Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX2133

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-07-2012
Datum publicatie
20-07-2012
Zaaknummer
10-5484 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om bijzondere bijstand. De beroepsgrond dat de rechtbank ten onrechte heeft vastgesteld dat zij in beroep om het volgens gemeentebeleid maximaal te vergoeden bedrag heeft gevraagd, treft geen doel. De omstandigheid dat studiefinanciering in de vorm van een lening is verstrekt is geen factor die op de berekening van de draagkracht van invloed is. College heeft niet gehandeld in strijd met het gelijkheidsbeginsel. Het college heeft in overeenstemming met het beleid de ziektekosten van appellante niet op haar inkomen in mindering gebracht. Geen bijzondere omstandigheden op grond waarvan het college van het beleid had moeten afwijken. Het college heeft in het bestreden besluit al rekening gehouden met het vervallen van de toeslag op de Wajong-uitkering als gevolg van de toekenning van een wezenpensioen door BPF Bouw. Het college heeft zich bij de vaststelling van de draagkracht beperkt tot de bepaling van de in het inkomen van appellante gelegen draagkracht. Voor de draagkracht in inkomen zijn de door appellante gestelde schulden niet van belang. Omdat de draagkracht in inkomen al voldoende was om het maximaal te vergoeden bedrag van € 2.875,-- te bekostigen, heeft het college ervan af kunnen zien om de in haar vermogen gelegen draagkracht van appellante vast te stellen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/5484 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 25 augustus 2010, 10/1835 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van ’s-Gravenhage (college)

Datum uitspraak: 10 juli 2012

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft B.H. Scholten hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op 29 mei 2012. Partijen zijn niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante ontvangt een uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong), studiefinanciering ingevolge de Wet studiefinanciering 2000 (WSF 2000) en een wezenpensioen van het Bedrijfstakpensioenfonds voor de Bouwnijverheid (BPF Bouw).

1.2. Op 27 september 2009 heeft appellante op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) bijzondere bijstand aangevraagd voor de begrafeniskosten van haar vader. De kosten van deze begrafenis, die volgens Joodse gebruiken is voltrokken, bedroegen € 11.062,62.

1.3. Bij besluit van 27 oktober 2009 heeft het college de aanvraag afgewezen. Hieraan heeft het college ten grondslag gelegd dat appellante voldoende inkomsten heeft om deze kosten zelf te betalen.

1.4. Bij besluit van 1 februari 2010 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 27 oktober 2009 ongegrond verklaard. Hieraan heeft het college ten grondslag gelegd dat de berekende draagkracht van appellante van € 3.667,92 boven de vergoedingslimiet van € 2.875,-- voor begrafeniskosten blijft. De draagkracht is naar aanleiding van het bezwaar gecorrigeerd met het vervallen van de toeslag op de Wajong-uitkering in verband met de toekenning aan appellante van een wezenpensioen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft vastgesteld dat zij in beroep vergoeding heeft gevraagd van het op grond van het gemeentebeleid maximaal te vergoeden bedrag van € 2.875,--. Appellante stelt dat zij in beroep heeft verzocht om vergoeding van de volledige begrafeniskosten van € 11.062,62. Volgens appellante komt de maximering van de vergoeding in haar geval in strijd met de vrijheid van godsdienst. Appellante heeft voorts de draagkrachtberekening van het college bestreden. Volgens appellante is ten onrechte geen rekening gehouden met de omstandigheid dat de studiefinanciering in haar geval in de vorm van een lening is verstrekt. Zij merkt in dit verband op dat gemeenten bij de vaststelling van de draagkracht verschillend omgaan met het meenemen van de studiefinanciering. Verder heeft appellante aangevoerd dat ten onrechte geen rekening is gehouden met de kosten die zij moet maken in verband met haar chronische ziekte en dat bij de berekening van de draagkracht het wezenpensioen dat zij ontvangt twee maal in aanmerking is genomen aangezien dit pensioen al van invloed is op de hoogte van de Wajong-uitkering. Ten slotte heeft het college ten onrechte geen rekening gehouden met de schulden van appellante.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. In artikel 35, eerste lid, van de WWB is bepaald dat, onverminderd paragraaf 2.2, de alleenstaande of het gezin recht heeft op bijzondere bijstand voor zover de alleenstaande of het gezin niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van het college niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de langdurigheidstoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm, waarbij artikel 31, tweede lid, en artikel 34, tweede lid, niet van toepassing zijn.

