Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX2103

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-07-2012
Datum publicatie
20-07-2012
Zaaknummer
10-4535 MAW + 12-3384 MAW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat de motivering van het besluit van 27 maart 2012 onjuist is. De Raad heeft niet kunnen vaststellen dat het gedurende langere tijd niet invullen van de functie van adviseur taken tot zodanig ernstige organisatorische problemen heeft geleid dat voor de commandant de noodzaak bestond om appellant die functie toe te wijzen, ondanks dat appellant niet voldeed aan de opleidingeis MDV. Anders dan appellant meent was voorts de commandant niet gehouden om ingevolge de Nota Sturingsaanwijzingen Personele Vulling van 7 april 2010 de functie van adviseur testen aan appellant toe te wijzen, alleen al omdat deze Nota ten tijde in geding niet van toepassing was. Naar het oordeel van de Raad is dan ook met het besluit van 27 maart 2012 het in de tussenuitspraak vermelde motiveringsgebrek van het bestreden besluit hersteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/4535 MAW, 12/3384 MAW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 30 juni 2010, 10/1670 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.] (appellant)

de Commandant Landstrijdkrachten (commandant)

Datum uitspraak: 19 juli 2012

PROCESVERLOOP

De Raad heeft in het geding tussen partijen tussenuitspraak gedaan op 24 november 2011, 10/4535 MAW-T, LJN BU7006.

Ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft de commandant op 27 maart 2012 een nieuw besluit op bezwaar genomen.

Appellant heeft zijn zienswijze bij brief van 13 april 2012 naar voren gebracht.

De Raad heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft, waarna hij het onderzoek heeft gesloten.

OVERWEGINGEN

1. Voor een uitgebreide weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de tussenuitspraak, met dien verstande dat appellant de majoorsfunctie van Hoofd Bureau, Logistiek & Techniek van mei 2009 tot augustus 2011 in plaats van mei 2009 tot maart 2010 heeft waargenomen, zoals per abuis in de tussenuitspraak is vermeld.

1.2. In de tussenuitspraak is overwogen dat in het bestreden besluit van 21 januari 2010 onvoldoende deugdelijk is gemotiveerd dat er geen zwaarwegend organisatiebelang was om met toepassing van het toen geldende artikel 19 van de Beleidsregel aanstelling, functietoewijzing en bevordering defensie (Bafbd) een uitzondering te maken ten aanzien van de opleidingseis MDV en de functie van adviseur testen bij TMO aan appellant toe te wijzen.

1.3. In het besluit van 27 maart 2012 heeft de commandant nader toegelicht dat er geen zwaarwegend organisatiebelang was appellant genoemde functie toe te wijzen, omdat de functie niet gedurende een onacceptabele periode vacant is gebleven, zodat geen sprake was een (onaanvaardbare) inbreuk op de normale bedrijfsvoering. Aan de vraag of op grond van het destijds van toepassing zijnde artikel 19 van de Bafbd een uitzondering diende te worden gemaakt ten aanzien van de opleidingeis is de commandant daarom niet toegekomen. Uiteindelijk is een gekwalificeerde burgermedewerker bedoelde functie gaan vervullen.

1.4. Nu met het besluit van 27 maart 2012 niet geheel aan appellant is tegemoetgekomen, strekt het geding in hoger beroep, gelet op de artikelen 6:18, 6:19, eerste lid, en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), zich mede uit tot dit nieuwe besluit.

1.5. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat de motivering van het besluit van 27 maart 2012 onjuist is. De Raad heeft niet kunnen vaststellen dat het gedurende langere tijd niet invullen van de functie van adviseur taken tot zodanig ernstige organisatorische problemen heeft geleid dat voor de commandant de noodzaak bestond om appellant die functie toe te wijzen, ondanks dat appellant niet voldeed aan de opleidingeis MDV. Anders dan appellant meent was voorts de commandant niet gehouden om ingevolge de Nota Sturingsaanwijzingen Personele Vulling van 7 april 2010 de functie van adviseur testen aan appellant toe te wijzen, alleen al omdat deze Nota ten tijde in geding niet van toepassing was.

2. Naar het oordeel van de Raad is dan ook met het besluit van 27 maart 2012 het in de tussenuitspraak vermelde motiveringsgebrek van het bestreden besluit hersteld. Dit laatste besluit moet worden vernietigd evenals de aangevallen uitspraak waarbij dit besluit ten onrechte in stand is gelaten. Het beroep tegen het besluit van 27 maart 2012 moet ongegrond worden verklaard.

3. De Raad ziet aanleiding om de commandant op grond van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep tot een bedrag van € 874,- en in hoger beroep tot een bedrag van € 874,-.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 21 januari 2010;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 27 maart 2012 ongegrond;

- veroordeelt de commandant in de proceskosten van appellant tot een bedrag van totaal € 1.748,-;

- bepaalt dat aan appellant het door hem betaalde griffierecht van in totaal € 374,- wordt vergoed.

Deze uitspraak is gedaan door J.G. Treffers als voorzitter en K.J. Kraan en B.J. van de Griend als leden, in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 juli 2012.

(getekend) J.G. Treffers

(getekend) P.W.J. Hospel

HD