Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX2409

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-07-2012
Datum publicatie
25-07-2012
Zaaknummer
11-5603 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking bijstandsuitkering. (Mede)terugvordering. Meerdere periodes. Gezamenlijke huishouding. Er bestaat zodanige twijfel aan de juistheid van het proces-verbaal van het tweede verhoor van appellante dat daaraan, hoewel op ambtsbelofte opgemaakt, geen betekenis toekomt voor het vaststellen van het door appellanten betwiste gezamenlijke hoofdverblijf. In de processen-verbaal van de getuigenverhoren van de zes bewoners uit de omgeving van het [S. ] zijn de volledige namen en eveneens de geboortedata en de huisnummers weggelakt. Nog daargelaten dat de getuigenverklaringen als gevolg van het anoniem afleggen dan wel anonimiseren daarvan niet verifieerbaar zijn, bevatten deze verklaringen onvoldoende feiten en omstandigheden voor de conclusie dat appellanten in de periodes 3 en 4 hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben gehad. Ook zijn deze verklaringen niet eenduidig. Onvoldoende aanknopingspunten voor de conclusie dat appellanten hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben gehad.

Wetsverwijzingen
Wet werk en bijstand
Wet werk en bijstand 3
Wet werk en bijstand 17
Wet werk en bijstand 54
Wet werk en bijstand 58
Wet werk en bijstand 59
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2012/219
JWWB 2012/152
USZ 2012/233
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/5603 WWB, 11/5725 WWB, 11/6193 WWB, 12/1141 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 29 augustus 2011, 10/1580 en 11/96 (aangevallen uitspraak 1), en 19 januari 2012, 11/1517 (aangevallen uitspraak 2)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante) en [appellant] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Almere (college)

PROCESVERLOOP

Mr. M.A. van Hoof, advocaat, heeft namens appellante hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak 1. Mr. J.C. Walker, advocaat, heeft namens appellant hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak 2.

Het college heeft verweerschriften ingediend.

Het college heeft ter uitvoering van de aangevallen uitspraak 1 op 27 september 2011 een nieuwe beslissing genomen op de bezwaren van appellante.

Het onderzoek ter zitting in de zaken van appellante, registratienummers 11/5603 WWB, 11/5725 WWB en 11/6193 WWB, heeft plaatsgevonden op 6 maart 2012. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Van Hoof. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door W. Jernberg.

De Raad heeft het onderzoek heropend, omdat het niet volledig is geweest.

Het college heeft desgevraagd op 12 maart 2012 nadere stukken ingediend.

De zaken van appellante zijn, gevoegd met de zaak van appellant, registratienummer 12/1141 WWB, verder behandeld ter zitting van 12 juni 2012. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Van Hoof. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Walker. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door W. Jernberg.

Ter zitting van 12 juni 2012 heeft de vertegenwoordiger van het college, met instemming van appellanten, nadere stukken ingebracht. Appellanten hebben daarop tijdens diezelfde zitting gereageerd.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante ontving bijstand van 4 april 2002 tot en met 30 april 2003, van 20 augustus 2003 tot en met 8 september 2004, van 12 februari 2007 tot en met 20 mei 2007 en met ingang van 13 december 2007, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande ouder. Appellante heeft twee kinderen, geboren op 15 oktober 2001 (zoon) en 8 april 2006 (dochter), die appellant heeft erkend.

1.2. Appellante heeft in de periode van 12 oktober 2001 tot 9 februari 2007 in de gemeentelijke basisadministratie van de gemeente Almere (GBA) op diverse adressen ingeschreven gestaan en vanaf 9 februari 2007 op het adres [S. ] 11 te Almere. Appellant heeft van 11 oktober 2001 tot 12 februari 2009 in de GBA ingeschreven gestaan op het adres [F.] 9 te Almere. Van 12 februari 2009 tot 20 april 2010 heeft hij ingeschreven gestaan op het adres [N. ] te Amsterdam en vanaf 20 april 2010 op het adres [Sp.] te Amsterdam. In de volgende periodes hebben appellanten in de GBA beiden ingeschreven gestaan op de [F.] 9: van 12 oktober 2001 tot 27 maart 2002, van 9 september 2004 tot 2 mei 2005 en van 31 mei 2006 tot 9 februari 2007.

