Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX1649

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-07-2012
Datum publicatie
18-07-2012
Zaaknummer
09-5194 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking bijstand en terugvordering. Tussen partijen is niet in geschil dat appellant in de hier te beoordelen periodes als keyboardspeler deel uitmaakte van de muziekband. Gezien de aard, de locaties en de frequentie van de optredens van de band en de omvang van de periode moet worden gesproken van op geld waardeerbare activiteiten. Appellant was verplicht om hiervan melding te maken bij het college. Een schending van de inlichtingenverplichting levert een rechtsgrond op voor intrekking van de bijstand, indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of, en zo ja in hoeverre, de betrokkene verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden. Appellanten zijn er niet in geslaagd om aannemelijk te maken dat, als wel aan de inlichtingenverplichting was voldaan, in de betreffende periodes recht op bijstand bestond. Er is geen sprake van dringende redenen om van terugvordering af te zien.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2012/162
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/5194 WWB, 09/5195 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 25 augustus 2009, 08/3661 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] (appellant) en [appellante] (appellante) te [woonplaats]

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)

Datum uitspraak: 17 juli 2012

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. C.J. Driessen, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 juni 2012. Appellanten zijn verschenen, bijgestaan door mr. Driessen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door A. Dinç.

OVERWEGINGEN

1. Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

1.1. Appellant ontving laatstelijk sinds 4 september 2006 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande. Met ingang van 1 januari 2008 is de bijstand in verband met zijn huwelijk met appellante gewijzigd naar de norm voor gehuwden.

1.2. Bij besluit van 15 mei 2008 heeft het college de bijstand van appellant herzien (lees: ingetrokken) over de periode van 1 november 2007 tot en met 31 december 2007 en de gemaakte kosten van bijstand over die periode van hem teruggevorderd tot een bedrag van € 2.057,91 bruto. Bij besluit van eveneens 15 mei 2008 heeft het college de bijstand van appellanten over de periode van 1 januari 2008 tot en met 31 maart 2008 ingetrokken en de gemaakte kosten van bijstand over die periode van appellanten teruggevorderd tot een bedrag van € 3.603,15 netto. Deze besluiten berusten op het standpunt van het college dat appellant werkzaamheden heeft verricht met de muziekband [naam muziekband] (muziekband) waarvan de inkomsten niet te verifiëren zijn. Hierdoor is het recht op bijstand niet vast te stellen.

1.3. Bij besluit van 2 september 2008 (bestreden besluit) zijn de tegen de besluiten van 15 mei 2008 gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het college terecht heeft gesteld dat de activiteiten van appellant als lid van een muziekband op geld waardeerbaar zijn en dat niet kan worden gesproken van slechts hobbymatige activiteiten. Gelet hierop had van appellanten verwacht mogen worden dat zij deze activiteiten aan het college zouden melden. Dat zij dit niet hebben gedaan komt voor hun risico. De rechtbank heeft niet aannemelijk geacht dat appellant met zijn band uitsluitend € 60,-- per avond en een kilometervergoeding ontving.

3. In hoger beroep hebben appellanten zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Daartoe is, samengevat, aangevoerd dat appellant zich wel degelijk slechts hobbymatig met muziekactiviteiten heeft beziggehouden, dat hij voor die activiteiten alleen een onkostenvergoeding ontving en dat hij de inlichtingenverplichting niet heeft geschonden. De rechtbank heeft volgens appellanten niet onderbouwd waarom de opgegeven vergoeding niet aannemelijk is. Voorts heeft de rechtbank geen acht geslagen op de bijzondere individuele omstandigheden van het geval. Tot slot is nog gewezen op de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam van 11 juni 2008, waarin is geoordeeld dat een nader onderzoek had moeten worden ingesteld.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling, waarbij hij voor het in dit geding van belang zijnde wettelijk kader verwijst naar de aangevallen uitspraak.

4.1. Tussen partijen is niet in geschil dat appellant in de hier te beoordelen periodes als keyboardspeler deel uitmaakte van de muziekband. Uit het door appellant zelf ingezonden overzicht blijkt dat deze muziekband in de in geding zijnde periode van vijf maanden 34 keer een optreden had. Gezien de aard, de locaties en de frequentie van deze optredens en de omvang van de periode moet worden gesproken van op geld waardeerbare activiteiten. Appellant was verplicht om hiervan melding te maken bij het college. Een schending van de inlichtingenverplichting levert een rechtsgrond op voor intrekking van de bijstand, indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of, en zo ja in hoeverre, de betrokkene verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden. Het is dan aan de betrokkene om aannemelijk te maken dat in het geval wel aan de inlichtingenverplichting zou zijn voldaan over de betreffende periode recht op (aanvullende) bijstand bestond.

4.2. Appellanten zijn er niet in geslaagd om aannemelijk te maken dat, als wel aan de inlichtingenverplichting was voldaan, in de betreffende periodes recht op bijstand bestond. De stelling van appellant dat de band voor een avond optreden slechts een vergoeding van € 60,-- voor de verblijfkosten van de drie bandleden en een reiskostenvergoeding van € 0,40 per kilometer ontving, wordt alleen bevestigd door een van de andere bandleden en door een bemiddelaar die in de maanden februari en maart 2008 enkele optredens bij Partycentrum [naam partycentrum] in Rotterdam regelde. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat deze verklaringen niet toereikend zijn om de stelling van appellant over de ontvangen vergoeding te onderbouwen. Er zijn geen verklaringen overgelegd van personen die de band hebben ingehuurd voor een optreden en daarvoor hebben betaald. Voorts ontbreekt een deugdelijke administratie. Gelet op de onder 4.1 weergegeven, op appellant rustende bewijslast heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat verweerder van nader onderzoek heeft kunnen afzien. Het oordeel van de voorzieningenrechter - waarop appellanten zich nog hebben beroepen - is een voorlopig oordeel en niet bindend in de bodemprocedure.

4.3. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd over hun financiële situatie en het feit dat zij gebruik maken van een schuldsaneringstraject liggen geen dringende redenen besloten op grond waarvan het college had moeten afzien van gehele of gedeeltelijke terugvordering.

4.4. Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen als voorzitter en E.J. Govaers en Y.J. Klik als leden, in tegenwoordigheid van N.M. van Gorkum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 juli 2012.

(getekend) C. van Viegen

(getekend) N.M. van Gorkum

HD