 op te heffen. Appellant meent dat het dagelijks bestuur deze datum niet deugdelijk heeft gemotiveerd en dat het de maatregel met terugwerkende kracht vanaf 14 oktober 2002 had moeten opheffen.

4.2. Dit betoog slaagt niet. Uit de uitspraak van de Raad van 7 april 2009, in het bijzonder de overwegingen 4.2 en 4.6 en het dictum, volgt onmiskenbaar dat het dagelijks bestuur de maatregel niet over de periode vóór 8 november 2005 ongedaan behoefde te maken. Door de maatregel al met ingang van 19 november 2004 ongedaan te maken heeft het dagelijks bestuur appellant zeker niet tekort gedaan. Reeds daarom behoefde het dagelijks bestuur niet nader te motiveren waarom het met de ingangsdatum van de opheffing van de maatregel aansluiting heeft gezocht bij de omzetting van de Abw-uitkering in een WWB-uitkering.

De betaling aan de bewindvoerder

4.3. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 2 juli 2008, LJN BD6569, is de Raad van oordeel dat de beslissing in het besluit van 27 mei 2009 om het bedrag van

€ 2.454,98 over te maken naar de boedelrekening, zozeer samenhangt met de aanspraak op de uitkering, dat deze moet worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

4.4. Uit de gedingstukken blijkt dat de rechtbank bij vonnis van 6 september 2006 voor appellant de toepassing van schuldsaneringsregeling heeft uitgesproken en deze heeft beëindigd bij vonnis van 1 september 2009.

4.5. Appellant stelt zich op het standpunt dat niet de gehele nabetaling had mogen worden overgemaakt naar de boedelrekening, omdat in ieder geval een deel van die nabetaling ziet op de uitkering waarop hij recht had voordat de schuldsaneringsregeling op hem van toepassing werd verklaard. Appellant meent verder dat de beslagvrije voet niet is gerespecteerd in de periode waarop de nabetaling ziet, waardoor hij in die periode heeft moeten rondkomen van een inkomen beneden de beslagvrije voet. Omdat appellant daarvoor moet worden gecompenseerd, had de nabetaling niet of niet volledig aan de bewindvoerder mogen worden betaald.

4.6. Deze stellingen treffen geen doel. Ingevolge artikel 295, eerste lid, van de Faillissementswet omvat de boedel de goederen van de schuldenaar ten tijde van de uitspraak tot toepassing van de schuldsaneringsregeling, alsmede de goederen die hij tijdens de toepassing van die regeling verkrijgt. Appellant heeft geen redenen aangevoerd die kunnen leiden tot de conclusie dat in zijn geval op deze hoofdregel een uitzondering van toepassing is. Aangezien de schuldsaneringsregeling op appellant van toepassing was op het moment dat het dagelijks bestuur tot nabetaling van het bedrag van € 2.454,98 overging, viel dit - volledige - bedrag op dat moment in de boedel. Het dagelijks bestuur heeft daarom terecht bepaald dat de nabetaling naar de boedelrekening zal worden overgemaakt. De vraag of ten tijde van de maatregel de beslagvrije voet is gerespecteerd, staat geheel los van de wijze van nabetaling en behoeft dan ook geen bespreking.

Immateriële schadevergoeding in verband met het overschrijden van de redelijke termijn

4.7. Appellant is van mening aan dat de rechtbank ten onrechte geen grond voor vergoeding van immateriële schade in verband met het overschrijden van de redelijke termijn aanwezig heeft geacht. Ook in hoger beroep verzoekt hij die vergoeding toe te kennen. Onder verwijzing naar zijn uitspraak van 25 maart 2009, LJN BH9991, overweegt de Raad als volgt.

4.8. De vraag of de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is overschreden, moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Daarbij zijn van betekenis de ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van appellant gedurende de hele procesgang en de aard van de maatregel en het daardoor getroffen belang van appellant, zoals ook uit de jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) naar voren komt.

4.9. Zoals de Raad eerder heeft overwogen (CRvB 26 januari 2009, LJN BH1009, en CRvB 29 mei 2009, LJN BI6865), is de redelijke termijn voor een procedure in drie instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar in beslag heeft genomen. Op grond van de rechtspraak van het EHRM vereist de behandeling van - onder meer - sociale zekerheidszaken in dit verband bijzondere aandacht. Daarbij mag de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar duren, terwijl doorgaans geen sprake zal zijn van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. De in 4.8 vermelde criteria kunnen onder omstandigheden aanleiding geven overschrijding van deze behandelingsduur gerechtvaardigd te achten.

4.10. In een geval als dit, waarin een vernietiging door de Raad van een besluit op bezwaar leidt tot een hernieuwde behandeling van het bezwaar en - eventueel - een hernieuwde behandeling door de rechter, moet de overschrijding van de redelijke termijn in beginsel volledig aan het bestuursorgaan worden toegerekend. Indien echter in de loop van de hele procedure een of meer keren sprake is (geweest) van een langere behandelingsduur bij een rechterlijke instantie dan gerechtvaardigd, dan komt de periode waarmee die rechterlijke instantie de behandelingsduur heeft overschreden, niet voor rekening van het bestuursorgaan maar van de Staat. De Raad zoekt hierbij aansluiting bij de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 24 december 2008, LJN BG8294.