1.3. Naar aanleiding van twee anonieme tips dat appellanten samenwonen, heeft een bijzonder controleur van het team Handhaving van de gemeente Almere een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. In dat kader heeft de bijzonder controleur onder meer dossieronderzoek gedaan, de GBA geraadpleegd en gegevens opgevraagd over het water- en elektriciteitsverbruik op het [S. ] 11 en de [F.] 9. De bevindingen van dit onderzoek zijn neergelegd in een rapportage van 17 april 2009. Het samenwerkingsverband Sociale Recherche Flevoland heeft het onderzoek voortgezet. In dat kader heeft sociaal rechercheur [naam sociaal rechercheur] (sociaal rechercheur), in de hoedanigheid van - beëdigd - buitengewoon opsporingsambtenaar, onder meer mutaties uit het politieregistratiesysteem (politiemutaties) opgevraagd en in de periode van 4 november 2009 tot en met 14 april 2010 waarnemingen en observaties verricht bij het [S. ] 11. Voorts heeft de sociaal rechercheur zeven bewoners uit de omgeving van de [F.] 9, zes bewoners uit de omgeving van het [S. ] 11 en twee bewoners uit de omgeving van [N. ] 203 als getuigen gehoord of doen horen en appellanten als verdachten verhoord. De getuigenverklaringen en de verklaringen van appellanten zijn opgetekend in op ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. De bevindingen van het onderzoek heeft de sociaal rechercheur neergelegd in een - eveneens op ambtsbelofte - opgemaakt rapport van 14 juni 2010.

1.4. Het college heeft in de onderzoeksresultaten aanleiding gezien om bij besluit van 14 juni 2010, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 31 augustus 2010 (bestreden besluit 1), de bijstand van appellante met ingang van 1 juni 2010 te beëindigen (lees: in te trekken) en voorts om bij besluit van 21 september 2010, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 10 december 2010 (bestreden besluit 2), de bijstand van appellante over de periode van 4 april 2002 tot en met 31 mei 2010 te herzien (lees: in te trekken) over de periodes van 4 april 2002 tot en met 30 april 2003 (periode 1), 20 augustus 2003 tot en met 8 september 2004 (periode 2), 12 februari 2007 tot en met 20 mei 2007 (periode 3) en van 13 december 2007 tot en met 31 mei 2010 (periode 4)) en de gemaakte kosten van bijstand over deze periodes van appellante terug te vorderen tot een bedrag van € 62.948,32. Aan de besluitvorming heeft het college ten grondslag gelegd dat appellante, zonder daarvan melding te hebben gemaakt, een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd met appellant.

1.5. Bij besluit van - eveneens - 21 september 2010, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 10 juni 2011, heeft het college de hiervoor vermelde kosten van bijstand tot een bedrag van € 62.948,32 mede van appellant teruggevorderd.

