Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX1720

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-07-2012
Datum publicatie
18-07-2012
Zaaknummer
11/3603 WWB + 11/4124 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking bijstand. Terugvordering en medeterugvordering. Schending inlichtingenverplichting. De bevindingen van het onderzoek door de sociale recherche bieden een toereikende grondslag voor de conclusie dat appellant gedurende de gehele in geding zijnde periode zijn hoofdverblijf had in de woning van appellante. De op 3 december 2009 afgelegde verklaringen van appellanten bieden een toereikende grondslag voor het oordeel dat in de periode die hier van belang is sprake was van wederzijdse zorg. Appellant wordt niet gevolgd in zijn standpunt dat sprake is van een volstrekt willekeurige aanvang van de periode van terugvordering. Het enkele feit dat het college eerst geruime tijd na ontvangst van de tip tot het instellen van een onderzoek is overgegaan maakt niet dat het op basis van dat onderzoek genomen besluit tot intrekking en tot (volledige) terugvordering in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel dan wel anderszins in strijd is met een in het algemeen rechtsbewustzijn levend beginsel van behoorlijk bestuur.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/3603 WWB, 11/4124 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Amsterdam van 27 mei 2011, 10/3986 (aangevallen uitspraak 1) en 10/4853 (aangevallen uitspraak 2)

Partijen:

[appellante] te Amsterdam (appellante)

[appellant] te Amsterdam (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

Datum uitspraak: 17 juli 2012

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. T.A. Vetter, advocaat, hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak 1.

Namens appellant heeft mr. J.S. Vlieger, advocaat, hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak 2.

Het college heeft in beide zaken een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft in beide zaken gevoegd plaatsgevonden op 5 juni 2012. Voor appellante is verschenen mr. Vetter en voor appellant mr. Vlieger. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C.J. Telting.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in deze gedingen van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante ontving vanaf 30 december 1999 bijstand, laatstelijk op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande ouder.

1.2. Naar aanleiding van een anonieme tip van 16 januari 2008 dat appellante sinds 2003/2004 samenwoont met [appellant] en haar partner arbeid in loondienst heeft, heeft het college een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. In dat kader heeft de Dienst Werk en Inkomen eerst een vooronderzoek ingesteld waarvan de resultaten zijn neergelegd in een rapport uitkeringsfraude van 13 augustus 2009. Vervolgens is een strafrechtelijk onderzoek ingesteld. In dat kader is onder meer dossieronderzoek verricht, hebben waarnemingen plaatsgevonden bij de woning van appellante, hebben diverse getuigen verklaringen afgelegd en zijn appellante en appellant verhoord. De resultaten van dat onderzoek zijn neergelegd in een proces-verbaal uitkeringsfraude van 22 december 2009.

1.3. Op grond van de onderzoeksbevindingen heeft het college bij besluit van 8 april 2010 de bijstand van appellante over de periode van 31 juli 2006 tot en met 30 november 2009 ingetrokken. Daarnaast heeft het college de over deze periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 52.647,34 van appellante teruggevorderd. Bij afzonderlijk besluit van 8 april 2010 heeft het college de over de periode van 31 juli 2006 tot en met 30 november 2009 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 52.647,34 mede van appellant teruggevorderd. Het college heeft daaraan ten grondslag gelegd dat appellante in strijd met haar wettelijke inlichtingenverplichting niet aan het college heeft meegedeeld dat zij in die periode een gezamenlijke huishouding voerde met appellant, waardoor aan haar ten onrechte bijstand is verleend.

1.4. Bij besluit van 16 juli 2010 (bestreden besluit 1) heeft het college het bezwaar van appellante tegen het tot haar gerichte besluit van 8 april 2010 ongegrond verklaard. Bij besluit van 13 september 2010 (bestreden besluit 2) heeft het college het bezwaar van appellant tegen het tot hem gerichte besluit van 8 april 2010 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak 1 heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen bestreden besluit 1 ongegrond verklaard. Bij de aangevallen uitspraak 2 heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen bestreden besluit 2 ongegrond verklaard.

3. Appellanten hebben zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraken gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling, waarbij hij voor het in dit geding van belang zijnde wettelijk kader verwijst naar de aangevallen uitspraken.

