Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX2128

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-07-2012
Datum publicatie
19-07-2012
Zaaknummer
11-940 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking bijstand en terugvordering. Appellante heeft haar inlichtingenverplichting geschonden, door geen mededeling te doen van de middelen waarover zij kon beschikken en die van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand. Appellante is er niet in geslaagd aannemelijk te maken dat in het geval wel aan de inlichtingenverplichting zou zijn voldaan over de in geding zijnde periode recht op (aanvullende) bijstand bestond. Het college was bevoegd om de bijstand in te trekken. Tevens was het college bevoegd om de kosten van de aan appellante verleende bijstand terug te vorderen. Er is geen sprake van bijzondere omstandigheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/940 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 30 december 2010, 10/4589 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

Datum uitspraak: 17 juli 2012

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. E. Julius, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 juni 2012. Appellante is, met voorafgaand bericht, niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C.J. Telting.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante ontvangt vanaf 1 februari 1997 bijstand, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB), naar de norm voor een alleenstaande ouder met een toeslag van 20% van het wettelijk minimumloon.

1.2. Naar aanleiding van een anonieme tip heeft de sociale recherche van de gemeente Amsterdam onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. In dat kader is onder meer dossieronderzoek verricht, is aan diverse instanties om inlichtingen verzocht, is appellante verhoord, is [C.] als getuige gehoord, zijn bankafschriften van [C.] opgevraagd en zijn tachograafschijven en rittenkaarten opgevraagd die verband houden met het werk van [C.] als internationaal vrachtwagenchauffeur. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een proces-verbaal van 16 februari 2010.

1.3. Op grond van de onderzoeksresultaten heeft het college bij besluit van 15 juni 2010, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 24 augustus 2010 (bestreden besluit), de over de periode van 8 april 2005 tot en met 5 mei 2007 aan appellante verleende bijstand ingetrokken en de over die periode gemaakte kosten van bijstand van appellante teruggevorderd tot een bedrag van € 31.111,76 bruto. Hieraan heeft het college ten grondslag gelegd dat appellante, door geen melding te maken van het feit dat zij in genoemde periode beschikte over het inkomen van [C.] door het gebruik van zijn bankpas, haar inlichtingenverplichting heeft geschonden als gevolg waarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Daarbij heeft zij, samengevat, aangevoerd dat niet of onvoldoende is komen vast te staan dat zij heeft beschikt over het inkomen van [C.]. Appellant ontkent dat zij heeft verklaard dat zij de bankpas van [C.] heeft gebruikt. Verder heeft zij dringende redenen aangevoerd op grond waarvan moet worden afgezien van terugvordering en heeft zij in dit verband tevens een beroep gedaan op artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad verwijst naar de aangevallen uitspraak voor de weergave van de van belang zijnde regelgeving.

4.2. Appellante heeft op 10 augustus 2009 ten overstaan van twee sociaal rechercheurs een gedetailleerde verklaring afgelegd die is opgenomen in een op ambtseed opgesteld proces-verbaal van het verhoor. Volgens de weergave van die verklaring maakte appellante gebruik van de bankpas van [C.]. Zij belde [C.] vooraf om toestemming voor het gebruik van zijn bankpas, hetgeen hij altijd gaf. Ook haar moeder en haar oudste dochter maakten gebruik van de bankpas. De bankafschriften van de ING-rekening van [C.] kwamen op het adres van appellante. Verder heeft appellante verklaard dat [C.] haar financieel ondersteunde als zij geld of spullen nodig had. Voorts heeft appellante verklaard dat zij nooit aan de sociale dienst heeft verteld dat [C.] haar financieel ondersteunde en dat het om kleine, niet structurele bedragen ging.

4.3. Appellante betwist te hebben verklaard dat zij de bankpas voor zichzelf heeft gebruikt. Appellante dient echter aan haar oorspronkelijke, onder 4.2 weergegeven verklaring te worden gehouden. Daarbij is van belang dat appellante haar op 10 augustus 2009 afgelegde verklaring weliswaar niet heeft ondertekend, maar dat de reden hiervoor is gelegen in het feit dat appellante de plaats van verhoor in een emotionele gemoedstoestand heeft verlaten, niet omdat appellante zich niet kon vinden in de weergave van de verklaring. Bovendien is sprake van een gedetailleerde verklaring die voldoende steun vindt in de overige onderzoeksgegevens.

