Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX2178

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-07-2012
Datum publicatie
20-07-2012
Zaaknummer
11-193 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Door appellant niet voorafgaand aan de gevraagde en door hem verleende toestemming om uitspraak te doen zonder dat een zitting plaatsvindt, de beschikking te geven over alle gedingstukken (...) heeft de rechtbank niet gehandeld overeenkomstig het bepaalde in artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), hetgeen in strijd is met de goede procesorde. Appellant is op basis van beoordelingen door een verzekeringsarts en een bezwaarverzekeringsarts geschikt geacht voor zijn eigen arbeid. De verzekeringsartsen hebben een voldoende zorgvuldig onderzoek ingesteld naar de gezondheidstoestand van appellant ten tijde in geding en op verantwoorde en inzichtelijke wijze geconcludeerd dat appellant op 23 februari 2010 niet buiten staat was zijn werk te verrichten. De in beroep door appellant ingenomen standpunten en verstrekte informatie met betrekking tot de aard van CVS en de reacties daarop van de bezwaarverzekeringsarts leiden niet tot een andersluidend oordeel.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 8:57
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/193 ZW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ‘s-Gravenhage van 1 december 2010, 10/2592 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.] (appellant)

de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 18 juli 2012

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Appellant heeft hierop een reactie gegeven.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 juni 2012, waar appellant, met bericht, niet is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.J. Grasmeijer.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellant is werkzaam geweest via uitzendbureau Content B.V. als projectondersteuner bij de Provincie Zuid-Holland. Per 5 februari 2009 heeft hij zich ziek gemeld vanwege ernstige vermoeidheid. Aan hem is een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) toegekend.

1.2. Bij besluit van 22 februari 2010 is aan appellant meegedeeld dat hem met ingang van 23 februari 2010 geen ziekengeld meer wordt uitgekeerd, omdat hij op en na deze datum weer geschikt wordt geacht tot het verrichten van zijn arbeid.

1.3. Bij besluit van 10 maart 2010 (bestreden besluit) is het bezwaar van appellant tegen het besluit van 22 februari 2010 ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarbij met name betekenis toegekend aan de onderzoeksbevindingen van de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts. De rechtbank is van oordeel dat de onderzoeken voldoende gegevens hebben opgeleverd voor de verzekeringsartsen om tot een afgewogen oordeel te komen omtrent de voor appellant geldende beperkingen en heeft geen aanleiding gezien om het medisch onderzoek door de verzekeringsartsen onzorgvuldig te achten of hun bevindingen voor onjuist te houden.

3.1. In hoger beroep heeft appellant voorop gesteld dat hij in zijn procesbelang is geschaad doordat hij, op het moment dat hij toestemming had verleend aan de rechtbank voor het doen van uitspraak zonder nadere zitting, nog niet beschikte over de rapportage van de bezwaarverzekeringsarts van 5 oktober 2010, terwijl de rechtbank deze rapportage wel in haar overwegingen heeft betrokken. De betreffende rapportage is hem eerst, nadat hij de rechtbank daartoe had verzocht en nadat de rechtbank uitspraak had gedaan, bij brief van 13 december 2010 toegezonden. Voorts heeft appellant - kort samengevat - betoogd dat zijn standpunten en ingebrachte stukken in de aangevallen uitspraak niet juist zijn weergegeven, dat hij vanwege het vastgestelde chronische vermoeidheidssyndroom (CVS) en de daaruit voortvloeiende beperkingen op en na de datum hier in geding niet in staat was tot het verrichten van zijn arbeid en dat zijn beperkingen door de verzekeringsartsen onzorgvuldig en onjuist zijn vastgesteld.