4.1.Vaststaat dat uit de relatie van appellanten op 18 maart 2007 een kind is geboren. Voor de beantwoording van de vraag of in de te beoordelen periode van 31 juli 2006 tot en met 30 november 2009 sprake was van een gezamenlijke huishouding is om die reden voor de gehele periode van belang of appellanten hun hoofdverblijf hadden in dezelfde woning en voor de periode van 31 juli 2006 tot 18 maart 2007 of daarnaast sprake was van wederzijdse zorg.

4.2. De Raad zal eerst het hoofdverblijf beoordelen. De vraag waar iemand zijn hoofdverblijf heeft, dient te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden.

4.3. De bevindingen van het onderzoek door de sociale recherche, zoals neergelegd in het proces-verbaal uitkeringsfraude van 22 december 2009, bieden een toereikende grondslag voor de conclusie dat appellant gedurende de gehele in geding zijnde periode van 31 juli 2006 tot en met 30 november 2009 zijn hoofdverblijf had in de woning van appellante op het adres [adres] te Amsterdam. Daarbij neemt de Raad in aanmerking de verklaringen die appellante en appellant elk afzonderlijk tegenover de sociaal rechercheur hebben afgelegd, de verklaringen van een buurman en van een collega van appellant en het door appellant opgeven van het adres van appellante aan de [adres] als zijn adres bij zijn beide werkgevers en bij de politie.

4.4. De verklaringen van appellanten over het verblijf van appellant op het adres van appellante gedurende de periode hier van belang zijn voldoende gedetailleerd en stemmen in essentie met elkaar overeen. Appellante heeft tijdens het verhoor op 3 december 2009 verklaard dat zij in 2006 een relatie kreeg met appellant. Verder heeft zij verklaard dat appellant als hij aan het werk is, bij haar verblijft. Zij heeft vervolgens bevestigd dat dit betekent dat hij vijf dagen per week bij haar verblijft. Aanvankelijk heeft appellante weliswaar verklaard dat appellant één tot twee dagen in de week bij haar verblijft, maar in de loop van het verhoor heeft zij haar verklaring bijgesteld en de hiervoor weergegeven verklaring over een verblijf van vijf dagen afgelegd. Aan het einde van het verhoor heeft zij bevestigd dat haar verklaring juist is weergegeven. Zij heeft daarbij nog wel te kennen gegeven dat zij het er niet mee eens is dat daarin staat dat appellant vijf dagen bij haar is, maar dit is geweest nadat zij op de financiële consequenties van het voeren van een gezamenlijke huishouding was gewezen. Appellant heeft op 3 december 2009 verklaard dat hij appellante zo’n drie tot vier jaar kent. Hij ontvangt zijn post op het adres van appellante. Hij is eigenlijk elke dag bij appellante, alleen slaapt hij er niet altijd. Het klopt wel dat hij soms vanuit de woning van appellante met haar fiets of met zijn collega, die een paar straten verderop woont, naar zijn werk gaat. Appellant heeft aan het eind van het verhoor bevestigd dat de verklaring van appellante dat hij iedere dag dat hij werkt bij haar is, juist is en heeft daaraan toegevoegd dat hij niet elke dag bij haar slaapt. Appellant heeft zijn verklaring ondertekend. In het enkele feit dat appellante haar verklaring niet heeft ondertekend, is geen grond gelegen om aan te nemen dat het op ambtseed opgemaakte proces-verbaal niet in overeenstemming is met hetgeen appellante heeft verklaard, zodat de daarop gerichte beroepsgrond van appellant wordt verworpen.

4.5. De door appellant bedoelde collega, [M.], heeft op 3 december 2009 verklaard dat appellant twee straten achter hem woont, al ruim een jaar met hem meerijdt naar het werk en daarvoor met de fiets ging. Gevraagd naar de woonsituatie van appellant heeft deze getuige verklaard dat appellant een vrouw en een kind heeft. Hij kent appellant twee en een half jaar en zolang woont appellant met vrouw en kind twee straten verderop. De bovenbuurman

