Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX1581

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-06-2012
Datum publicatie
19-07-2012
Zaaknummer
11-327 Wajong
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering Wajong-uitkering. Appellant heeft zich op het standpunt gesteld dat ter zake van die laattijdige aanvraag geen sprake is van een bijzonder geval op grond waarvan de gevraagde uitkering vroeger zou kunnen ingaan dan een jaar voor de dag waarop de aanvraag is ingediend. Dit standpunt, dat van de zijde van betrokkene niet is betwist, wordt juist geacht. In een dergelijke situatie kan - in eerste instantie - als de te beoordelen datum worden aangehouden de datum, gelegen een jaar voor de datum van de aanvraag van de uitkering en daarmee kan vervolgens worden volstaan in de situatie dat de beoordeling op die datum uitwijst dat de mate van arbeidsongeschiktheid minder dan 25% was. Vernietiging aangevallen uitspraak. De medische en arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit wordt juist geacht. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/327 Wajong

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 9 december 2010, 09/5274 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (appellant)

[A. te B.] (betrokkene)

Datum uitspraak: 22 juni 2012

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. C.A.J. de Roy van Zuydewijn, advocaat, een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 mei 2012. Appellant was vertegenwoordigd door mr. drs. F.M. Steeman. Betrokkene is met voorafgaand bericht niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1. Het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de bepalingen van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong), zoals die luidden tot 1 januari 2010.

2. Bij besluit van 5 oktober 2009 (bestreden besluit) heeft appellant, onder ongegrond verklaring van het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van 27 april 2009, geweigerd om betrokkene met ingang van 28 december 2007 in aanmerking te brengen voor een uitkering op grond van de Wajong, omdat zij minder dan 25% arbeidsongeschikt is.

3.1. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en appellant opgedragen om binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar, met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen.

3.2. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat tussen partijen niet in geschil is dat in het onderhavige geval geen sprake is van een bijzonder geval als bedoeld in artikel 29, tweede lid, van de Wajong. Partijen worden wel verdeeld gehouden door de vraag of de datum in geding 27 februari 2005, zijnde de achttiende verjaardag van betrokkene, dan wel 28 december 2007, zijnde de dag gelegen een jaar voor de datum van aanvraag van de uitkering, dient te zijn.

3.3. Naar het oordeel van de rechtbank dient de weigering door appellant om betrokkene een uitkering op grond van de Wajong toe te kennen, inhoudelijk beoordeeld te worden op en na einde wachttijd, 27 februari 2005. Uit de artikelen 5 en 6 van de Wajong volgt, aldus de rechtbank, immers dat iemand, om jonggehandicapt te zijn, hetzij op zijn zeventiende verjaardag, hetzij na een jaar waarin hij minstens zes maanden studerende was, arbeidsongeschikt moet zijn, waarna de jonggehandicapte recht op toekenning van arbeidsongeschiktheidsuitkering heeft zodra hij onafgebroken 52 weken, onmiddellijk volgend op die dag, arbeidsongeschikt is geweest en dit na afloop van dat tijdvak nog is. Pas nadat aldus is vastgesteld of er sprake is van arbeidsongeschiktheid in de zin van de Wajong, komt in voorkomende gevallen de beoordeling en toepassing van artikel 29, tweede lid, van die wet aan de orde.

3.4. Daarbij heeft de rechtbank nog overwogen dat zij in de door appellant genoemde uitspraak van de Raad van 29 april 2008, LJN: BD1411, geen aanleiding ziet om onder toepassing van artikel 29 van de Wajong 28 december 2007 als datum van beoordeling te nemen. In het onderhavige geval doen zich namelijk, aldus de rechtbank, niet de in genoemde uitspraak aan de orde zijnde omstandigheden voor, gelegen in het niet meer voorhanden zijn van de Arbeids Complexen Documentatie en het Functie Informatie Systeem, waaronder de Raad in die zaak de mogelijkheid niet meer aanwezig achtte om de beoordeling bij aanvang en/of einde van de wachttijd te doen plaatsvinden.

3.5. De rechtbank heeft geoordeeld dat het bestreden besluit in strijd is met de artikelen 5 en 6 van de Wajong en artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht, nu het op een onjuiste feitelijke grondslag berust.

4.1. Appellant heeft in hoger beroep naar voren gebracht dat naar zijn oordeel in een geval als het onderhavige, waarin geen sprake is van een bijzonder geval als bedoeld in artikel 29, tweede lid, van de Wajong en de beoordeling per de datum, gelegen een jaar voor de datum van de aanvraag, uitwijst dat geen sprake is van relevante arbeidsongeschiktheid in de zin van de Wajong, kan worden volstaan met laatstbedoelde beoordeling.

