Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX1690

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-07-2012
Datum publicatie
18-07-2012
Zaaknummer
11-610 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Maatregelen. Niet kan worden gezegd dat geen sprake is van een op de persoon toegesneden voorziening. Bij besluit 2 is geen maatregel met terugwerkende kracht opgelegd. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij op de dagen dat hij afwezig was zodanig arbeidsongeschikt was dat hij niet kon komen, zodat niet kan worden gezegd dat bij hem elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt. In wat appellant heeft aangevoerd wordt geen grond gezien voor het oordeel dat de maatregelen, gelet op de ernst van de gedragingen, de mate waarin appellant die gedragingen kunnen worden verweten en de omstandigheden waarin hij verkeert, dienen te worden gematigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2012/161
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/610 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 13 december 2010, 10/906 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Groningen (college)

Datum uitspraak: 17 juli 2012

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. F. Bakker, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is gevoegd met de zaken met de reg. nrs. 10/2873, 11/611 en 11/612 tussen dezelfde partijen. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 juni 2012. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Bakker. Het college heeft zich, zoals tevoren bericht, niet laten vertegenwoordigen. In deze zaak wordt heden afzonderlijk uitspraak gedaan.

OVERWEGINGEN

1. Voor een overzicht van in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar zijn uitspraken van heden tussen dezelfde partijen met de reg.nrs. 10/2873, 11/611 en 11/612. Hij volstaat hier met het volgende.

1.1. Appellant ontving bijstand en voor hem golden in de periode hier van belang de verplichtingen tot arbeidsinschakeling als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Wet werk en bijstand (WWB). Het college heeft de bijstand van appellant verscheidene keren verlaagd omdat appellant niet voldeed aan de hem opgelegde arbeidsverplichtingen.

1.2. Ter zitting van de voorzieningenrechter van de rechtbank op 28 oktober 2009 hebben appellant, zijn toenmalige gemachtigde en een gemachtigde van het college afgesproken om, teneinde uit de ontstane impasse te komen, met elkaar in gesprek te gaan en de mogelijkheden voor appellant te onderzoeken om terug te keren naar de arbeidsmarkt. Verder is overeengekomen dat het college appellant een voorschot verleent. Hierop heeft appellant zijn verzoek om een voorlopige voorziening te treffen ingetrokken. Partijen hebben vervolgens afgesproken dat appellant wordt aangemeld bij het Centrum Vakopleiding en dat appellant op 30 november 2009 begint bij EWAS.

1.3. Op 30 november 2009 is appellant niet begonnen bij EWAS. Appellant heeft zich telefonisch afgemeld. Als reden heeft hij opgegeven dat hij net zijn voorschot had ontvangen en betalingen wilde doen. Nadat hij op 1 en 2 december 2009 bij EWAS heeft gewerkt, heeft hij zich op 3 december 2009 ziek gemeld. Op 7, 8 en 10 december 2009 is appellant ook niet verschenen bij EWAS. Omdat appellant die week bij diverse huisbezoeken niet thuis is aangetroffen, heeft het college hem bij brief opgeroepen om zich op 14 december 2009 om 7.40 uur te melden bij Springplank. Appellant is daar niet verschenen.

1.4. Bij besluit van 16 december 2009 (besluit 1) heeft het college de bijstand van appellant met ingang van 1 januari 2010 voor de duur van een maand met 50% verlaagd. Aan dit besluit ligt ten grondslag dat appellant zich niet houdt aan de gemaakte afspraken ten aanzien van zijn traject bij EWAS en daardoor niet meewerkt aan zijn re-integratie.

1.5. Op 8 maart 2010 kon appellant beginnen met zijn (las)opleiding bij het Centrum Vakopleiding bij het Noorderpoortcollege. Die dag heeft appellant zich ziek gemeld. Op 16 maart 2010 heeft hij zich beter gemeld, maar de volgende dag, op 17 maart 2010, heeft hij zich opnieuw ziek gemeld. Bij een huisbezoek door verzuimcontroleurs op 30 maart 2010 is appellant niet aangetroffen. Het Noorderpoortcollege heeft de DSW medegedeeld dat appellant die maand zes dagdelen aanwezig is geweest terwijl dat 20 hadden moeten zijn.

1.6. Het college heeft vervolgens bij besluit van 31 maart 2010 (besluit 2) de bijstand van appellant met ingang van 8 maart 2010 voor de duur van een maand met 100% verlaagd. Hieraan is ten grondslag gelegd dat appellant zich vanaf 8 maart 2010 tot twee keer toe ziek heeft gemeld, dit niet bij de DSW heeft gemeld, op 30 maart 2010 ook niet thuis is aangetroffen, en tot nu toe slechts zes dagdelen bij het Noorderpoortcollege is verschenen.