4.11. Zoals de Raad heeft overwogen in de uitspraak van 26 januari 2009 is een vergoeding gepast van € 500,-- per half jaar of gedeelte daarvan waarmee de redelijke termijn is overschreden.

4.12. Voor de zaak van appellant betekent dit het volgende. Tussen partijen is niet geschil, en ook de Raad stelt vast, dat de redelijke termijn is aangevangen op 13 april 2006, de datum waarop het dagelijks bestuur het bezwaarschrift tegen het besluit van 3 april 2006 heeft ontvangen. Vanaf deze datum tot de aangevallen uitspraak zijn vier jaar en ruim drie maanden verstreken. Er zijn geen aanknopingspunten voor het oordeel dat in dit geval de totale lengte van de procedure meer dan vier jaar had mogen bedragen. Ten tijde van de aangevallen aanspraak was de redelijke termijn met ruim drie maanden verstreken. De rechtbank heeft dat niet onderkend en is voorbij gegaan aan het ook in het beroepschrift aan de rechtbank opgenomen verzoek om vergoeding van immateriële schade in verband met het overschrijden van de redelijke termijn. In zoverre slaagt het hoger beroep en in zoverre komt de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking.

4.13. Vervolgens dient het in hoger beroep gehandhaafde verzoek om vergoeding van immateriële schade in verband met het overschrijden van de redelijke termijn te worden beoordeeld. Vanaf de datum van 13 april 2006 tot de datum van deze uitspraak zijn zes jaar en ruim drie maanden verstreken. De redelijke termijn is daarom met twee jaar en ruim drie maanden overschreden. Van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase is geen sprake (geweest), aangezien de behandeling door de rechtbank en de Raad samen steeds minder dan drie en een half jaar heeft geduurd. De overschrijding komt daarom geheel voor rekening van het dagelijks bestuur. Van feiten of omstandigheden op grond waarvan zou moeten worden aangenomen dat geen sprake is geweest van spanning en frustratie die als immateriële schade voor vergoeding in aanmerking komt, is niet gebleken. De door appellant

geleden immateriële schade moet worden vastgesteld op een bedrag van vijf maal € 500,--, dat is € 2.500,--. De Raad zal het dagelijks bestuur veroordelen tot een schadevergoeding van € 2.500,--.

Overige schade

4.14. Appellant meent dat het dagelijks ebstuur zijn verzoek om vergoeding van de overige door hem geleden immateriële schade ten onrechte heeft afgewezen. Ter onderbouwing van dit verzoek brengt appellant naar voren dat hij als gevolg van de opgelegde maatregel de huur niet meer kon betalen, waardoor hij uit zijn huis is gezet. Dit is een inbreuk op zijn privéleven, zoals omschreven in artikel 8, eerste lid, van het EVRM. Appellant stelt dat hij voortdurend in spanning en angst heeft geleefd omdat hij zijn woonlasten niet kon betalen.

4.15. Ingevolge artikel 6:106, eerste lid, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek heeft een benadeelde recht op vergoeding van immateriële schade indien deze in zijn persoon is aangetast. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van dit artikel moet worden afgeleid dat de wetgever hier het oog heeft gehad op ernstige inbreuken op de persoonlijke levenssfeer als ook op andere persoonlijkheidsrechten van een benadeelde.

4.16. Van een dergelijke inbreuk is in dit geval geen sprake. De enkele omstandigheid dat door de maatregel inhoudingen op de bijstandsuitkering van appellant hebben plaatsgevonden, is geen vorm van aantasting van de persoon die op grond van vorenvermeld artikel recht geeft op immateriële schadevergoeding. Dit betekent dat het dagelijks bestuur appellant terecht niet in aanmerking heeft gebracht voor een vergoeding voor de overige gestelde immateriële schade.

Samenvatting

4.17. Gelet op het voorgaande zal de Raad de aangevallen uitspraak vernietigen, voor zover de rechtbank het verzoek om vergoeding van immateriële schade in verband met het overschrijden van de redelijke termijn niet heeft onderkend en voor het overige, voor zover aangevochten, bevestigen. De Raad zal voorts het dagelijks bestuur veroordelen tot vergoeding van schade aan appellant van € 2.500,-- en de vordering tot schadevergoeding voor het overige afwijzen.

5. De Raad ziet aanleiding om het dagelijks bestuur te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 874,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover de rechtbank daarbij geen vergoeding heeft

toegekend voor geleden immateriële schade in verband met het overschrijden van de

redelijke termijn;

- bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige, voor zover aangevochten;

- veroordeelt het dagelijks bestuur in de proceskosten van appellant tot een bedrag van

€ 874,--;

- bepaalt dat het dagelijks bestuur aan appellant het in hoger beroep betaalde griffierecht van

€ 111,-- vergoedt;

- veroordeelt het dagelijks bestuur tot vergoeding van schade aan appellant ten bedrage van

€ 2.500,--;

- wijst het verzoek om schadevergoeding voor het overige af.

Deze uitspraak is gedaan door J.N.A. Bootsma als voorzitter en W.F. Claessens en

M.F. Wagner als leden, in tegenwoordigheid van N.M. van Gorkum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 juli 2012.

(getekend) J.N.A. Bootsma

(getekend) N.M. van Gorkum

HD