2.1. Bij de aangevallen uitspraak 1 heeft de rechtbank - met bepalingen over proceskosten en griffierecht - de beroepen tegen de bestreden besluiten 1 en 2 gegrond verklaard, deze besluiten vernietigd en het college opgedragen nieuwe beslissingen op bezwaar te nemen. De rechtbank heeft overwogen dat het dossier onvoldoende aanknopingspunten bevat voor het oordeel dat appellanten in de periodes 1 en 2 hun gezamenlijk hoofdverblijf hebben gehad op de [F.] 9. Het dossier bevat wel voldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat appellanten in de periodes 3 en 4 hun gezamenlijk hoofdverblijf afwisselend in de [F.] 9 en het [S. ] 11 hebben gehad. Hierbij komt vooral betekenis toe aan de tweede verklaring die appellante tegenover de sociale recherche heeft afgelegd. In deze verklaring staat dat appellanten in de periodes 3 en 4 heen en weer pendelden tussen die woningen en dat appellant vanaf eind 2008 zijn hoofdverblijf voornamelijk in de woning van appellante op het [S. ] 11 had. Weliswaar heeft appellante haar tweede verklaring niet ondertekend, maar er is geen aanleiding te twijfelen aan het op ambtseed opgemaakte proces-verbaal daarvan. Hierbij is van belang dat de tweede verklaring van appellante in grote mate wordt ondersteund door de diverse getuigenverklaringen, in het bijzonder de verklaring van getuige 6 uit de omgeving van het [S. ] 11, en door de verrichte waarnemingen. Daarnaast heeft appellante tijdens een politieverhoor op 13 juni 2009 verklaard dat zij sinds februari 2007 samen met haar kinderen en appellant woonachtig was op het [S. ] 11. De getuigenverklaringen zijn voldoende specifiek en passend bij de verrichte waarnemingen en kunnen dan ook, ondanks dat deze anoniem zijn afgelegd, worden meegenomen in de beoordeling. Over de periode van 1 tot 14 juni 2010 heeft het college onvoldoende aannemelijk gemaakt dat appellanten met elkaar een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd, omdat het onderzoek van de sociale recherche ziet op de periode tot 1 juni 2010.

2.2. Bij besluit van 27 september 2011 (bestreden besluit 3) heeft het college ter uitvoering van de aangevallen uitspraak de intrekking en de terugvordering beperkt tot de periodes 3 en 4, het terug te vorderen bedrag vastgesteld op € 40.078,71 en de intrekking per 1 juni 2010 gehandhaafd. De Raad zal dit besluit, met toepassing van de artikelen 6:18, 6;19, eerste lid, en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), bij de beoordeling in hoger beroep betrekken.

3. Hangende het door appellant ingestelde beroep tegen het besluit van 10 juni 2011 heeft het college op 27 september 2011 een nieuwe beslissing op het bezwaar van appellant genomen (bestreden besluit 4). Daarbij heeft het college het mede van appellant teruggevorderde bedrag vastgesteld op € 40.078,71. De rechtbank heeft het bestreden besluit 4 met toepassing van de artikelen 6:18 en 6;19, eerste lid, van de Awb bij de beoordeling in beroep betrokken.

4. Bij de aangevallen uitspraak 2, voor zover van belang, heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit 4 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daaraan dezelfde overwegingen ten grondslag gelegd als de overwegingen in uitspraak 1 over de periodes 3 en 4.

5.1. Appellante heeft zich in hoger beroep gekeerd tegen het in de aangevallen uitspraak 1 neergelegde oordeel van de rechtbank dat appellanten in de periodes 3 en 4 hun hoofdverblijf afwisselend in de [F.] 9 en het [S. ] 11 hebben gehad.

5.2. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak 2 gekeerd voor zover daarbij het beroep tegen het bestreden besluit 4 ongegrond is verklaard.

5.3. Appellanten hebben op de hierna te bespreken gronden betwist dat voldoende feitelijke grondslag bestaat voor de conclusie dat zij in de periodes 3 en 4 hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben gehad.

6. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

6.1. Ingevolge artikel 3, tweede lid, aanhef en onder a, van de WWB, voor zover hier van belang, wordt als gehuwd of als echtgenoot mede aangemerkt de ongehuwde die met een ander een gezamenlijke huishouding voert.

6.2. Het staat vast dat uit de relatie van appellanten kinderen zijn geboren, zodat voor de beantwoording van de vraag of zij een gezamenlijke huishouding voerden, bepalend is of appellanten hun hoofdverblijf in dezelfde woning hadden.

6.3. De vraag waar iemand zijn hoofdverblijf heeft, dient te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. Het aanhouden van afzonderlijke adressen hoeft niet aan het hebben van hoofdverblijf in dezelfde woning in de weg te staan, indien aannemelijk is dat desondanks een feitelijke situatie van samenwoning bestaat doordat de betrokkenen slechts een van beide ter beschikking staande woningen gebruiken of op een andere wijze zodanig gebruik maken van de woningen dat zij in feite samenwonen.