4.4. Zo is uit het onderzoek van de afschriften van de rekening van [C.] bij de ING-bank gebleken dat ten tijde hier van belang met de bankpas van [C.] betalingen in winkels zijn gedaan en geldopnames zijn verricht op data waarvan aan de hand van de tachograafschijven is vastgesteld dat [C.] zich niet op de desbetreffende plekken heeft bevonden. Het gaat daarbij niet uitsluitend om kleine bedragen, zoals appellante heeft verklaard, maar ook om geldopnames die oplopen tot bedragen van soms € 1.000,--. Voor deze geldopnames tijdens zijn afwezigheid heeft [C.] geen verklaring gegeven. Verder is van belang dat de transacties niet in de omgeving van het adres van de moeder van appellante hebben plaatsgevonden, maar meer in de omgeving van het adres van appellante, zodat de stelling van appellante dat niet zij, maar haar moeder gebruik heeft gemaakt van de bankpas, niet aannemelijk wordt geacht. Voorts heeft appellante geen controleerbare en verifieerbare gegevens overgelegd die haar stelling aannemelijk maken dat haar moeder de opgenomen bedragen heeft besteed aan de voldoening van boetes en schulden van [C.].

4.5. Verder blijkt uit het onderzoek dat [C.] betalingen heeft verricht aan de bankrekening van de oudste, minderjarige dochter van appellante en dat hij voor appellante de rekeningen heeft betaald van UPC voor het gebruik van televisie, telefonie en internet. Het geheel van de onderzoeksbevindingen rechtvaardigt dan ook de conclusie dat appellante ten tijde hier van belang heeft beschikt over de bankrekening van [C.] en dat hij appellante ook anderszins middelen heeft verschaft om in haar bestaan te voorzien.

4.6. Uit wat onder 4.2 tot en met 4.5 is overwogen vloeit voort dat appellante haar inlichtingenverplichting heeft geschonden, door geen mededeling te doen van de middelen waarover zij kon beschikken en die van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand. Een dergelijke schending van de inlichtingenverplichting levert een rechtsgrond op voor intrekking van de bijstand, indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of, en zo ja in hoeverre, de betrokkene verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden en recht heeft op bijstand. Het is dan aan de betrokkene om aannemelijk te maken dat in het geval wel aan de inlichtingenverplichting zou zijn voldaan over de desbetreffende periode recht op (aanvullende) bijstand bestond.

4.7. Appellante is daarin niet geslaagd. Anders dan appellante heeft verklaard is niet alleen sprake geweest van kleine geldopnames, maar ook van meer substantiële geldopnames. Appellante heeft hiervoor geen aannemelijke verklaring gegeven. Gezien dit gegeven, mede bezien in het licht van het feit dat op de bankrekening van [C.] maandelijks een salaris is gestort van € 2.000,-- tot € 3.000,-- netto, behoefde voor het college dan ook geen aanleiding te bestaan om schattenderwijs vast te stellen tot welk bedrag appellante in ieder geval wel recht op bijstand zou hebben.

4.8. Uit hetgeen onder 4.2 tot en met 4.7 is overwogen vloeit voort dat het college bevoegd was om met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB de bijstand over de periode van 8 april 2005 tot en met 5 mei 2007 in te trekken. In hetgeen appellante heeft aangevoerd is geen grond gelegen voor het oordeel dat het college in redelijkheid geen gebruik heeft kunnen maken van zijn bevoegdheid tot intrekking.

4.9. Hieruit vloeit voort dat tevens is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB, zodat het college bevoegd was om de kosten van de aan appellante over genoemde periode verleende bijstand terug te vorderen. In hetgeen appellante heeft aangevoerd over de gevolgen van de terugvordering liggen geen dringende redenen besloten, op grond waarvan het college zou moeten afzien van gehele of gedeeltelijke terugvordering van de ten onrechte verleende bijstand. In hetgeen appellante heeft aangevoerd zijn evenmin bijzondere omstandigheden gelegen op grond waarvan het college met toepassing van artikel 4:84, eerste lid, laatste volzin, van de Awb van zijn beleid had moeten afwijken. Daarbij is van belang dat de tenuitvoerlegging van een besluit tot terugvordering zodanig moet geschieden dat de betrokkene blijft beschikken over een inkomen gelijk aan de beslagvrije voet, zoals bedoeld in artikel 475d van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

4.10. Hieruit volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman als voorzitter en W.H. Bel en A.M. Overbeeke als leden, in tegenwoordigheid van J. van Dam als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 juli 2012.

(getekend) J.C.F. Talman

(getekend) J. van Dam

HD