4.2. In artikel 33, tweede lid, aanhef en onder b, van de WWB, zoals dat luidde ten tijde in geding, is bepaald dat het inkomen uit studiefinanciering op grond van de WSF 2000 in aanmerking wordt genomen naar het normbedrag voor levensonderhoud waarnaar deze is berekend, met dien verstande dat het normbedrag voor levensonderhoud als bedoeld in artikel 3.2 van die wet voor een uitwonende studerende wordt gesteld op € 535,11.

4.3. Het college voert het beleid dat de vergoeding voor de kosten van een begrafenis maximaal € 2.875,-- bedraagt. Het college heeft voorts voor de berekening van de draagkracht beleid opgesteld. Volgens dat beleid wordt bij de vaststelling van de hoogte van het netto-inkomen alle inkomen voor 100% meegenomen en wordt geen rekening gehouden met kosten die de betrokkene moet maken, met uitzondering van de alimentatie die door de betrokkene moet worden betaald.

4.4. Het standpunt van appellante dat zij in beroep heeft verzocht om vergoeding van de volledige begrafeniskosten vindt geen steun in de gedingstukken. Uit het bij de rechtbank ingediende beroepschrift en uit de tijdens de zitting van de rechtbank overgelegde pleitbrief blijkt immers dat appellante in beroep ondubbelzinnig heeft verzocht om toekenning van het maximaal te vergoeden bedrag van € 2.875,--. De beroepsgrond dat de rechtbank ten onrechte heeft vastgesteld dat zij in beroep om het volgens gemeentebeleid maximaal te vergoeden bedrag heeft gevraagd, treft dan ook geen doel. De beroepsgrond dat de maximering van de vergoeding in haar geval in strijd komt met de vrijheid van godsdienst behoeft om die reden geen verdere bespreking.

4.5. De beroepsgrond van appellante dat bij de berekening van de draagkracht ten onrechte geen rekening is gehouden met de omstandigheid dat de studiefinanciering in haar geval in de vorm van een lening is verstrekt, slaagt niet. Van belang is dat artikel 33, tweede lid, aanhef en onder b, van de WWB een bepaling is van dwingendrechtelijke aard, zodat het college gehouden was het in die bepaling genoemde bedrag als inkomen van appellante aan te merken. Dat de studiefinanciering in het geval van appellante in de vorm van een lening is verstrekt, doet daar niet aan af. Ook volgens het door het college gehanteerde beleid is de omstandigheid dat studiefinanciering in de vorm van een lening is verstrekt geen factor die op de berekening van de draagkracht van invloed is. De door appellante gestelde omstandigheid dat gemeenten bij de berekening van de draagkracht verschillend omgaan met het meenemen van studiefinanciering betekent niet dat het college ten opzichte van appellante heeft gehandeld in strijd met het gelijkheidsbeginsel. De WWB voorziet in gedecentraliseerde uitvoering. De mogelijkheid van verschillende uitvoering per gemeente is daarmee gegeven.

4.6. De beroepsgrond van appellante dat ten onrechte geen rekening is gehouden met de kosten die zij moet maken in verband met haar chronische ziekte, slaagt evenmin. Zoals in 4.3 is vermeld, voert het college het beleid om bij de vaststelling van de hoogte van het netto-inkomen geen rekening te houden met kosten die de betrokkene moet maken, met uitzondering van alimentatieverplichtingen. Het college heeft in overeenstemming met dit beleid de ziektekosten van appellante niet op haar inkomen in mindering gebracht. Hetgeen appellante heeft aangevoerd vormt geen bijzondere omstandigheden op grond waarvan het college van het beleid had moeten afwijken.

4.7. Het betoog van appellante dat bij de berekening van de draagkracht het wezenpensioen dat zij ontvangt twee maal in aanmerking is genomen, wordt niet gevolgd. Het college heeft immers in het bestreden besluit al rekening gehouden met het vervallen van de toeslag op de Wajong-uitkering als gevolg van de toekenning van een wezenpensioen door BPF Bouw.

4.8. Ook de beroepsgrond dat het college ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de schulden van appellante treft geen doel. Het college heeft zich bij de vaststelling van de draagkracht beperkt tot de bepaling van de in het inkomen van appellante gelegen draagkracht. Voor de draagkracht in inkomen zijn de door appellante gestelde schulden niet van belang. Omdat de draagkracht in inkomen al voldoende was om het maximaal te vergoeden bedrag van € 2.875,-- te bekostigen, heeft het college ervan af kunnen zien om de in haar vermogen gelegen draagkracht van appellante vast te stellen.

4.9. Uit hetgeen onder 4.4 tot en met 4.8 is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.J.A. Kooijman als voorzitter en M. Hillen en W.H. Bel als leden, in tegenwoordigheid van J. van Dam als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 juli 2012.

(getekend) J.J.A. Kooijman

(getekend) J. van Dam

HD