6.4. De verklaringen die appellanten tijdens het eerste verhoor tegenover de sociaal rechercheur hebben afgelegd bieden geen aanknopingspunten voor de conclusie dat zij in de periodes 3 en 4 hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben gehad. De conclusie dat dit wel zo was steunt vooral op de verklaring van appellante tijdens haar tweede verhoor op 27 mei 2010 om 21.15 uur en op de verklaring van getuige 6, afgelegd op diezelfde datum om 20.40 uur. Getuige 6 woont in de omgeving van het [S. ] 11. Appellante heeft toen onder meer verklaard: “Vanaf februari 2007 tot eind 2008 was het eigenlijk heen en weer pendelen. De ene keer zaten we dan met de kinderen op de [F.] en de andere keer op het [S. ]. In beide huizen lagen toen spullen van ons allemaal. Vanaf het moment dat de woning op de [F.] leeg kwam te staan is [voornaam appellant] [appellant] dus eigenlijk bijna dagelijks bij mij geweest.” Getuige 6 heeft onder meer verklaard: “Ik weet dat de man vroeger op de [F.] heeft gewoond. De vrouw woonde net voor mij, in 2007, op dit adres. Sinds eind 2008 werd de woning aan de [F.] verkocht en trok de man bij de vrouw in. Daarvoor pendelden ze van huis naar huis. Het ene weekend waren ze hier en het andere weekend waren ze in dat andere huis. Mijn man werkt in de beveiliging en daarom zag ik

’s avonds dat de familie laat (tegen middernacht) gezamenlijk thuiskwam, soms met en soms zonder kinderen. Sinds eind 2008 woont de man hier boven mij.”

6.5. Appellanten hebben erop gewezen dat de sociaal rechercheur ten tijde van het opnemen van de verklaring van getuige 6 en de tweede verklaring van appellante op 27 mei 2010 geen opsporingsbevoegdheid had en stellen in verband daarmee de waarde van de processen-verbaal van die verklaringen ter discussie.

6.5.1. Het college heeft bij brief van 12 maart 2012 onder meer een akte van opsporingsbevoegdheid van 4 september 2006 toegezonden. Deze akte omvat het besluit om de sociaal rechercheur als buitengewoon opsporingsambtenaar te belasten met de opsporing van bij of krachtens de WWB strafbaar gestelde feiten en het besluit tot beëdiging van de sociaal rechercheur tot buitengewoon opsporingsambtenaar. Daarbij is vermeld dat de opsporingsbevoegdheid geldig is tot uiterlijk 18 april 2010.

6.5.2. Het college heeft op 12 maart 2012 ook een brief toegezonden van de - toenmalige - Minister van Justitie van 13 januari 2010, gericht aan de gemeente Almere, waarbij de minister op verzoek van de gemeente Almere van 27 oktober 2009 een afschrift heeft toegezonden van de ten name van de sociaal rechercheur gestelde ‘Akte van opsporingsbevoegdheid/-beëdiging’. Hoewel uit deze brief kan worden opgemaakt dat de akte van opsporingsbevoegdheid van de sociaal rechercheur is verlengd, heeft het college een afschrift van die akte niet overgelegd, waardoor de verlenging van de bevoegdheid niet is vast te stellen. Vast staat dat de processen-verbaal van de onder 6.4 bedoelde verklaringen tevens op ambtsbelofte zijn opgemaakt door een tweede bijzonder opsporingsambtenaar, van wie de bevoegdheid daartoe niet ter discussie staat. Daarom is het niet kunnen vaststellen van het bestaan van een akte van opsporingsbevoegdheid van de sociaal rechercheur, die de periode na 18 april 2010 bestrijkt, voor de beoordeling van de waarde van die processen-verbaal niet doorslaggevend. Dit geldt ook voor de processen-verbaal van de verklaringen van de onder 6.7.1 bedoelde getuigen. Deze getuigen zijn door de sociaal rechercheur gehoord voor 18 april 2010 ofwel zijn de processen-verbaal mede opgemaakt door een tweede opsporingsambtenaar.