1.7. Bij e-mailberichten van 20 en 21 april 2010 heeft het Noorderpoortcollege een medewerker van de DSW laten weten dat appellant zich op 20 april 2010 weer heeft gemeld op de school. Op 19 april 2010 had appellant zich verslapen en hij had het niet nodig gevonden om nog te bellen omdat het al 11.00 uur was. Appellant is verder afwezig geweest op 6 en 7 april 2010.

1.8. Bij besluit van 21 april 2010 (besluit 3) heeft het college de bijstand van appellant met ingang van 1 mei 2010 voor een maand verlaagd met 100%, omdat appellant ook in april 2010 veelvuldig verzuim heeft getoond ten aanzien van zijn opleiding bij het Noorderpoortcollege.

1.9. Bij besluit van 30 juli 2010 (bestreden besluit) heeft het college de bezwaren tegen de drie besluiten ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, zelf in de zaak voorzien en bepaald dat de verlagingen van de bijstand met betrekking tot de maanden januari 2010, maart 2010 en mei 2010 worden vastgesteld op 40%, dat haar uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluiten en dat proceskosten en griffierecht worden vergoed. De rechtbank heeft geoordeeld dat appellant zich schuldig heeft gemaakt aan maatregelwaardige gedragingen en dat het college terecht heeft geoordeeld dat sprake is van recidive.

Met betrekking tot besluit 1 heeft de rechtbank overwogen dat het college de gedraging terecht heeft gewaardeerd als een gedraging als bedoeld in artikel 9, derde lid, aanhef en onder a, van de Maatregelenverordening (verordening), maar dat het college heeft verzuimd te motiveren waarom een maatregel van 50% is opgelegd in plaats van 40%.

Ten aanzien van de besluiten 2 en 3 heeft de rechtbank geoordeeld dat het college de gedragingen ten onrechte heeft gekwalificeerd als een gedraging vallend onder de vierde categorie van artikel 9 van de verordening, omdat niet kan worden gezegd dat appellant helemaal niet heeft meegewerkt aan de trajectbemiddeling. Het gaat volgens de rechtbank om gedragingen van de derde categorie van artikel 9 van de verordening, waarbij door recidive een verlaging van 40% past.

3. Appellant heeft zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad overweegt het volgende.

4.1. Appellant heeft ter zitting verklaard de gedragingen die hem worden verweten niet te betwisten. In het bijzonder tegen besluit 1 heeft hij aangevoerd dat het college met het traject van EWAS en de lasopleiding geen maatwerk heeft geleverd.

4.1.1. Uit 1.2 en de gedingstukken blijkt dat dit traject is gekozen in samenspraak met appellant en zijn gemachtigde, waarbij rekening is gehouden met de wensen van appellant. Onder deze omstandigheden kan niet worden gezegd dat geen sprake is van een op de persoon toegesneden voorziening.

4.2. Appellant heeft verder betoogd dat aan hem bij besluit 2 een maatregel is opgelegd met terugwerkende kracht, omdat de verlaging van de bijstand per 8 maart 2010 eerder is ingegaan dan de datum waarop de verweten gedraging zich heeft voorgedaan, namelijk 30 maart 2010.

4.2.1. Anders dan appellant meent heeft het college hem bij besluit 2 niet alleen verweten dat hij bij een huisbezoek door verzuimcontroleurs op 30 maart 2010 niet thuis is aangetroffen, maar ook dat hij zich op de eerste dag dat hij bij EWAS zou beginnen, te weten op 8 maart 2010, ziek heeft gemeld en zich daarna nog twee keer heeft ziek gemeld zonder dit te melden bij de DSW. De grond slaagt dan ook niet.

4.3. Appellant heeft vervolgens aangevoerd dat hem door ziekte geen verwijt kan worden gemaakt van het niet of onvoldoende gebruik maken van de aangeboden voorziening.

4.3.1. Zoals appellant ter zitting heeft verklaard, heeft hij geen medische verklaring of andere stukken overgelegd ter ondersteuning van zijn standpunt. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij op de dagen dat hij afwezig was zodanig arbeidsongeschikt was dat hij niet kon komen, zodat niet kan worden gezegd dat bij hem elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.

4.4. In wat appellant heeft aangevoerd wordt geen grond gezien voor het oordeel dat de maatregelen, gelet op de ernst van de gedragingen, de mate waarin appellant die gedragingen kunnen worden verweten en de omstandigheden waarin hij verkeert, dienen te worden gematigd.

4.5. Uit 4.1 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, moet worden bevestigd.

4.6. Aangezien het hoger beroep niet slaagt, wordt het verzoek van appellant om het college te veroordelen tot vergoeding van schade afgewezen.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten in hoger beroep bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman als voorzitter en W.H. Bel en A.M. Overbeeke als leden, in tegenwoordigheid van J. van Dam als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 juli 2012.

(get.) J.C.F. Talman.

(get.) J. van Dam.

HD