Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX1791

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-07-2012
Datum publicatie
19-07-2012
Zaaknummer
12-1001 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Appellant wordt in staat geacht zijn arbeid te verrichten. Zorgvuldig en juistheid medische onderzoek. Onjuist ingestelde diabetes: Appellant heeft zonder noemenswaardig ziekteverzuim, vier jaar bij zijn laatste werkgever zijn arbeid verricht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/1001 ZW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 23 december 2011, 11/1231 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 18 juli 2012

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.J. Hoogendoorn, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Op verzoek van de Raad heeft het Uwv rapportages van de bezwaararbeidsdeskundige en de bezwaarverzekeringsarts overgelegd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 juni 2012, waar appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Hoogendoorn. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. H. ten Brinke.

OVERWEGINGEN

1.1. Bij besluit van 29 oktober 2010 heeft het Uwv geweigerd om aan appellant met ingang van 7 september 2010 een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) toe te kennen vanwege het plegen van een benadelingshandeling in de zin van artikel 45 ZW.

1.2. Het bezwaar tegen dit besluit is bij besluit van 3 maart 2011 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2.1. Hangende het tegen dit besluit ingestelde beroep heeft het Uwv, bij brief van 21 juli 2011, de motivering van het bestreden besluit gewijzigd. Hieraan wordt niet langer artikel 45 ZW ten grondslag gelegd, maar het standpunt dat appellant per 7 augustus 2010 niet arbeidsongeschikt is voor zijn arbeid in de zin van artikel 19, eerste lid, van de ZW.

2.2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van dit besluit geheel in stand blijven.

2.2.1. De rechtbank heeft daartoe allereerst overwogen dat als maatstaf arbeid dient te worden uitgegaan van het laatstelijk, voor uitval, door appellant verrichte arbeid van medewerker algemene schoonmaak voor 38 uur per week. Daarnaast heeft de rechtbank geoordeeld dat, nu ter zitting duidelijk is geworden dat de datum waarvan de verzekeringsarts is uitgegaan, te weten 7 september 2010 op een vergissing berust, als uitgangspunt voor de beoordeling 7 augustus 2010 moet worden genomen.

2.2.2. Het medisch onderzoek door de (bezwaar)verzekeringsarts is naar het oordeel van de rechtbank voldoende zorgvuldig geweest. Daarbij acht de rechtbank het van belang dat appellant op het spreekuur van de verzekeringsarts is gezien en dat op basis van de beschikbare medische informatie op begrijpelijke wijze uiteengezet is dat appellant op de datum in geding in staat wordt geacht zijn werk te verrichten. De rechtbank acht tevens van belang dat de door appellant in beroep overgelegde medische gegevens eveneens door de bezwaarverzekeringsarts zijn beoordeeld. Deze medische gegevens geven de rechtbank, mede gelet op de rapportage van de bezwaarverzekeringsarts van 26 oktober 2011, onvoldoende aanknopingspunten om het oordeel van de artsen van het Uwv voor onjuist te houden.

3. In hoger beroep heeft appellant de juistheid van de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, betwist. Appellant meent dat de in beroep overgelegde medische informatie wel degelijk een nieuw licht werpt op zijn geschiktheid voor zijn arbeid op de datum in geding. Uit deze informatie blijkt dat appellant in de periode voor en na de datum in geding, wegens een slecht ingestelde diabetes mellitus (diabetes), klachten ondervond waardoor hij niet in staat was zijn arbeid te verrichten. De verzekeringsarts is aan deze klachten ten onrechte voorbij gegaan.

4. De Raad, oordelend over hetgeen appellant tegen de aangevallen uitspraak heeft aangevoerd, overweegt als volgt.

4.1. Ingevolge artikel 19 van de ZW bestaat recht op ziekengeld indien de verzekerde wegens ziekte of gebrek ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid. Onder ‘zijn arbeid’ wordt verstaan het laatstelijk voor de aanvang van de ziekmelding feitelijk verrichte werk. Nu appellant laatstelijk voor 38 uur per week werkzaam is geweest als medewerker algemene schoonmaak is deze functie terecht als maatstaf arbeid aangemerkt.

4.2. Uit de in hoger beroep door het Uwv overgelegde functieomschrijving van de laatstelijk door appellant verrichte functie van medewerker algemene schoonmaak blijkt de inhoud en de belasting van deze functie. Gezien de wijze waarop de bezwaararbeidsdeskundige H.F. Westerman deze functieomschrijving heeft opgemaakt, te weten door het inwinnen van inlichtingen bij appellants voormalige werkgever en het raadplegen van de in het CBBS voorkomende vergelijkbare functies en het feit dat door appellant deze omschrijving niet is betwist, is er geen aanleiding om aan de juistheid van deze omschrijving te twijfelen.

4.3. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat appellant per de datum hier in geding in staat moet worden geacht zijn arbeid, zoals beschreven door de bezwaararbeidsdeskundige, te verrichten. De overwegingen van de rechtbank betreffende de zorgvuldigheid en juistheid van het aan het bestreden besluit ten grondslag liggende medische onderzoek worden onderschreven. Hieraan wordt nog toegevoegd het gegeven dat appellant door zijn behandelend arts in Marokko per 7 augustus 2010 hersteld is verklaard en appellant zelf bij de verzekeringsarts A. Ester heeft aangegeven sinds 8 augustus 2010 weer hersteld te zijn.

4.4. Appellants stelling dat de verzekeringsarts voorbij gegaan is aan zijn slecht ingestelde diabetes wordt niet gevolgd. Uit de rapporten van zowel de verzekeringsarts als de bezwaarverzekeringsarts blijkt dat beide artsen, mede vanwege de in het dossier aanwezige medische gegevens, van het bestaan en de oorzaak hiervan op de hoogte waren. Appellant wordt echter, rekening houdende met de klachten die hierdoor kunnen ontstaan, in staat geacht zijn arbeid te verrichten.

4.5. Uit de in het dossier aanwezige medische gegevens, waaronder het rapport van internist-vasculair geneeskundige A.H. Pijlman van 21 december 2009, blijkt dat appellants diabetes al geruime tijd niet juist is ingesteld. Appellant heeft, zoals ter zitting door hem is bevestigd, desondanks, zonder noemenswaardig ziekteverzuim, vier jaar bij zijn laatste werkgever zijn arbeid verricht. Appellant heeft geen medische gegevens overgelegd waaruit blijkt dat hij per de datum in geding dusdanige beperkingen ondervond dat hij niet langer geschikt was voor het verrichten van zijn arbeid.

4.6. Hetgeen hiervoor onder 4.1 tot en met 4.5 is overwogen leidt de Raad tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, dient te worden bevestigd.

5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proces-kosten.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden, in tegenwoordigheid van D. Heeremans als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 juli 2012.

(getekend) C.P.J. Goorden

(getekend) D. Heeremans

TM