[A.] heeft verklaard dat hij weet dat op [nr. adres] een gezin woont, bestaande uit man, vrouw en drie kinderen. Dit gezin is in ongeveer 2003/2004 daar komen wonen. Hij ziet de man en de vrouw van het gezin vrijwel elke dag. Deze beide verklaringen zijn voldoende gedetailleerd en consistent, en voldoende duidelijk is waarop deze verklaringen zijn gebaseerd. [A.] heeft op 3 december 2009 bevestigd dat zijn eerder afgelegde verklaring juist is. Dat de collega en de buurman nooit bij appellanten thuis zijn geweest, betekent niet dat aan hun verklaring als collega respectievelijk buurman geen dan wel minder betekenis toekomt. Dat [A.] bij zijn tweede verklaring niet het exacte tijdstip kon aangeven waarop hij appellanten zag, maakt zijn verklaring, anders dan appellant meent, niet ongeloofwaardig.

4.6. Voorts heeft appellant bij zijn werkgever uitzendbureau [naam uitzendbureau], waar hij op 31 juli 2006 in dienst is getreden, als adres het adres van appellante opgegeven. Dit adres is tot zijn uitdiensttreding op 30 november 2008 niet gewijzigd. Vanaf 1 november 2008 is appellant werkzaam bij de [werkgever]. Ook daar heeft hij op dat moment het adres [adres] als zijn adres opgegeven en dit adres nadien niet meer gewijzigd. Verder heeft appellant in het kader van een strafrechtelijk verhoor op 27 november 2007 verklaard dat hij samenwoont met een vrouw bij wie hij drie kinderen heeft. Hij verblijft bij deze vriendin, [Appellante], op de [adres] en dit adres geldt ook als postadres. Dat appellant, zoals appellante heeft aangevoerd, zonder haar toestemming haar adres heeft gebruikt bij werkgevers en meerdere adressen als postadres gebruikt, doet geen afbreuk aan de inhoud van de hiervoor aangehaalde verklaringen. Ook de stelling van appellanten dat appellant belang had bij het opgeven van een stabiele verblijfplaats tegenover de politie respectievelijk dat hij het gemakkelijker vond een adres in Amsterdam op te geven, leidt er niet toe dat geen betekenis aan de afgelegde verklaringen kan worden gehecht.

4.7. Voor zover appellanten zich op het standpunt stellen dat appellant niet over een vast woonadres beschikte maar dat hij op verschillende adressen sliep en in elk geval niet zijn hoofdverblijf had op het adres van appellante maar dit alleen als postadres aanhield, wordt dit standpunt niet gevolgd. Voor wat betreft de verwijzing naar de verklaring van de zus van appellant waaruit blijkt dat hij ook op het adres van zijn zus in Haarlem sliep en de verklaring van zijn tante [L.], die volgens appellanten inhoudt dat appellant in betekenende mate van het adres van zijn tante gebruik maakte, onderschrijft de Raad het oordeel van de rechtbank en de overwegingen waarop dat oordeel rust, dat hierin geen grond is gelegen om tot een ander oordeel over het hoofdverblijf te komen. Er is geen aanleiding om aan de door de zus op 15 december 2009 afgelegde verklaring te twijfelen en de verklaring van de tante biedt onvoldoende aanknopingspunten dat appellant bij zijn tante zijn hoofdverblijf had in plaats van bij appellante op het adres [adres].

4.8. De rechtbank heeft haar oordeel niet gebaseerd op de waarnemingen bij de woning van appellante. Ook de Raad is van oordeel dat de overige onderzoeksbevindingen een toereikende grondslag bieden voor het gezamenlijk hoofdverblijf in de woning van appellante in de periode hier in geding. Dat betekent dat de vraag of de stelselmatige observaties rechtmatig waren, daargelaten welk gevolg daaraan zou moeten worden verbonden, buiten de beoordeling kan worden gelaten.

4.9. Voor de periode van 31 juli 2006 tot 18 maart 2007 moet ook zijn voldaan aan het criterium van wederzijdse zorg. Deze kan blijken uit een bepaalde mate van financiële verstrengeling tussen betrokkenen die verder gaat dan het uitsluitend delen van woonlasten en hiermee samenhangende lasten. Indien van een zodanige verstrengeling niet of slechts in zeer geringe mate sprake is, kunnen ook andere feiten en omstandigheden voldoende zijn om aan te nemen dat de betrokkenen in elkaars zorg voorzien. Daarbij is niet vereist dat de geboden zorg van weerszijden dezelfde omvang en intensiteit heeft. Een afweging van alle ten aanzien van betrokkenen gebleken feiten en omstandigheden, die niet van subjectieve aard zijn, zal bepalend zijn voor het antwoord op de vraag of in een concreet geval aan het zorgcriterium is voldaan.