4.2. Beoordeling van de datum einde wachttijd, zoals de rechtbank voorstaat, is volgens appellant in een dergelijke situatie overbodig, ook al heeft de rechtbank op zich gelijk dat op grond van artikel 6 van de Wajong, in samenhang bezien met artikel 5 van die wet, eerst zou moeten worden beoordeeld of per einde wachttijd aan de ontstaansvoorwaarden voor het recht op uitkering is voldaan.

5.1. De Raad is op grond van het volgende van oordeel dat het hoger beroep slaagt.

5.2. Vast staat dat betrokkene op 28 december 2008, toen zij 21 jaar was, een laattijdige aanvraag heeft ingediend voor een uitkering op grond van de Wajong. Appellant heeft zich op het standpunt gesteld dat ter zake van die laattijdige aanvraag geen sprake is van een bijzonder geval in de zin van de tweede volzin van het tweede lid van artikel 29 van de Wajong, op grond waarvan de gevraagde uitkering vroeger zou kunnen ingaan dan, overeenkomstig de in de eerste volzin van dat artikellid vervatte hoofdregel, een jaar voor de dag waarop de aanvraag is ingediend. Dit standpunt, dat van de zijde van betrokkene niet is betwist, wordt juist geacht. De Raad heeft vaker geoordeeld dat in een dergelijke situatie - in eerste instantie - als de te beoordelen datum kan worden aangehouden de datum, gelegen een jaar voor de datum van de aanvraag van de uitkering en dat daarmee vervolgens kan worden volstaan in de situatie dat de beoordeling op die datum uitwijst dat de mate van arbeidsongeschiktheid minder dan 25% was. De Raad wijst hierbij, als voorbeeld, op zijn uitspraak van 23 juli 2010, LJN: BN3272.

5.3. Wat betreft de medische grondslag van het bestreden besluit wordt in de eerste plaats in aanmerking genomen dat er geen aanknopingspunten bestaan om de medische beoordeling door de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts als onvoldoende uitgebreid of anderszins als onvoldoende zorgvuldig aan te merken.

5.4. Voorts is de Raad evenmin kunnen blijken van aanknopingspunten om de conclusies waartoe de verzekeringsartsen zijn gekomen niet juist te achten. Bij betrokkene is in 2006 Non verbal Learning Disability (NLD) geconstateerd. In het verzekeringsgeneeskundig rapport van 20 januari 2009 is door de arts G.W.M. Pegt aangegeven welke beperkingen voor betrokkene uit die aandoening voortvloeien en aan welke eisen door haar te verrichten werkzaamheden dienen te voldoen. In zijn rapport van 31 augustus 2009 heeft de bezwaarverzekeringsarts R.M. Hulst uiteengezet dat op grond van het ziektebeeld NLD betrokkene - kort gezegd - is aangewezen op werk dat routinematig van aard is, ontdaan is van grote verantwoordelijkheid en geen al te hoge eisen stelt aan de motoriek. Ook in sociaal opzicht zijn er beperkingen. Hulst heeft aanleiding gezien de door Pegt opgestelde Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) op enkele onderdelen te wijzigen en aan te vullen. Dit is geschied in de FML van 31 augustus 2009. Hetgeen van de zijde van betrokkene naar voren is gebracht, bevat geen argumenten om te twijfelen aan de juistheid van de FML van

31 augustus 2009.

5.5. Aldus ervan uitgaande dat de beperkingen van betrokkene niet onjuist zijn vastgesteld, bestaat ten slotte geen aanleiding om ervan uit te gaan dat betrokkene ten tijde van belang niet in staat was tot het verrichten van werkzaamheden, als behorend bij de door arbeidsdeskundige geselecteerde en door de bezwaararbeidsdeskundige als voor betrokkene haalbare arbeidsmogelijkheden onderschreven functies. Afzonderlijke bezwaren tegen die functies zijn overigens ook niet naar voren gebracht. Dat betrokkene, ondanks haar beperkingen, ten tijde in geding in staat was loonvormende werkzaamheden te verrichten, wordt onderstreept door het feit dat zij op dat moment ook feitelijk werkzaamheden, namelijk als schoonheidsspecialiste, verrichtte.

5.6. De overwegingen 5.2 tot en met 5.5 leiden de Raad tot de slotsom dat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd en dat - doende wat de rechtbank zou behoren te doen - het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond moet worden verklaard.

6. Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak

- verklaart het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en C.W.J. Schoor en E.E.V. Lenos als leden, in tegenwoordigheid van L. van Eijndthoven als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 juni 2012.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) L. van Eijndthoven.

JL