Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX1676

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-07-2012
Datum publicatie
18-07-2012
Zaaknummer
10-5226 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking woonkostentoeslag. Het besluit, waarin de verplichting om in 2009 op zoek te gaan naar goedkopere woonruimte is opgenomen, is in rechte onaantastbaar geworden. Dit betekent dat de juistheid van het opleggen van die verplichting niet meer ter discussie kan worden gesteld. Weliswaar vormt de door betrokkenen ingebrachte informatie een indicatie dat het voor betrokkene moeilijk was en is om goedkopere en voor hem geschikte woonruimte te vinden, maar dat betekent niet dat hij niet hoefde te voldoen aan de hem opgelegde verplichting om op zoek te gaan naar dergelijke woonruimte. Dat betrokkene was - en is - aangewezen op mantelzorg, maakt dit niet anders. De rechtbank dit niet onderkend. Vernietiging aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten. In het geval van betrokkene moeten de in 2010 voor zijn rekening komende woonlasten niet tot de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten worden gerekend. De rechtsgevolgen van het door de rechtbank vernietigde bestreden besluit blijven in stand.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/5226 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 23 augustus 2010, 10/2189 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

het college van burgemeester en wethouders van Tilburg (appellant)

[betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

Datum uitspraak: 17 juli 2012

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Betrokkene heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 mei 2012. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C.G. Smout. Betrokkene is verschenen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Betrokkene woont in een koopwoning te Tilburg. Zijn partner heeft hem in augustus 2008 verlaten. Om die reden heeft betrokkene op 14 januari 2009 een aanvraag gedaan om bijzondere bijstand in de vorm van een woonkostentoeslag (woonkostentoeslag), omdat zijn hypotheeklasten te hoog waren in verhouding tot zijn uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering. Bij besluit van 14 april 2009 heeft appellant, onder verwijzing naar zijn beleid ten aanzien van bijzondere bijstand, betrokkene een woonkostentoeslag toegekend van € 385,59 per maand voor de periode van 1 januari 2009 tot en met 31 december 2009. Daarbij heeft appellant vermeld dat de woonkostentoeslag voor maximaal één jaar wordt verstrekt en dat betrokkene tijdens dit jaar verplicht is om op zoek te gaan naar goedkopere woonruimte. Betrokkene heeft tegen dit besluit geen bezwaar gemaakt.

1.2. Betrokkene heeft op 13 januari 2010 een ‘heronderzoeksformulier bijzondere bijstand’ ingevuld en financiële gegevens ingeleverd in het kader van een onderzoek van de dienst sociale zaken van de gemeente Tilburg naar eventuele voortzetting van de woonkostentoeslag. Bij besluit van 15 februari 2010 heeft appellant besloten de woonkostentoeslag na 31 december 2009 niet voort te zetten op de grond dat betrokkene niet heeft voldaan aan de hem bij het besluit van 14 april 2009 opgelegde verplichting om goedkopere woonruimte te zoeken.