6.6. Appellanten hebben aangevoerd dat de in het proces-verbaal van het tweede verhoor van appellante opgenomen verklaring geen juiste weergave vormt van wat zij heeft verklaard en dat daaraan ook om die reden geen betekenis toekomt. In het bijzonder heeft appellante niet verklaard dat appellant dagelijks bij haar was en dat zij van februari 2007 tot eind 2008 heen en weer hebben gependeld tussen hun woningen. Appellante heeft om deze reden haar verklaring niet ondertekend en zij heeft bij de gemeente Almere een klacht ingediend. De verklaring over het ‘heen en weer pendelen’ spoort niet met de bevindingen tijdens een op 14 maart 2007 afgelegd huisbezoek op het [S. ] 11.

6.6.1. Vast staat dat appellante haar tweede verklaring, in tegenstelling tot haar eerste verklaring, afgelegd op 27 mei 2010 in de ochtend, niet heeft ondertekend. De tweede verklaring van appellante, zoals die in dat proces-verbaal van verhoor is opgenomen, kan niet worden aangemerkt als consistent, terwijl bovendien de in het proces-verbaal opgenomen antwoorden/verklaringen niet altijd aansluiten op de daaraan voorafgaande vragen. Zo is de verklaring over het pendelen tussen de woningen van appellanten opgenomen na een vraag over een vakantie in Zeewolde. Verder is het opmerkelijk dat getuige 6 de term ‘pendelen’ ook heeft gebruikt en dat deze getuige zijn of haar verklaring heeft afgelegd een half uur vóór het tweede verhoor van appellante. Dat appellanten gedurende de hele week samen afwisselend gebruik maakten van beide woningen vindt bovendien geen steun in wat getuige 6 heeft verklaard, die immers alleen spreekt van het in de weekenden pendelen tussen de twee woningen, en evenmin in de overige getuigenverklaringen.

6.6.2. Dat appellante zou hebben verklaard dat in de periode van februari 2007 tot eind 2008 in haar woning en die van appellant spullen van hen beiden lagen, komt niet overeen met de bevindingen tijdens het huisbezoek op 14 maart 2007, waaraan appellanten hebben gerefereerd. Uit de rapportage die van dit huisbezoek is opgemaakt blijkt niet dat daarbij ook spullen van een man zijn aangetroffen. Er staat: “De woning is redelijk compleet ingericht. Oudste kind slaapt bij moeder, jongste kind in een eigen (camping) bedje. Betr heeft de inrichting gedeeltelijk van familie gekregen, gedeeltelijk uit de inboedel meegenomen. Er zijn geen aanwijzingen voor een gezamenlijke huishouding.”

6.6.3. Appellante heeft op 5 oktober 2010 bij de gemeente een klacht ingediend over de gang van zaken tijdens het tweede verhoor. Daarbij heeft zij te kennen gegeven dat zij het proces-verbaal bewust niet heeft ondertekend, omdat zij tijdens het lezen van haar verklaring woorden aantrof die zij niet op die wijze geformuleerd had en de sociaal rechercheurs weigerden dit aan te passen.

6.6.4. Gelet op wat is overwogen in 6.6.1 tot en met 6.6.3 bestaat zodanige twijfel aan de juistheid van het proces-verbaal van het tweede verhoor van appellante dat daaraan, hoewel op ambtsbelofte opgemaakt, geen betekenis toekomt voor het vaststellen van het door appellanten betwiste gezamenlijke hoofdverblijf.

6.7. Voor de conclusie dat appellanten in de periodes 3 en 4 hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben gehad, heeft het college, en de rechtbank in navolging daarvan, voorts de getuigenverklaringen van bewoners uit de omgeving van de [F.] 9 en het [S. ] 11 van belang geacht. Appellanten stellen zich op het standpunt dat aan die getuigenverklaringen geen betekenis toekomt, omdat deze anoniem zijn afgelegd, en dus niet verifieerbaar zijn, en voorts onvoldoende concrete feiten en omstandigheden bevatten.

