Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX1777

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-07-2012
Datum publicatie
19-07-2012
Zaaknummer
12-1633 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Niet voldaan aan verschijningsplicht. Niet (langer) ongeschikt geacht voor zijn eigen arbeid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/1633 ZW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 8 februari 2012, 11/3538 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 18 juli 2012

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. E. Yeniasci, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 juni 2012. Appellant is, hoewel vanwege de Raad opgeroepen om in persoon te verschijnen, niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.W.L. Clemens.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellant, was laatstelijk, in een dienstverband voor bepaalde tijd van 40 uur per week, werkzaam als algemeen productiemedewerker/inpakker bij Sagenn Extend B.V. te Zwijndrecht. Op 8 september 2010 is appellant uitgevallen wegens maagpijn en psychische klachten. Later zijn deze klachten uitgebreid met onderarm- en polsklachten. Het dienstverband is per 31 oktober 2010 geëindigd. Aan appellant is vervolgens een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) toegekend.

1.2. Na spreekuurbezoeken bij de verzekeringsarts is appellant, op basis van de bevindingen van het laatst verrichte onderzoek op 11 januari 2011, met ingang van 13 april 2011 weer geschikt geacht voor het laatst verrichte werk. Het Uwv heeft bij besluit van 12 april 2011 aan appellant meegedeeld dat hij vanaf 13 april 2011 geen recht meer heeft op een ZW-uitkering.

1.3. Bij besluit van 6 juni 2011 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 12 april 2011 ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit ligt een rapport ten grondslag van bezwaarverzekeringsarts M.M. Wolff-van der Ven van 30 mei 2011.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank volgde het Uwv in zijn standpunt dat appellant per 13 april 2011 in staat was zijn eigen arbeid te verrichten.

3. Appellant kan zich niet verenigen met de aangevallen uitspraak en heeft in hoger beroep zijn standpunt herhaald dat onvoldoende rekening is gehouden met zijn aanhoudende maagklachten en overige klachten en dat hij mede als gevolg van deze klachten niet in staat is zijn arbeid te verrichten.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Met betrekking tot het niet verschijnen ter zitting van betrokkene.

4.1.1. Appellant is bij aangetekende brief van 3 mei 2012, verzonden aan zijn gemachtigde mr. Yeniasci, uitgenodigd en opgeroepen om in persoon op 20 juni 2012 ter zitting van de Raad te verschijnen. De gemachtigde van appellant heeft de Raad, met een bij de Raad op 20 juni 2012 om 11:44 uur ingekomen faxbericht, meegedeeld niet om 14:00 uur ter zitting te kunnen verschijnen. De secretaresse van de gemachtigde heeft vervolgens in een telefoongesprek met een medewerkster van de Raad aangegeven dat de gemachtigde wegens ziekte niet in de gelegenheid is ter zitting te verschijnen en dat appellant, nu zijn gemachtigde niet verschijnt, evenmin op de zitting aanwezig zal zijn.

4.1.2. Nu appellant is opgeroepen om in persoon ter zitting te verschijnen en hij dat niet heeft gedaan, heeft hij niet voldaan aan de verschijningsplicht van artikel 8:27, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), in samenhang met artikel 21, eerste lid, van de Beroepswet. Ingevolge artikel 8:31 van de Awb in samenhang met artikel 21, eerste lid, van de Beroepswet kan de Raad daaruit de gevolgtrekkingen maken die hem geraden voorkomen. In deze zaak leidt dit ertoe dat, nu betrokkene de Raad ter zitting geen nadere inlichtingen heeft kunnen geven over de voor deze zaak van belang zijnde feiten en omstandigheden, de Raad uit zal gaan van de feiten en omstandigheden zoals die uit de gedingstukken naar voren komen.

4.2. Op grond van artikel 19, eerste lid, van de ZW heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek, recht op ziekengeld. Volgens vaste rechtspraak van de Raad wordt onder ”zijn arbeid” verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid. In de situatie van appellant betekent dit het werk als algemeen productiemedewerker/ inpakker in een voltijds dienstverband.

4.3. De Raad staat voor de vraag of hij zich kan stellen achter het oordeel van de rechtbank dat het Uwv appellant terecht met ingang van 13 april 2011 niet (langer) ongeschikt heeft geacht voor zijn eigen arbeid.

4.4. Deze vraag wordt bevestigend beantwoord. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het bij een beroep tegen een hersteldverklaring in het kader van de ZW gaat om de vraag of de betrokkene als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte per de datum in geding verhinderd is de in aanmerking komende arbeid te vervullen. Daarbij staat ter beoordeling of het onderzoek dat aan het bestreden besluit ten grondslag ligt voldoende zorgvuldig is geweest en of de bevindingen en conclusies van dat onderzoek het bestreden besluit kunnen dragen. Daarvan is in de onderhavige zaak sprake. De bezwaarverzekeringsarts heeft appellant in het kader van de heroverweging in bezwaar lichamelijk en psychisch onderzocht en heeft informatie van appellants huisarts zijn beoordeling betrokken. Op basis van haar bevindingen uit het onderzoek en appellants verklaringen concludeert de bezwaarverzekeringsarts in haar rapport van 30 mei 2011 dat appellant vanwege zijn pols-, maag- en psychische klachten beperkingen heeft ten aanzien van het verrichten van arbeid.

4.5. Namens appellant zijn in beroep medische stukken overgelegd waarvan de Raad met de rechtbank van oordeel is dat de inhoud van deze stukken geen aanleiding biedt tot twijfel aan de juistheid van de door de bezwaarverzekeringsarts bij appellant vastgestelde beperkingen. Nu in hoger beroep, ondanks de aankondiging hiertoe, geen nieuwe medische gegevens zijn overgelegd is er geen reden het standpunt van de bezwaarverzekeringsarts ten aanzien van de bij appellant aanwezige beperkingen voor onjuist te houden.

4.6. De bezwaarverzekeringsarts heeft in haar rapport een omschrijving gegeven van de in het laatst door appellant verrichte werk voorkomende psychische- en fysieke belasting. Nu deze omschrijving door appellant niet is betwist, wordt aangenomen dat deze arts een goed beeld had van het werk dat appellant laatstelijk voor zijn uitval verrichtte en dat zij daardoor in staat was te beoordelen of appellant met de bij hem vastgestelde beperkingen in staat kon worden geacht dit werk te verrichten. In haar rapport heeft deze arts inzichtelijk gemotiveerd waarom appellant, rekening houdende met de door haar bij hem vastgestelde beperkingen, op de datum in geding in staat kon worden geacht zijn eigen arbeid te verrichten. Nu appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat op deze datum nog sprake was van zodanige beperkingen dat deze hem beletten zijn eigen arbeid te verrichten, is er geen aanleiding anders te oordelen dan de rechtbank in haar uitspraak heeft gedaan.

4.7. De conclusie is dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden, in tegenwoordigheid van D. Heeremans als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 juli 2012.

(getekend) C.P.J. Goorden

(getekend) D. Heeremans

TM