Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX1732

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-07-2012
Datum publicatie
18-07-2012
Zaaknummer
12-223 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bezwaar niet-ontvankelijk. De stelling van appellant dat de brief van 23 september 2010 moet worden aangemerkt als een besluit wordt niet gevolgd. Deze brief kan slechts worden gezien als een mededeling van informatieve aard, die geen nieuwe rechtsgevolgen in het leven roept. Dat onder de brief een bezwaarclausule staat doet daar niet aan af. Het college was niet gehouden appellant te horen, nu er sprake is van een situatie waarbij in redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is omtrent het oordeel dat het bezwaar niet-ontvankelijk is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2012/268
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/223 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 28 november 2011, 11/43 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Kerkrade (college)

Datum uitspraak: 17 juli 2012

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. P.J.M. Graus, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 juni 2012. Voor appellant is verschenen mr. Graus. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.C.W. Sterk.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant ontving bijstand naar de norm voor een alleenstaande.

1.2. Bij besluit van 28 februari 2008 heeft het college de bijstand van appellant over de periode van 26 juli 2007 tot en met 12 december 2007 ingetrokken en de gemaakte kosten van bijstand over die periode tot een bedrag van € 5.337,97 van appellant teruggevorderd. Bij besluit van 16 september 2008 heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 28 februari 2008 ongegrond verklaard. Dit besluit is onherroepelijk geworden.

1.3. Bij besluit van 15 september 2008 is de bijstand van appellant met ingang van 2 september 2008 ingetrokken. Daarbij is te kennen gegeven dat zo spoedig mogelijk een beëindigingonderzoek wordt uitgevoerd waarover appellant nog bericht ontvangt. Ook dit besluit is onherroepelijk geworden.

1.4. Bij brief van 23 september 2010 heeft het college aan appellant het volgende meegedeeld:

“Op 15 september 2008 hebben wij u laten weten dat u vanaf 2 september 2008 geen uitkering meer krijgt. Wij hebben u toen in kennis gesteld van het beëindigingonderzoek.

Wij hebben onderzocht of

- uw uitkering correct beëindigd is;

- u nog verplichtingen heeft ten opzichte van de gemeente

- de gemeente nog verplichtingen heeft ten opzichte van u.

Uit het onderzoek is gebleken dat:

- de gemeente geen verplichtingen meer heeft jegens u;

- u nog verplichtingen heeft ten opzichte van de gemeente Kerkrade, terugbetaling van vorderingen. ”

Onder aan deze brief is een bezwaarclausule opgenomen.

1.5. Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen de brief van 23 september 2010.

1.6. Bij besluit van 30 november 2010 (bestreden besluit) heeft het college dit bezwaar niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat de brief van 23 september 2010 niet op rechtsgevolg is gericht en dat daartegen daarom geen bezwaar kan worden gemaakt. Het college stelt zich op het standpunt dat de bijstand van appellant al bij besluit van 15 september 2008 is ingetrokken en dat de intrekking van de bijstand over de periode van 26 juli 2007 tot en met 12 december 2007 en de terugvordering van de gemaakte kosten van bijstand over die periode tot een bedrag van € 5.337,97 bij inmiddels onherroepelijk besluit van 16 september 2008 in rechte vaststaat. Het college heeft met toepassing van artikel 7:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) afgezien van het horen van appellant.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De stelling van appellant dat de brief van 23 september 2010 moet worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb wordt niet gevolgd. De intrekking van de bijstand met ingang van 2 september 2008 en de intrekking en de terugvordering van de bijstand over de periode van 26 juli 2007 tot en met 12 december 2007 staan in rechte vast. De brief van 23 september 2010 kan slechts worden gezien als een mededeling van informatieve aard, die geen nieuwe rechtsgevolgen in het leven roept. Dat onder die brief een bezwaarclausule staat doet daar niet aan af. Verder heeft het college een juiste toepassing gegeven aan artikel 7:3, aanhef en onder a, van de Awb door appellant niet te horen, nu er sprake is van een situatie waarbij in redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is omtrent het oordeel dat het bezwaar niet-ontvankelijk is. De ter zake aangevoerde beroepsgronden slagen daarom niet. Ook wat overigens naar voren is gebracht kan niet tot een ander oordeel leiden.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding. Van misbruik of kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht door appellant is geen sprake.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en J.J.A. Kooijman en C.H. Bangma als leden, in tegenwoordigheid van J.M. Tason Avila als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 juli 2012.

(getekend) A.B.J. van der Ham

(getekend) J.M. Tason Avila

HD