3.2. In zijn verweerschrift heeft het Uwv gesteld dat door appellant in hoger beroep geen nieuwe argumenten zijn aangedragen, die doen twijfelen aan de juistheid van het bestreden besluit en verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1. De eerste beroepsgrond slaagt. Door appellant niet voorafgaand aan de gevraagde en door hem verleende toestemming om uitspraak te doen zonder dat een zitting plaatsvindt, de beschikking te geven over alle gedingstukken, waaronder de rapportage van de bezwaarverzekeringsarts van 5 oktober 2010, heeft de rechtbank niet gehandeld overeenkomstig het bepaalde in artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), hetgeen in strijd is met de goede procesorde. Daarom zal de Raad de aangevallen uitspraak vernietigen. Nu appellant in hoger beroep zijn reactie op de rapportage van de bezwaarverzekeringsarts heeft gegeven, ziet de Raad aanleiding de zaak zelf af te doen.

4.2. Op grond van artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid, als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Het subjectief door appellant beleefde klachtenpatroon is daarbij niet doorslaggevend voor de vaststelling van de geschiktheid voor zijn arbeid. Appellant is op basis van beoordelingen door een verzekeringsarts en een bezwaarverzekeringsarts geschikt geacht voor zijn eigen arbeid. De verzekeringsartsen hebben een voldoende zorgvuldig onderzoek ingesteld naar de gezondheidstoestand van appellant ten tijde in geding en op verantwoorde en inzichtelijke wijze geconcludeerd dat appellant op 23 februari 2010 niet buiten staat was zijn werk te verrichten. Gewezen wordt op de rapportage van de bezwaarverzekeringsarts van 10 maart 2010, waaruit blijkt dat deze arts appellant heeft onderzocht, kennis heeft genomen van het dagverhaal van appellant en van de overige beschikbare medische informatie en de diagnose CVS als uitgangspunt voor zijn beoordeling van appellants arbeidsgeschiktheid heeft genomen.

4.3. De in beroep door appellant ingenomen standpunten en verstrekte informatie met betrekking tot de aard van CVS en de reacties daarop van de bezwaarverzekeringsarts leiden niet tot een andersluidend oordeel. De door appellant overgelegde brief van de internist T. Wijlhuizen, van 10 augustus 2010, doet daaraan evenmin af nu deze internist appellant heeft onderzocht op 29 juli 2010, zijnde ruim vijf maanden na de datum in geding en daarenboven na lichamelijk onderzoek heeft vastgesteld dat appellant geen acuut zieke indruk maakt. Wijlhuizen heeft de diagnose CVS bevestigd, maar uit zijn bevindingen kunnen geen conclusies worden getrokken met betrekking tot de (mate van) belastbaarheid van appellant per datum in geding. Het door appellant in hoger beroep overgelegde Polysomnography report is gebaseerd op een op 1 en 2 december 2010 afgenomen onderzoek zodat daaruit evenmin conclusies kunnen worden getrokken met betrekking tot de medische toestand van appellant op 23 februari 2010.

4.4. Het eveneens in hoger beroep overgelegde document “Myalgische encefalomyelitis, criteria conform de internationale consensus van juli 2011”, bevat algemene informatie aangaande de (ontwikkeling van) medische inzichten met betrekking tot ME/CVS. Hieruit kunnen geen conclusies worden getrokken in het concrete, hier voorliggende geval. Voor zover appellant nog heeft willen betogen dat ten onrechte geen toepassing is gegeven aan het verzekeringsgeneeskundig protocol CVS overweegt de Raad onder verwijzing naar zijn uitspraak van 13 mei 2009 (LJN BI3737) dat dit protocol niet van toepassing is bij een beoordeling in het kader van de ZW.

5. Gelet op hetgeen in 4.2 tot en met 4.4 is overwogen is het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond.

6. Van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten aan de zijde van appellant is niet gebleken.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep ongegrond;

- bepaalt dat het Uwv aan appellant het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 111,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door M. Greebe als voorzitter en J.J.T. van den Corput en A.I. van der Kris als leden, in tegenwoordigheid van I.J. Penning als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 juli 2012.

(getekend) M. Greebe

(getekend) I.J. Penning

KR