Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX1914

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-07-2012
Datum publicatie
18-07-2012
Zaaknummer
12-1452 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag om bijstand. De rechtbank heeft een onjuiste periode beoordeeld. Vernietiging aangevallen uitspraak. Het bestreden besluit berust op onvoldoende onderzoek en een ondeugdelijke motivering. Appellante heeft terecht aangevoerd dat een aantal feiten en omstandigheden de conclusie rechtvaardigt dat appellante in de periode hier in geding op het opgegeven adres woonde. Hetgeen het college daar tegenover heeft gesteld, kan niet leiden tot de conclusie dat appellante niet op het dit adres woonde. Anders dan de rechtbank heeft overwogen, is voor de onderhavige aanvraag niet van belang of appellante in de periode voorafgaand aan de periode in geding onjuiste inlichtingen heeft verschaft over haar woonsituatie. Evenmin is doorslaggevend dat het sociale leven van appellante zich in deze periode grotendeels afspeelde in een andere plaats dan waar zij woonde, dat zij vaak daar met haar pinpas geld opnam en betalingen verrichtte en dat zij daar vrijwilligerswerk verrichtte en sportte. Voorts komt aan de bevindingen van het buurtonderzoek op de [straat adres 3] te [plaatsnaam 3] geen betekenis toe. De gedingstukken bieden onvoldoende steun voor het door het college gemaakte onderscheid in de woonsituatie voor en vanaf 15 april 2010. Vernietiging van het bestreden besluit en herroeping van het primaire besluit. De Raad bepaalt dat aan appellante met ingang van de in dit geding te beoordelen periode bijstand naar de voor haar geldende norm toekomt.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 8:69
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2012/247
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/1452 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 3 februari 2012, 10/1998 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Utrecht (college)

Datum uitspraak: 17 juli 2012

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M.C. Hennevelt, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Appellante heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 juni 2012. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Hennevelt. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. E.H. Siemeling.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante ontving bijstand naar de norm voor een alleenstaande ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). Zij stond vanaf 4 november 2008 ingeschreven op het adres [adres 1] te [plaatsnaam 1]. Bij besluit van 18 november 2009, voor zover van belang, heeft het college de bijstand van appellante met ingang van 22 september 2009 ingetrokken. Daaraan is ten grondslag gelegd dat uit onderzoek is gebleken dat appellante niet op het door haar opgegeven adres woont zodat het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Appellante heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt, maar het bezwaar later weer ingetrokken.

1.2. Appellante heeft zich met ingang van 24 november 2009 laten inschrijven op het adres [adres 2] te [plaatsnaam 2]. Op 2 december 2009 heeft zij bij het college een aanvraag om bijstand ingediend. Een medewerker van het Team Handhaving van de gemeente Utrecht (Team Handhaving) heeft op 9 december 2009 éénmaal en 10 december 2009 tweemaal gepoogd een huisbezoek af te leggen op het adres [adres 2] te [plaatsnaam 2]. Bij deze pogingen bleek niemand thuis te zijn.

1.3. Het college heeft de aanvraag bij besluit van 10 december 2009 afgewezen op de grond dat het Team Handhaving niet heeft kunnen vaststellen dat appellante op het adres [adres 2] te [plaatsnaam 2] woonachtig is.

1.4. Het Team Handhaving heeft vervolgens nader onderzoek verricht naar de woon- en leefsituatie van appellante. In dat verband is op 18 januari 2010 een onaangekondigd huisbezoek afgelegd op het adres [adres 2] te [plaatsnaam 2] en zijn op 28 januari 2010 en 4 februari 2010 gesprekken met appellante gevoerd. Verder zijn inlichtingen ingewonnen bij onder andere sportschool [naam sportschool] te [plaatsnaam 3], waar appellante een abonnement heeft, en bij verpleeghuis [naam verpleeghuis] te [plaatsnaam 3], waar appellante vrijwilligerswerk verricht. Aangezien zij bij de sportschool en het verpleeghuis als haar adres [adres 3] te [plaatsnaam 3] heeft opgegeven, heeft op 3 februari 2010 een buurtonderzoek op de [straat adres 3] plaatsgevonden.

1.5. Bij besluit van 2 juni 2010 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 10 december 2009 ongegrond verklaard. Daarbij heeft het college de periode beoordeeld die loopt van 2 december 2009 tot en met 8 februari 2010. Het college heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat appellante na de intrekking van de bijstand met ingang van 22 september 2009 niet dan wel onvoldoende heeft aangetoond dat zij in de periode hier in geding haar hoofdverblijf had op het adres [adres 2] te [plaatsnaam 2]. Nu appellante onvoldoende duidelijkheid heeft verschaft over haar feitelijke woon- en leefsituatie, kan volgens het college het recht op bijstand niet worden vastgesteld.