6.7.1. Van de zeven bewoners uit de omgeving van de [F.] 9 hebben drie bewoners anoniem een verklaring afgelegd. In de processen-verbaal van de getuigenverhoren van de overige bewoners zijn de voorletters, de geboortedata en de huisnummers weggelakt. In de processen-verbaal van de getuigenverhoren van de zes bewoners uit de omgeving van het [S. ] 11 zijn de volledige namen en eveneens de geboortedata en de huisnummers weggelakt. Nog daargelaten dat de getuigenverklaringen als gevolg van het anoniem afleggen dan wel anonimiseren daarvan niet verifieerbaar zijn, bevatten deze verklaringen onvoldoende feiten en omstandigheden voor de conclusie dat appellanten in de periodes 3 en 4 hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben gehad. Ook zijn deze verklaringen niet eenduidig. Zo hebben getuigen uit de omgeving van de [F.] 9 respectievelijk verklaard dat het wisselend was dat hij of zij appellante zag, dat hij of zij de vrouw en kinderen niet altijd zag en dat hij of zij niet durft te zeggen of de vrouw op dat adres heeft gewoond. Een getuige uit de omgeving van het [S. ] 11 heeft verklaard dat appellante op dat adres woont en dat hij of zij appellant op de van hem getoonde foto niet herkent als bewoner van dat adres. Verder zijn de getuigenverklaringen onvoldoende specifiek en gedetailleerd en blijkt daaruit niet of nauwelijks of wat de getuigen verklaren over het wonen van appellanten in de beide woningen berust op concrete, feitelijke waarnemingen of slechts de indruk van de getuigen is. Zo bevatten de getuigenverklaringen niet of nauwelijks feitelijke gegevens over het dagelijks leven in en om de woningen aan de [F.] 9 en het [S. ] 11.

6.7.2. Gelet op wat is overwogen in 6.7.1 komt aan de verklaringen van de getuigen uit de omgeving van de [F.] 9 en het [S. ] 11 niet die betekenis toe die het college en de rechtbank daaraan hebben toegekend. In ieder geval zijn deze verklaringen ontoereikend om daarop de - belastende - besluiten tot intrekking en (mede)terugvordering van bijstand te baseren.

6.8. De rechtbank heeft verder betekenis toegekend aan een politiemutatie van 13 juni 2009 en aan het feit dat tijdens de waarnemingen en observaties in de periode van november 2009 tot en met april 2010 de auto van appellant nagenoeg bij iedere waarneming en observatie in de nabijheid van het [S. ] 11 is aangetroffen. Appellanten hebben erop gewezen dat appellante op 13 juni 2009 geen verklaring tegenover de politie heeft afgelegd. Over de waarnemingen en observaties hebben appellanten te kennen gegeven dat appellant zijn auto bewust bij de woning van appellante neerzette, om bij haar buurman, van wie appellante regelmatig last had, de indruk te wekken dat appellant bij haar was.

6.8.1. De politiemutaties zijn opgenomen in het rapport van de sociale recherche van 14 juni 2010 en gaan onder meer over ruzies met de buurman van appellante op 9 januari 2009 en 5 april 2009 en over een aangifte van appellante van 27 juli 2009 van diverse bedreigingen door die buurman. Op 27 juli 2009 heeft appellante weliswaar tegenover de politie verklaard dat zij in de woning op het [S. ] 11 is gaan wonen samen met appellant en haar kinderen, maar appellanten hebben ook diverse malen tegenover de politie verklaard dat zij niet samen op dat adres wonen. De - niet eenduidige - politiemutaties bieden dan ook onvoldoende aanknopingspunten voor de conclusie dat appellanten in de periodes 3 en 4 hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben gehad.