1.3. Tegen dit besluit heeft betrokkene bezwaar gemaakt. In de gronden van zijn bezwaar heeft betrokkene, onder verwijzing naar onder meer schriftelijke verklaringen van zijn behandelend internist van 9 maart 2010 (verklaring 1) en van Geleidehondenopleiding Ans L’abee van 16 maart 2010 (verklaring 2), gemotiveerd uiteengezet dat en waarom het zoeken naar andere woonruimte voor hem geen optie is. Deze uiteenzetting houdt, samengevat en voor zover van belang, het volgende in. Betrokkene lijdt aan diabetes en kan bij lage bloedsuikers zogeheten hypo’s krijgen. Hij kan dan het bewustzijn verliezen. Als gevolg van diabetes is betrokkene blind geworden, worden zijn nieren en zenuwen aangetast en verkalken zijn bloedvaten. Hij heeft inmiddels twee niertransplantaties achter de rug. Als gevolg van medicijngebruik sterft zijn botweefsel af, wat al is gebeurd met een voetwortelbeentje, en is betrokkene gevoelig voor infecties. Betrokkene is in verband met zijn hypo’s en zijn lichamelijke gesteldheid aangewezen op een sociaal netwerk van buren. Zijn buurvrouw weet door haar werk om te gaan met lage bloedsuikers. Zij houdt betrokkene een beetje in de gaten en kan, indien nodig, een levensreddende glucagonspuit zetten. Voor het leven van alledag is betrokkene afhankelijk van mantelzorg, in zijn geval burenhulp. Hij heeft gedurende de helft van de week de zorg voor zijn twee opgroeiende kinderen. Om buitenshuis vrij te kunnen bewegen heeft betrokkene een geleidehond. Wat hem wat betreft deze hond boven het hoofd hangt, blijkt uit verklaring 2. Daarin staat onder meer het volgende. Betrokkene heeft keihard gewerkt om met zijn huidige geleidehond goed te functioneren. Gezien zijn huidige, grote medische problemen ziet de geleidehondenopleiding het zo goed als niet mogelijk om bij verhuizing van betrokkene dat zware traject opnieuw met betrokkene in te gaan. Verklaring 1 luidt, voor zover hier van belang, als volgt: “Het is voor [betrokkene] van wezenlijk belang dat zijn nierfunctie en diabetes goed gereguleerd en scherp ingesteld zijn. Dit ter voorkoming van afstoting van de transplantatienier en als gevolg hiervan dialyse. Van te lage bloedsuikers kan hij echter in coma raken. Hierdoor is [betrokkene] afhankelijk van de (mantel)zorg van mensen in zijn directe omgeving, zoals zijn buurvrouw, die zijn situatie goed kennen en hem in tijden van nood acuut kunnen bijstaan en helpen, een zogenaamd sociaal vangnet. Dit vangnet is in de loop van vele jaren opgebouwd en indien [betrokkene] zou moeten verhuizen zou deze hulp hem ontvallen, wat voor hem wel eens fataal zou kunnen blijken. (…) Als zijn behandelend internist kan ik u mededelen dat een verhuizing van [betrokkene] naar een voor hem onbekende omgeving medisch zeer ongewenst is (…).”

1.4. Hangende bezwaar heeft de bezwaarschriftencommissie het bezwaar van betrokkene aangehouden om na te gaan of er een alternatieve oplossing is. In dat kader is de mogelijkheid onderzocht om betrokkene via woonbemiddeling vanuit de afdeling Wmo te laten verhuizen binnen zijn wijk. Volgens een aan de bezwaarschriftencommissie gerichte notitie van 15 april 2010 heeft een medewerker van Team Voorzieningen Gehandicapten aangegeven dat betrokkene bij het zoeken naar andere woonruimte kan worden geholpen door de afdeling Wmo. In dezelfde notitie staat dat betrokkene, samengevat, het volgende heeft laten weten. Als hij bij hypo’s niet wordt geholpen, ontstaat er voor hem een levensgevaarlijke situatie. In dit soort situaties wordt hij door zijn directe buren geholpen. Door een verhuizing, ook in de buurt, valt dit sociale netwerk weg dat zo belangrijk is voor zijn veiligheid. Om die reden is een verhuizing niet mogelijk.