1.6. Het college heeft een nieuwe aanvraag van appellante om bijstand van 15 april 2010 bij besluit van 23 april 2010 afgewezen. Op 7 juli 2010 is wederom een huisbezoek afgelegd op het adres [adres 2] te [plaatsnaam 2]. Naar aanleiding van de bevindingen van dat huisbezoek heeft het college bij beslissing op bezwaar van 3 augustus 2010 het besluit van 23 april 2010 herroepen en aan appellante met ingang van 15 april 2010 bijstand naar de voor haar geldende norm verleend.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank vastgesteld dat de te beoordelen periode loopt van 2 december 2009 (datum aanvraag) tot en met 10 december 2009 (datum afwijzing op besluit). Voorts heeft de rechtbank overwogen dat appellante onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij in deze periode woonde op het adres [adres 2] te [plaatsnaam 2], zodat het college de aanvraag terecht heeft afgewezen. De rechtbank heeft daarbij onder andere de bevindingen van het onder 1.4 vermelde nader onderzoek door het Team Handhaving in aanmerking genomen. De rechtbank heeft verder overwogen dat het college de omstandigheid dat aan appellante met ingang van 15 april 2010 wel bijstand is toegekend, heeft kunnen baseren op de bevindingen van het huisbezoek op 7 juli 2010, nu bij dat huisbezoek is gebleken dat de situatie in de kamer van appellante ten opzichte van bij het huisbezoek van 18 januari 2010 aangetroffen situatie is gewijzigd.

3. Appellante heeft zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad stelt eerst - ambtshalve oordelend - vast dat de rechtbank ten onrechte slechts de periode van 2 december 2009 tot en met 10 december 2009 heeft beoordeeld. De in het bestreden besluit beoordeelde periode liep immers van 2 december 2009 tot en met 8 februari 2010. Dit betekent dat de aangevallen uitspraak wegens strijd met artikel 8:69, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) voor vernietiging in aanmerking komt. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad hierna de periode van 2 december 2009 tot en met 8 februari 2010 beoordelen.

4.2. In een geval als dat van appellante, waarin de bijstand is ingetrokken en de betrokkene een nieuwe aanvraag indient die is gericht op het verkrijgen van bijstand met ingang van een later gelegen datum, ligt het volgens vaste rechtspraak van de Raad (CRvB 19 april 2011, LJN BQ3341) in eerste instantie op de weg van de aanvrager om aan te tonen dat sprake is van een wijziging van omstandigheden in die zin dat op dat later gelegen tijdstip wel wordt voldaan aan de vereisten om voor bijstand in aanmerking te komen. Dit betekent dat in dit geval appellante dient aan te tonen dat zij in de hier te beoordelen periode woonde op het adres [adres 2] te [plaatsnaam 2].

4.3. Appellante heeft terecht aangevoerd dat een aantal feiten en omstandigheden de conclusie rechtvaardigt dat appellante in de periode hier in geding op het adres [adres 2] te [plaatsnaam 2] woonde. Zij heeft erop gewezen dat zij met ingang van 24 november 2009 op dat adres stond ingeschreven en bij haar aanvraag een kopie van de huurovereenkomst voor kamerbewoning op voormeld adres heeft overgelegd. Verder was appellante bij het onaangekondigd huisbezoek op 18 januari 2010 in de woning aanwezig, gekleed in pyjama en ochtendjas. Bij dat huisbezoek zijn in de woning toiletartikelen en administratie van appellante aangetroffen. De tijdens het huisbezoek in de kledingkast aangetroffen kleding, zou van appellante kunnen zijn. Voorts heeft zij tijdens het gesprek op 4 februari 2010 verklaard dat zij iedere nacht in [plaatsnaam 2] slaapt.

4.4. Hetgeen het college daar tegenover heeft gesteld, kan niet leiden tot de conclusie dat appellante niet op het adres [adres 2] te [plaatsnaam 2] woonde. De onderzoeksbevindingen van het college noch de overige feiten en omstandigheden rechtvaardigen die conclusie. In dit verband is het volgende van belang.