4.10. De op 3 december 2009 afgelegde verklaringen van appellanten bieden een toereikende grondslag voor het oordeel dat in de periode die hier van belang is sprake was van wederzijdse zorg. Uit die verklaringen blijkt een zekere mate van financiële verstrengeling als bedoeld in 4.9. Appellant heeft, zoals blijkt uit de verklaring van appellante, aan haar voorgesteld een internetaansluiting bij KPN te betalen, waar zij mee heeft ingestemd. Appellante heeft gesteld dat de betaling van internet ten behoeve van de kinderen plaatsvond, maar het ging om een internet plus bellen basis pakket, te weten niet alleen internet maar ook telefoonkosten. Appellant bracht af en toe boodschappen mee, waaronder levensmiddelen waarvan appellanten met de kinderen gezamenlijk aten. Uit de verklaringen blijkt voorts dat ook anderszins sprake was van wederzijdse zorg. Zo deed appellant klusjes in huis, haalde hij de kinderen van school als appellante verhinderd was, stelde appellante haar fiets aan appellant ter beschikking en at appellant wel eens mee als appellante gekookt had. Ook kookte hij af en toe voor haar en de kinderen.

4.11. Appellant wordt niet gevolgd in zijn standpunt dat sprake is van een volstrekt willekeurige aanvang van de periode van terugvordering. Het college mocht voor de aanvang van de periode uitgaan van de datum waarop appellant het adres aan de [adres] als zijn adres bij zijn werkgever heeft opgegeven.

4.12. Appellante heeft nog aangevoerd dat het college bij het hanteren van de bevoegdheid tot terugvordering en ook al daaraan voorafgaand bij de bevoegdheid tot intrekking heeft gehandeld in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel, aangezien na het ontvangen van een anonieme tip op 16 januari 2008 het college eerst in september 2009 een onderzoek heeft ingesteld. Hierdoor is het terugvorderingsbedrag fors opgelopen en onder deze omstandigheden verzet het zorgvuldigheidsbeginsel zich tegen integrale terugvordering. Appellant heeft zich erop beroepen dat het college door het talmen en het daardoor onaanvaardbaar hoog oplopen van het terugvorderingsbedrag, zijn belangen ernstig heeft geschonden. De Raad volgt appellanten niet in hun stellingen. Het enkele feit dat het college eerst geruime tijd na ontvangst van de tip tot het instellen van een onderzoek is overgegaan maakt niet dat het op basis van dat onderzoek genomen besluit tot intrekking en tot (volledige) terugvordering in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel dan wel anderszins in strijd is met een in het algemeen rechtsbewustzijn levend beginsel van behoorlijk bestuur. Daarbij is van belang dat de intrekking en terugvordering in een geval als dit zijn gericht op herstel van de onrechtmatige toestand en dat het besluit tot intrekking en terugvordering dus een reparatoir karakter heeft. Appellante had zelf op elk moment aan het college kunnen melden dat zij met appellant een gezamenlijke huishouding voerde. Zij had kunnen en moeten begrijpen dat dit van invloed was op haar recht op bijstand. Voor zover bij haar al twijfel kon bestaan over de vraag of en wanneer sprake was van een gezamenlijke huishouding, had zij daarin aanleiding moeten zien om contact op te nemen met de gemeente om haar situatie voor te leggen en op dit punt duidelijkheid te verkrijgen.

4.13. Uit 4.1 tot en met 4.12 volgt dat de hoger beroepen niet slagen, zodat de aangevallen uitspraken voor bevestiging in aanmerking komen.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraken.

Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen als voorzitter en E.J. Govaers en Y.J. Klik als leden, in tegenwoordigheid van N.M. van Gorkum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 juli 2012.

(getekend) C. van Viegen

(getekend) N.M. van Gorkum

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding.

HD