6.8.2. Uit de politiemutaties kan wel worden opgemaakt dat appellante daadwerkelijk regelmatig werd lastig gevallen en ook werd bedreigd door haar buurman. Tegen deze achtergrond is de verklaring die appellanten hebben gegeven voor de - veelvuldige - aanwezigheid van de auto van appellant bij het [S. ] 11 geloofwaardig. Dat de auto van appellant daar tijdens de vier waarnemingen in november 2009 vier maal is aangetroffen en tijdens de 72 observaties 67 maal is dan ook onvoldoende om de aanwezigheid van appellant aldaar te kunnen vaststellen, te meer omdat appellant tijdens de waarnemingen en vele observaties slechts tweemaal is gesignaleerd.

6.9. Uit wat is overwogen in 6.6.1 tot en met 6.8.2 volgt dat de bevindingen van het onderzoek van de sociale recherche, zoals neergelegd in het rapport van 14 juni 2010, geen toereikende grondslag bieden voor de conclusie dat appellanten in de periodes 3 en 4, noch van 1 juni tot en met 14 juni 2010 hun hoofdverblijf hadden in dezelfde woning. De rechtbank heeft dat niet onderkend, zodat de aangevallen uitspraak 1 moet worden vernietigd voor zover het college daarbij is opgedragen opnieuw te beslissen op de bezwaren van appellante tegen de besluiten van 14 juni 2010 en 21 september 2010.

6.11. Nu de aangevallen uitspraak 1 dient te worden vernietigd, is de grondslag aan het bestreden besluit 3 komen te ontvallen. Dit besluit komt daarom voor vernietiging in aanmerking. De Raad ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb de besluiten van 14 juni 2010 en van 21 september 2010 te herroepen, nu deze besluiten op dezelfde ondeugdelijke grondslag berusten als de bestreden besluiten 2 en 3 en niet aannemelijk is dat het college dit gebrek nog kan herstellen.

6.12. Gelet op wat is overwogen in 6.9 berust het bestreden besluit 4 niet op een deugdelijke grondslag. De aangevallen uitspraak 2, voor zover aangevochten, komt daarom eveneens voor vernietiging in aanmerking. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep tegen het bestreden besluit 4 gegrond verklaren en dat besluit wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb vernietigen. De Raad ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb ook het over appellant genomen besluit van 21 september 2010 te herroepen, nu dit besluit op dezelfde ondeugdelijke grondslag berust als het bestreden besluit 4 en niet aannemelijk is dat het college dit gebrek nog kan herstellen.

7. Aanleiding bestaat het college te veroordelen in de kosten van appellanten in hoger beroep. Deze worden voor appellante begroot op € 1.092,50 en voor appellant op € 874,-- voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak 1 voor zover de rechtbank daarbij het college heeft opgedragen opnieuw te beslissen op de bezwaren van appellante tegen de besluiten van 14 juni 2010 en 21 september 2010;

- vernietigt het besluit van 27 september 2011;

- herroept de besluiten van 14 juni 2010 en van 21 september 2010 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde besluiten van 31 augustus 2010 en 10 december 2010;

- vernietigt de aangevallen uitspraak 2 voor zover aangevochten;

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 27 september 2011;

- herroept het besluit van 21 september 2010 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit van 27 september 2011;

- veroordeelt het college in de kosten van appellante in hoger beroep tot een bedrag van

- € 1.092,50, en in de kosten van appellant in hoger beroep tot een bedrag van € 874,--, te betalen aan de griffier van de Raad;

- bepaalt dat het college het door appellante in hoger beroep betaalde griffierecht van € 112,-- aan haar vergoedt en dat het college het door appellant in hoger beroep betaalde griffierecht van eveneens € 115,-- aan hem vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.N.A. Bootsma als voorzitter en W.F. Claessens en

M.F. Wagner als leden, in tegenwoordigheid van N.M. van Gorkum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 juli 2012.

(getekend) J.N.A. Bootsma

(getekend) N.M. van Gorkum

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding.

HD