4.5. Anders dan de rechtbank heeft overwogen, is voor de onderhavige aanvraag niet van belang of appellante in de periode vóór 2 december 2009 onjuiste inlichtingen heeft verschaft over haar woonsituatie. Evenmin is doorslaggevend dat het sociale leven van appellante zich in de periode in geding grotendeels afspeelde in [plaatsnaam 3], dat zij vaak daar met haar pinpas geld opnam en betalingen verrichtte en dat zij daar vrijwilligerswerk verrichtte en sportte. In het licht van de onder 4.3 genoemde feiten en omstandigheden betekent dit immers niet dat zij niet op het adres [adres 2] te [plaatsnaam 2] woonde.

4.6. Voorts komt aan de bevindingen van het buurtonderzoek op 3 februari 2010 op de [straat adres 3] te [plaatsnaam 3] geen betekenis toe. De in dat kader door buurtbewoners afgelegde verklaringen zijn alle anoniem afgelegd en worden niet ondersteund door ander bewijs. Verder heeft appellante op 4 februari 2010 verklaard dat zij niet op het adres aan de [straat adres 3] te [plaatsnaam 3] slaapt en de onderzoeksbevindingen geven geen aanleiding voor het oordeel dat deze verklaring onjuist is. Uit de bij (onder andere) sportschool [naam sportschool] en verpleeghuis [naam verpleeghuis] in [plaatsnaam 3] ingewonnen inlichtingen kan evenmin worden afgeleid dat appellante in de hier te beoordelen periode niet op het adres [adres 2] te [plaatsnaam 2] woonde. Uit deze gegevens kan slechts worden afgeleid dat appellante ver vóór de periode in geding [adres 3] te [plaatsnaam 3] als haar adres heeft opgegeven. Daarbij is van belang dat op een vrijwilligersovereenkomst met [naam verpleeghuis] van 23 maart 2009 [adres 1] te [plaatsnaam 1] als het adres van appellante wordt vermeld.

4.7. Ten slotte bieden de gedingstukken onvoldoende steun voor het door het college gemaakte onderscheid in de woonsituatie voor en vanaf 15 april 2010. Voor het college heeft bij de beslissing om appellante met ingang van die datum bijstand te verlenen de doorslag gegeven dat uit het huisbezoek van 7 juli 2010 is gebleken dat in de kamer van appellante niet langer kleding en administratie van de verhuurder, de heer [T.], aanwezig was. Dat zijn kleding en administratie zich in de periode in geding zich nog wel in de kamer van appellante bevond, betekent in het licht van de overige feiten en omstandigheden echter niet dat appellante daar niet woonde.

4.8. Het voorgaande leidt tot het oordeel dat het bestreden besluit op onvoldoende onderzoek en een ondeugdelijke motivering berust. De Raad zal het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen wegens strijd met artikel 3:2 en artikel 7:12, eerste lid, van de Awb. Nu aan het besluit van 10 december 2009 hetzelfde gebrek kleeft en niet aannemelijk is dat dit gebrek, gelet op het tijdsverloop, kan worden hersteld, ziet de Raad aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, aanhef en onder c, van de Awb het besluit van 10 december 2009 te herroepen en te bepalen dat aan appellante met ingang van 2 december 2009 bijstand naar de voor haar geldende norm wordt toegekend.

5. Daarmee is voldaan aan de voorwaarden voor toekenning van een vergoeding in de kosten van het bezwaar op grond van artikel 7:15 van de Awb. Deze kosten worden begroot op € 874,-- voor verleende rechtsbijstand. Aanleiding bestaat het college met toepassing van artikel 8:75 van de Awb in die kosten te veroordelen.

6. Voorts bestaat aanleiding om het college te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 877,20,-- in beroep en op € 877,20,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand en reiskosten. De overige gevorderde kosten komen op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht niet voor vergoeding in aanmerking.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 2 juni 2010;

- herroept het besluit van 10 december 2009, bepaalt dat aan appellante met ingang van 2 december 2009 bijstand naar de voor haar geldende norm wordt toegekend en bepaalt dat de uitspraak van de Raad in de plaats treedt van het besluit van 2 juni 2010;

- veroordeelt het college in de kosten van appellante tot een bedrag van € 2.628,40, waarvan een bedrag van € 1.754,40,-- te betalen aan de griffier van de Raad;

- bepaalt dat het college aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 156,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en J.J.A. Kooijman en C.H. Bangma als leden, in tegenwoordigheid van J.M. Tason Avila als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 juli 2012.

(getekend) A.B.J. van der Ham

(getekend) J.M. Tason Avila

EW