1.5. Bij besluit van 22 april 2010 (bestreden besluit) heeft appellant het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van 15 februari 2010 ongegrond verklaard. Daartoe heeft appellant, voor zover van belang, het volgende overwogen: “in het beleid van appellant is opgenomen dat bijzondere bijstand in woonlasten voor maximaal de periode van een jaar kan worden toegekend onder de aan betrokkene opgelegde verplichting om naar goedkopere woonruimte te zoeken en daar dan ook zo spoedig mogelijk naar te verhuizen. De toegekende woonkostentoeslag kan na een jaar worden verlengd als uit onderzoek blijkt dat ondanks dat betrokkene naar andere woonruimte heeft gezocht hij dit nog niet heeft kunnen vinden. U heeft aangegeven dat u bekend was met de verplichting om naar goedkopere woonruimte te zoeken. U heeft aan deze verplichting niet voldaan. U heeft daartoe aangevoerd dat van u vanwege uw ziekte niet verlangd kan worden dat u naar andere woonruimte zoekt en dat u in uw huidige woning wilt blijven wonen. Op grond van het gemeentelijk beleid zoals dit hierboven is aangegeven is dat niet mogelijk.” Vervolgens heeft appellant in het bestreden besluit de in de notitie van 15 april 2010 geschetste gang van zaken uiteengezet en geconcludeerd dat betrokkene onder deze omstandigheden op grond van het gemeentelijk beleid geen recht heeft op een woonkostentoeslag.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat bestreden besluit vernietigd, het besluit van 15 februari 2010 herroepen, aan betrokkene voor 2010 een woonkostentoeslag van € 426,06 per maand toegekend en bepaald dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit. De rechtbank heeft daartoe in de eerste plaats overwogen dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd, omdat in dat besluit slechts is verwezen naar, en getoetst aan, het eigen beleid van appellant en niet aan de hand van artikel 35 van de Wet werk en bijstand (WWB) is beoordeeld of betrokkene recht heeft op bijzondere bijstand. Vervolgens heeft de rechtbank aan de hand van artikel 35 van de WWB beoordeeld of betrokkene over het jaar 2010 recht heeft op bijzondere bijstand. Daarbij heeft de rechtbank vastgesteld dat de kosten waar het hier om gaat zich voordoen en geoordeeld dat deze kosten in het geval van betrokkene noodzakelijk zijn en voortvloeien uit bijzondere omstandigheden. Daartoe heeft de rechtbank het volgende overwogen (waarbij voor verweerder appellant moet worden gelezen en voor eiser betrokkene): “Het beleid van verweerder om een verhuisplicht op te leggen acht de rechtbank niet onredelijk. Verweerder mag in beginsel van iemand verlangen dat iemand die bijzondere bijstand voor woonkosten aanvraagt op zoek gaat naar woonruimte die past bij zijn inkomen. In het concrete geval van eiser acht de rechtbank echter voldoende aannemelijk gemaakt dat van hem, gezien zijn medische situatie, niet verlangd kan worden dat hij verhuist, omdat hij te zeer afhankelijk is van zijn huis en woonomgeving, waaronder burenhulp. Daarbij heeft de rechtbank in het bijzonder waarde gehecht aan de verklaringen van de internist en de geleidehonden-opleiding.” Ten slotte heeft de rechtbank vastgesteld dat betrokkene de woonkosten niet kan voldoen uit zijn vermogen en inkomen en, gelet op zijn draagkracht, over 2010 recht heeft op een woonkostentoeslag van € 426,06 per maand.

3.1. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd voor zover de rechtbank daarbij zelf in de zaak heeft voorzien en in dat kader heeft geoordeeld dat van betrokkene niet kan worden verlangd dat hij verhuist. Appellant heeft, samengevat, het volgende aangevoerd. Van betrokkene kan worden verlangd dat hij, ondanks zijn slechte gezondheid, omziet naar goedkopere woonruimte. De gemeente kan actief bemiddelen bij het zoeken naar goedkopere woonruimte. Door de uitspraak van de rechtbank wordt aan betrokkene bijzondere bijstand in de woonlasten van zijn koopwoning verstrekt zonder dat daaraan enige voorwaarde is verbonden. Dit heeft tot gevolg dat aan betrokkene gedurende een onbepaalde periode een woonkostentoeslag moet worden verstrekt.

3.2. Betrokkene heeft bij wijze van ‘tegeneis’ verzocht om appellant te veroordelen tot vergoeding van schade, bestaande uit de door appellant verschuldigde termijnen van de woonkostentoeslag en de wettelijke rente daarover.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Het besluit van 14 april 2009, waarin de verplichting om in 2009 op zoek te gaan naar goedkopere woonruimte is opgenomen, is in rechte onaantastbaar geworden. Dit betekent dat de juistheid van het opleggen van die verplichting niet meer ter discussie kan worden gesteld.

