Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX2155

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-07-2012
Datum publicatie
20-07-2012
Zaaknummer
12-172 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ongewijzigde vaststelling arbeidsongeschiktheid op minder dan 15%. Er bestaan geen gronden om de rechtbank niet te volgen in haar oordeel ten aanzien van de door de (bezwaar)verzekeringsarts voor appellante in aanmerking genomen beperkingen. Appellante is er niet in geslaagd aan de hand van nadere medische gegevens aannemelijk te maken dat de verzekeringsarts en bezwaarverzekeringsarts haar beperkingen onjuist hebben gewaardeerd. Ook met betrekking tot de passendheid van de functies, waarover appellante overigens geen afzonderlijke gronden naar voren heeft gebracht, ziet de Raad geen aanknopingspunten om het oordeel van de rechtbank niet te volgen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/172 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 15 december 2011, 11/970 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 6 juli 2012

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. O.F.X. Roozemond, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 mei 2012. Appellante is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. J.P.H. Loogman.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellante heeft gewerkt als kwekerijmedewerkster en schoonmaakster. In maart 1991 heeft zij zich vanuit een uitkeringssituatie op grond van de Werkloosheidswet ziek gemeld wegens psychische klachten. Aan appellante is met ingang van 9 maart 1992 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

1.2. In 2006 heeft een herbeoordeling plaatsgevonden op grond van het per 1 oktober 2004 aangepaste Schattingsbesluit. Deze herbeoordeling heeft geleid tot een besluit van 27 november 2006, waarbij de WAO-uitkering van appellante is ingetrokken met ingang van 28 januari 2007, op de grond dat haar arbeidsongeschiktheid is afgenomen naar minder dan 15%.

2.1. In 2007 heeft een herbeoordeling plaatsgevonden in het kader van de toepassing van het zogenoemde oude Schattingsbesluit, zoals dat gold tot 1 oktober 2004. Deze herbeoordeling heeft geresulteerd in een besluit van 28 november 2007, waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid van appelante per 22 februari 2007 ongewijzigd is vastgesteld op minder dan 15%. Bij besluit van 28 mei 2008 is het door appellante tegen het besluit van 28 november 2007 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

2.2. De rechtbank Amsterdam heeft bij uitspraak van 23 september 2010, 08/2016 het tegen het besluit van 28 mei 2008 ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en het Uwv opgedragen met inachtneming van haar uitspraak een nieuwe beslissing te nemen op het bezwaar van appellante.

2.3. De rechtbank heeft geoordeeld dat het bestreden besluit onzorgvuldig is voorbereid en tot stand gekomen en niet op een deugdelijke motivering berust. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat uit de verzekeringsgeneeskundige rapportages niet duidelijk naar voren komt of in de visie van de (bezwaar)verzekeringsarts op de datum in geding sprake is van een gewijzigde medische situatie ten opzichte van de eerdere beoordelingen, die zich uitstrekken over een periode van vijftien jaar. Blijkens beschikbare informatie was appellante in 2006 en 2007 onder behandeling bij een psycholoog en is zij bovendien rond de datum in geding verwezen naar een psychiater. Naar het oordeel van de rechtbank had de bezwaarverzekeringsarts, die alleen beschikte over een samenvatting van de informatie die de huisarts van de psycholoog en de psychiater had ontvangen, niet mogen afzien van het inwinnen van nadere medische informatie met betrekking tot de psychische gesteldheid van appellante op de in geding zijnde datum.

3.1. Het Uwv heeft in de uitspraak van 23 september 2010 berust.

3.2. Ter uitvoering van de uitspraak heeft de bezwaarverzekeringsarts een nader onderzoek ingesteld, bestaande uit een spreekuuronderzoek van appellante op 25 november 2010 en het inwinnen van informatie bij de GGZ in Geest. Op grond van de uitkomsten van dit onderzoek heeft de bezwaarverzekeringsarts een rapport opgesteld van 23 februari 2011.

3.3. Hierop heeft het Uwv bij besluit van 24 februari 2011(bestreden besluit) het bezwaar tegen het besluit van 28 november 2007 andermaal ongegrond verklaard.

4.1. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat de eerder geconstateerde onzorgvuldigheid met het thans bestreden besluit is geheeld.

4.2. Voorts heeft de rechtbank, na een uitvoerige weergave van de bevindingen, overwegingen en conclusies van de bezwaarverzekeringsarts, geoordeeld dat niet kan worden gezegd dat de beperkingen van appellante niet juist zijn vastgesteld. Daarvan uitgaande heeft de rechtbank zich ook kunnen verenigen met de aan de schatting als voor appellante passende arbeidsmogelijkheden in aanmerking genomen functies.

5. Appellante heeft in hoger beroep naar voren gebracht dat zij, anders dan waartoe de bezwaarverzekeringsarts in het rapport van 23 februari 2011 heeft geconcludeerd, wel degelijk ten tijde van de datum in geding onder behandeling is geweest voor haar psychische klachten. Appellante stelt dat het bestreden besluit onzorgvuldig is, nu niet alle relevante informatie bij het nemen daarvan betrokken is.

6.1. De Raad is op grond van het volgende van oordeel dat het hoger beroep niet slaagt.

6.2. Met het door de bezwaarverzekeringsarts ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank van 23 september 2010 ingestelde onderzoek is, naar de rechtbank in de aangevallen uitspraak met juistheid heeft overwogen, het eerder geconstateerde zorgvuldigheidsgebrek geheeld. Uit dat onderzoek zijn geen gegevens naar voren gekomen die appellante steunen in de door haar staande gehouden opvatting dat zij ten tijde in geding onder behandeling was voor haar psychische klachten. De sociaal psychiatrisch verpleegkundige H. Baeten heeft bij schrijven van 11 januari 2011 expliciet verklaard dat appellante in de periode oktober 2006 tot februari 2007, voor zover hij dat kan nagaan, niet bij hem in behandeling is geweest. Voorts heeft de gemachtigde van appellante, desgevraagd door de medewerker beroep van het Uwv, geen gegevens kunnen aanleveren over de psychiater bij wie appellante onder behandeling zou zijn geweest. Appellante heeft ook in hoger beroep geen nadere gegevens ter ondersteuning van haar eigen opvatting in het geding gebracht.

6.3. Evenmin bestaan gronden om de rechtbank niet te volgen in haar oordeel ten aanzien van de door de (bezwaar)verzekeringsarts voor appellante in aanmerking genomen beperkingen. Appellante is er niet in geslaagd aan de hand van nadere medische gegevens aannemelijk te maken dat de verzekeringsarts en bezwaarverzekeringsarts haar beperkingen onjuist hebben gewaardeerd. Ook met betrekking tot de passendheid van de functies, waarover appellante overigens geen afzonderlijke gronden naar voren heeft gebracht, ziet de Raad geen aanknopingspunten om het oordeel van de rechtbank niet te volgen.

6.4. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

7. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel, in tegenwoordigheid van J.R. Baas als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 juli 2012.

(getekend) J.W. Schuttel

(getekend) J.R. Baas

KR