Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX1592

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-07-2012
Datum publicatie
16-07-2012
Zaaknummer
10-5596 WW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

(Verzwarende) maatregel: korting WW-uitkering met 50% gedurende vier maanden.

Wetsverwijzingen
Werkloosheidswet 26
Maatregelenbesluit UWV 2
Maatregelenbesluit UWV 5
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2012/265
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/5596 WW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 8 september 2010, 10/327 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 13 juli 2012

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R.G. Groen, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 maart 2012. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W. de Rooy-Bal.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Aan appellant is met ingang van 2 maart 2009 een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) toegekend.

1.2. Bij besluit van 27 juli 2009 heeft het Uwv die uitkering bij wijze van maatregel met ingang van 20 juli 2009 gekort met 50% gedurende vier maanden. Aan dit besluit heeft het Uwv ten grondslag gelegd dat appellant niet heeft voldaan aan zijn verplichtingen op grond van de WW en dat dit hem in hoge mate is aan te rekenen. Bij besluit van 9 december 2009 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit gegrond verklaard en dit besluit vernietigd, wegens gebreken in de motivering ervan. Zij heeft onder toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand gelaten en beslissingen gegeven over de proceskosten en het griffierecht.

2.1. Oordelend over de door appellant aangevoerde beroepsgronden heeft de rechtbank op basis van de gedingstukken overwogen dat appellant zijn verplichtingen op grond van artikel 26, eerste lid, onder e, van de WW, tot het meewerken aan activiteiten gericht op de inschakeling in de arbeid, niet is nagekomen. Ingevolge artikel 27 van de WW, in samenhang met artikel 2 en 5 van het Maatregelenbesluit socialezekerheidswetten is het Uwv in verband met de door het Uwv in aanmerking genomen gedragingen van appellant gehouden een maatregel van de derde categorie op te leggen, welke neerkomt op een korting van 25% van het uitkeringsbedrag, gedurende tenminste vier maanden. De rechtbank heeft het Uwv bevoegd geacht toepassing te geven aan deze bepalingen.

2.2. Het Uwv heeft volgens de rechtbank in voldoende mate aangetoond dat appellant in elk geval op drie hem bekende afspraken met een vervoersonderneming onderscheidenlijk een re-integratiebedrijf zonder bericht niet is verschenen. Die afspraken waren gericht op inschakeling van arbeid. Anders dan appellant stelt, biedt het feit dat hij thuis geen email kan lezen, geen rechtvaardiging voor het niet nakomen van deze afspraak, aldus de rechtbank. Nog daargelaten dat hij in dat geval geacht wordt elders zijn email te lezen, is hij voor de betreffende afspraken telefonisch dan wel per brief uitgenodigd. De rechtbank heeft geoordeeld dat appellant dusdoende verwijtbaar heeft gehandeld.

2.3. Vervolgens heeft de rechtbank onderzocht of de verzwaring van de maatregel naar een verlaging van de uitkering met 50% gedurende vier maanden de rechterlijke toetsing kon doorstaan. Daartoe heeft zij de in geding zijnde maatregel getoetst aan het beleid van het Uwv ten aanzien van de uitvoering van het Maatregelenbesluit socialezekerheidswetten, neergelegd in de Beleidsregel maatregelen UWV (de Beleidsregel). In artikel 3, derde lid, onder d, van de Beleidsregel is bepaald dat sprake is van verhoogde ernst of verwijtbaarheid als het niet naleven van de verplichting buitengewoon nadelige gevolgen heeft gehad voor de re-integratie van de betrokkene. In de bij deze Beleidsregel behorende toelichting is opgenomen dat indien als gevolg van het niet naleven van de verplichting er aanzienlijke vertraging is opgetreden bij de re-integratie, dit reden kan zijn voor toepassing van een verhoogd maatregelpercentage. In artikel 7, eerste lid, van de Beleidsregel is bepaald dat bij verhoogde ernst of verwijtbaarheid de hoogte van de maatregel wordt vastgesteld op 50%.

2.4. De rechtbank heeft geoordeeld dat vast is komen te staan dat appellant binnen een termijn van twee weken vier keer zonder afmelding niet op afspraken is verschenen, waarvan drie keer voor eenzelfde afspraak, namelijk een intakegesprek bij het re-integratiebedrijf. Als reden voor het niet verschijnen bij die afspraken heeft appellant, blijkens het meldingsformulier, vermeld dat hij het was vergeten. Nu dit gedrag van appellant voor het re-integratiebedrijf reden is geweest de begeleiding te beëindigen, is het voldoende aannemelijk dat het gedrag van appellant heeft geleid tot aanzienlijke vertraging bij zijn re-integratie. Daarom kon de maatregel de toetsing van de rechtbank doorstaan.

3. Appellant bestrijdt de aangevallen uitspraak voor zover daarbij de rechtsgevolgen van het bestreden besluit door de rechtbank geheel in stand zijn gelaten. De gronden die hij heeft aangevoerd zijn gelijk aan die welke hij in eerste aanleg naar voren heeft gebracht.

4. De Raad stelt vast dat het bestreden besluit voldoet aan de toepassingsvoorwaarden die zijn neergelegd in de in 2.1 vermelde artikelen van het Maatregelenbesluit, alsmede aan de in de Beleidsregel vermelde norm ter zake. De Raad onderschrijft de overwegingen van de rechtbank zoals samengevat in 2.1 tot en met 2.4. Dit betekent dat de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten zal worden bevestigd.

5. Er is geen aanleiding voor het uitspreken van een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom als voorzitter en I.M.J. Hilhorst-Hagen en C.P.M. van de Kerkhof als leden, in tegenwoordigheid van I.J. Penning als griffier.

De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 juli 2012.

(get.) T. Hoogenboom.

(get.) I.J. Penning.

EK