Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX1910

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-07-2012
Datum publicatie
18-07-2012
Zaaknummer
11-5748 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking bijstand en terugvordering. Appellante had, anders dan zij stelt, wel mededeling moeten doen van de inkomsten uit de exploitatie van een café en de verhuur van een drietal kamers boven dit café. Door dat niet te doen heeft appellante niet voldaan aan de op haar rustende wettelijke inlichtingenverplichting. Het beroep van appellante op de zogeheten zesmaanden-jurisprudentie faalt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/5748 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 1 september 2011, 11/1404 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Culemborg (college)

Datum uitspraak: 17 juli 2012

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M.M. Dezfouli, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 juni 2012. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Dezfouli. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door G.T.W. Masolijn.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante ontving sinds 5 oktober 2007 bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB).

1.2. Bij besluit van 8 november 2010 heeft het college de bijstand van appellante ingetrokken over de periode van 1 april 2008 tot en met 30 april 2010 op de grond dat appellante heeft verzwegen dat zij inkomsten uit exploitatie van een op haar naam staand café en uit verhuur van kamers heeft genoten. Tevens heeft het college de over die periode te veel betaalde kosten van bijstand tot een bedrag van € 36.284,07 van appellante teruggevorderd.

1.3. Bij besluit van 3 maart 2011 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 8 november 2010 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Zij stelt zich op het standpunt dat geen sprake is van schending van de inlichtingenverplichting nu het college en haar contactpersoon bij de dienst Werk en Inkomen op de hoogte waren van het feit dat zij in april 2008 is gestart met het exploiteren van het café. Appellante heeft zich voorts beroepen op de zogenaamde zesmaanden-jurisprudentie nu het college met deze wetenschap appellante er niet op heeft gewezen dat en, zo ja, op welke wijze zij de inkomsten uit exploitatie van het café had dienen te verwerken op de daartoe bestemde rechtmatigheidsformulieren.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Niet in geschil is dat appellante in de in geding zijnde periode een café heeft geëxploiteerd en een drietal kamers boven dit café heeft verhuurd. Evenmin is in geschil dat appellante uit deze activiteiten inkomsten heeft gegenereerd en dat zij van deze inkomsten geen melding heeft gemaakt op de daarvoor bestemde rechtmatigheidsformulieren. Wat er ook zij van de wetenschap bij het college van de exploitatie van het café en de gesprekken die appellante met haar contactpersoon bij de dienst Werk en Inkomen heeft gevoerd, uit de gedingstukken blijkt niet dat deze dienst appellante te kennen heeft gegeven dat zij van deze inkomsten op de betreffende formulieren geen melding hoefde te maken. Appellante had dan ook, anders dan zij stelt, wel mededeling moeten doen van bedoelde inkomsten. Door dat niet te doen heeft appellante niet voldaan aan de op haar rustende wettelijke inlichtingenverplichting.

4.2. Het beroep van appellante op de zogeheten zesmaanden-jurisprudentie faalt reeds, omdat voor de toepassing daarvan in WWB-zaken in beginsel geen plaats is indien, zoals in het onderhavige geval is vastgesteld, sprake is geweest van het niet tijdig, niet juist of onvolledig verstrekken van voor de beoordeling van het recht op bijstand relevante informatie. In dit geval bestaat geen aanleiding om van dat uitgangspunt af te wijken.

4.3. Uit het voorgaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door W.F. Claessens, in tegenwoordigheid van J.T.P. Pot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 juli 2012.

(get.) W.F. Claessens.

(get.) J.T.P. Pot.

HD