Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX1782

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-07-2012
Datum publicatie
19-07-2012
Zaaknummer
12-1445 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Niet meer ongeschikt geacht voor haar arbeid. Geen sprake van onzorgvuldig medisch onderzoek. De bva heeft aangegeven dat de persoonlijkheidsproblematiek die bij appellante wordt geduid al die jaren heeft bestaan en dat zij daarmee ook heeft kunnen functioneren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/1445 ZW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 30 januari 2012, 11/1023 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 18 juli 2012

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. A.H.M. van den Broek, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 juni 2012. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Van den Broek. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. R. Spanjer.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellante was laatstelijk van 5 januari 2009 tot en met 3 juli 2009 werkzaam als re-integratieconsulente. Per 21 april 2010 heeft appellante zich vanuit de situatie dat zij een werkloosheidsuitkering ontving ziek gemeld met psychische klachten/overspannenheid als gevolg van sollicitatiestress. Appellante is in dat verband op 8 juni 2010, 15 oktober 2010 en op 17 maart 2011 op het spreekuur van de verzekeringsarts geweest, waarbij de verzekeringsarts appellante met ingang van 21 maart 2011 geschikt heeft geacht voor haar arbeid.

1.2. In overeenstemming hiermee heeft het Uwv bij besluit van 17 maart 2011 vastgesteld dat appellante met ingang van 21 maart 2011 geen recht meer heeft op ziekengeld. Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar heeft het Uwv - in navolging van de bevindingen van de bezwaarverzekeringsarts, neergelegd in diens rapportage van 12 mei 2011 - bij besluit van 12 mei 2011 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellante ongegrond verklaard. De rechtbank was van oordeel dat het bestreden besluit op een zorgvuldige medische beoordeling berust. De rechtbank heeft daarbij geen aanknopingspunten gevonden om het gemotiveerde standpunt van de bezwaarverzekeringsarts voor onjuist te houden. Met betrekking tot de in beroep overgelegde informatie van psychiater Van Oosten van 5 oktober 2011 heeft de rechtbank ingestemd met het standpunt van de bezwaarverzekeringsarts neergelegd in de rapportage van 7 november 2011.

3. In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat het onderzoek door de verzekeringsartsen onzorgvuldig is geweest. Appellante acht zich niet in staat haar werkzaamheden van re-integratieconsulente te verrichten en heeft daarbij gewezen op de in beroep overgelegde informatie van Van Oosten welke in september 2011 wel heeft geleid tot acceptatie in de Ziektewet. De daarin beschreven medische situatie was volgens appellante ook al op de datum in geding van 21 maart 2011 aanwezig.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Ingevolge artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken recht op ziekengeld. Onder “zijn arbeid” wordt verstaan het laatstelijk voor de aanvang van de ongeschiktheid feitelijk verrichte werk. In dit geval betreft dat het werk van re-integratieconsulente.

4.2. Er is geen aanleiding het onderzoek door de (bezwaar)verzekeringsartsen onzorgvuldig te achten. De verzekeringsarts heeft appellante bij het onderzoek op 8 juni 2010 in strikte zin niet arbeidsongeschikt geacht omdat appellante met haar al lang bestaande beperkingen de maatgevende arbeid vijf maanden heeft verricht, maar heeft haar desondanks uit preventieve overwegingen een time out van drie tot vier maanden gegeven voor het in gang zetten van therapie bij Virenze gericht op verbetering van de copingstijl van appellante en verbetering van de belastbaarheid. De verzekeringsarts heeft appellante vervolgens op 15 oktober 2010 op het spreekuur gezien en appellante in afwachting van op te vragen medische informatie voorlopig arbeidsongeschikt geacht. Bij het spreekuur op 17 maart 2011 heeft de verzekeringsarts mede op basis van de verkregen informatie van psycholoog M. Klerks-van Melick van 25 oktober 2010, het verslag van Virenze van de tests van 9 en 20 december 2010 en informatie van psycholoog H. Swijtink van 15 december 2010 van Swaytijnk advies en coaching, het standpunt ingenomen dat appellante met ingang van 21 maart 2011 geschikt was te achten voor haar arbeid. De bezwaarverzekeringsarts heeft vervolgens het dossier bestudeerd en appellante gezien en gesproken tijdens de hoorzitting en op basis daarvan de bevindingen van de verzekeringsarts bevestigd. Hiermee is sprake geweest van een zorgvuldig verricht medisch onderzoek.

4.3. Er bestaat evenmin aanleiding om de bevindingen en de conclusies van de (bezwaar)verzekeringsartsen dat appellante geschikt is voor haar maatgevende arbeid voor onjuist te houden. Wat betreft de in beroep overgelegde medische verklaring van psychiater Van Oosten van 5 oktober 2011 heeft de rechtbank terecht het standpunt van de bezwaarverzekeringsarts, neergelegd in de rapportage van 7 november 2011, onderschreven. De bezwaarverzekeringsarts wijst er in deze rapportage op dat appellante zich eerst met ingang van 11 juli 2011 - derhalve vier maanden na de datum in geding - onder behandeling bij Van Oosten heeft gesteld. De bezwaarverzekeringsarts wijst er verder op dat in de informatie van Virenze, evenals door Van Oosten, gesproken wordt van ADHD van het onoplettende type, dat ook de door de psychiater geduide persoonlijkheidsproblematiek en depressie wordt aangegeven, maar dat dat laatste dan niet herkend wordt door appellante. Verder heeft de verzekeringsarts bij haar onderzoek geen depressie vastgesteld en ook bij psychisch onderzoek in bezwaar zijn er geen symptomen van een depressie vastgesteld. De bezwaarverzekeringsarts geeft aan dat de persoonlijkheidsproblematiek die bij appellante wordt geduid al die jaren heeft bestaan en dat zij daarmee ook heeft kunnen functioneren. Er zijn weliswaar periodes van aanpassingsproblematiek geweest waartoe appellante werd gecoacht, maar bij de hoorzitting op 6 april 2011 is appellante alert en assertief en dat onderstreept dat appellante volledig belastbaar was per datum in geding van 21 maart 2011. In zijn rapportage van 12 mei 2011 heeft de bezwaarverzekeringsarts er in dit verband op gewezen dat preventie met betrekking tot terugval zal moeten komen van te maken keuzes in samenhang met begeleiding die het grootste rendement zal behalen bij daadwerkelijke arbeidsparticipatie. Gelet op de aanwezige gedingstukken bestaat er geen aanleiding voor twijfel aan dit zorgvuldig gemotiveerde standpunt van de bezwaarverzekeringsarts. Appellante heeft in hoger beroep geen nieuwe medische informatie ingebracht die tot een ander oordeel zouden moeten leiden.

5. Uit hetgeen hiervoor onder 4.1 tot en met 4.3. is overwogen volgt dat het hoger beroep van appellante niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. De Raad acht geen termen aanwezig voor toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden, in tegenwoordigheid van D. Heeremans als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 juli 2012.

(getekend) C.P.J. Goorden

(getekend) D. Heeremans

EK