4.2. Tussen partijen is niet in geschil dat betrokkene vanwege zijn gezondheidssituatie is aangewezen op hulp van zijn directe sociale omgeving, onder wie zijn buren, en dat dit ook zo was in de periode waarin appellant op zoek moest gaan naar goedkopere woonruimte. Dit blijkt uit de door betrokkene in bezwaar verstrekte informatie, zoals verwoord in 1.3, die appellant op zichzelf ook niet betwist. Weliswaar vormt deze informatie een indicatie dat het voor betrokkene moeilijk was en is om goedkopere en voor hem geschikte woonruimte te vinden, maar dat betekent niet dat hij niet hoefde te voldoen aan de hem opgelegde verplichting om op zoek te gaan naar dergelijke woonruimte. Dat betrokkene was - en is - aangewezen op mantelzorg, maakt dit niet anders. Immers, ondanks de door betrokkene opgeworpen problemen bij een verhuizing naar een andere woning, gold die zoekverplichting voor hem onverkort.

4.3. De rechtbank heeft hetgeen is overwogen in 4.2 niet onderkend. De aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, komt daarom voor vernietiging in aanmerking.

4.4. De rechtbank heeft het bestreden besluit vernietigd. Nu het hoger beroep zich niet richt tegen dat gedeelte van de aangevallen uitspraak, dient de Raad aansluitend te bezien welk vervolg aan deze uitkomst wordt gegeven. In dit verband wordt het volgende overwogen.

4.5. Uit hetgeen is overwogen in 4.2 volgt dat betrokkene al vanaf 2009 op zoek had kunnen, en ook moeten gaan naar goedkopere woonruimte, en in ieder geval in bezwaar de bereidheid had moeten tonen mee te werken aan het aanbod om van gemeentewege actief te bemiddelen bij het zoeken naar goedkopere woonruimte. Betrokkene heeft zich echter van meet af aan op het standpunt gesteld dat het voor hem, gezien de situatie waarin hij verkeert, niet mogelijk is om naar een andere woning te verhuizen. Vast staat dat hij in 2009 geen inspanningen heeft verricht om aan goedkopere woonruimte te komen. Ook staat vast dat betrokkene niet is ingegaan op het hiervoor bedoelde bemiddelingsaanbod. Eerst ter zitting van de Raad heeft betrokkene kenbaar gemaakt bereid te zijn om mee te werken aan het zoeken naar een andere woning, mits een woning in de directe omgeving van zijn huidige woning wordt gezocht waar dezelfde mate van hulp/veiligheid kan worden gegarandeerd als hij nu heeft en tevens ruimte biedt aan zijn minderjarige kind dat voor een gedeelte van de week bij hem verblijft. Hoewel appellant daarop instemmend heeft gereageerd, en met partijen ter zitting is besproken dat één en ander ertoe kan leiden dat appellant betrokkene over 2011 en 2012 wel weer een woonkostentoeslag verstrekt, biedt dit voor betrokkene voor het jaar 2010 geen soelaas.

4.6. Uit hetgeen is overwogen in 4.5 volgt dat in het geval van betrokkene de in 2010 voor zijn rekening komende woonlasten niet tot de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten moeten worden gerekend, als bedoeld in artikel 35, eerste lid, van de WWB. Gelet hierop ziet de Raad aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht de rechtsgevolgen van het door de rechtbank vernietigde bestreden besluit in stand te laten.

4.7. Reeds omdat betrokkene zelf geen hoger beroep heeft ingesteld tegen de aangevallen uitspraak is er geen aanleiding om appellant te veroordelen tot vergoeding van schade.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

-vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;

-bepaalt dat de rechtsgevolgen van het door de rechtbank vernietigde besluit van 22 april 2010 in stand blijven;

-wijst het verzoek van betrokkene om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door W.F. Claessens als voorzitter en J.P.M. Zeijen en C.H. Bangma als leden, in tegenwoordigheid van J. van Dam als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 juli 2012.

(getekend) W.F. Claessens

(getekend) J. van Dam

HD