Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX1579

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-07-2012
Datum publicatie
16-07-2012
Zaaknummer
11-1644 WAJONG
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Toekenning Wajong-uitkering. Ingangsdatum. Een gebrek aan ziekte-inzicht bij appellant van zodanige aard dat dit aan het op tijd indienen van een aanvraag om Wajong-uitkering in de weg heeft gestaan kan aan de beschikbare gegevens niet worden ontleend. Appellant kan ook worden geacht feitelijk in staat te zijn geweest tot het doen van een eerdere aanvraag, althans in de perioden dat hij niet kampte met psychoses dan wel vanwege zijn psychische klachten in een instelling was opgenomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/1644 WAJONG

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 2 februari 2011, 10/3094 (aangevallen uitspraak).

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 13 juli 2012

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. K.M. van der Zouwen, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 1 juni 2012. Partijen zijn met schriftelijke kennisgeving niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1.1. Het Uwv heeft bij besluit van 5 februari 2010 aan appellant (geboren [in] 1983) met ingang van 24 november 2008 een uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) toegekend. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit is bij besluit van 15 juni 2010 ongegrond verklaard. Tegen laatstgenoemd besluit heeft appellant bij de rechtbank beroep ingesteld. Hangende het beroep heeft het Uwv bij besluit van 22 september 2010 de ingangsdatum van de Wajong-uitkering gewijzigd in 23 juni 2007, welke datum een jaar gelegen is voor de datum 23 juni 2008 waarop appellant voor het eerst een Wajong-uitkering aanvroeg.

2.1. Tussen partijen is in geschil of sprake is van een bijzonder geval als bedoeld in artikel 29, tweede lid, van de Wajong, dat het Uwv er toe had moeten brengen aan appellant met ingang van een eerdere datum dan een jaar voor de datum van zijn aanvraag een Wajong-uitkering te verstrekken.

2.2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak als haar oordeel gegeven dat zich geen bijzonder geval als hier bedoeld voordoet en het beroep tegen het besluit van 15 juni 2010 als gewijzigd bij besluit van 22 september 2010 ongegrond verklaard. Wel heeft de rechtbank aanleiding gezien voor een proceskostenveroordeling ten laste van het Uwv, nu in beroep de ingangsdatum van de Wajong-uitkering is gewijzigd.

3.1. In hoger beroep heeft appellant het oordeel van de rechtbank, behoudens de beslissing over de proceskosten, bestreden en de Raad verzocht om de ingangsdatum van de uitkering op de vroegst mogelijke datum ingevolge de Wajong te bepalen, althans en in ieder geval te bepalen op 23 juli 2004, de datum waarop appellant in het kader van een inbewaringstelling is opgenomen.

3.2. Het Uwv heeft bij verweerschrift het ingenomen standpunt gehandhaafd dat geen sprake is van een bijzonder geval.

4.1. De Raad oordeelt als volgt.

4.2. Blijkens vaste rechtspraak van de Raad moet met name van een bijzonder geval als hier bedoeld worden gesproken, indien de betrokken verzekerde ter zake van een verlate aanvraag redelijkerwijs gesproken niet kan worden geacht in verzuim te zijn geweest. Dit zal onder meer het geval zijn wanneer die verzekerde om medische en/of psychische redenen kennelijk niet in staat is geweest eerder een aanvraag in te dienen, terwijl tevens geen beroep kon worden gedaan op personen in de directe omgeving van de verzekerde. De Raad heeft er in zijn uitspraak van 21 november 2001, LJN AD7077, op gewezen dat de wetgever in de Memorie van Toelichting bij het met artikel 29, tweede lid, van de Wajong vergelijkbare artikel 24, zevende lid, van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet, heeft vermeld dat zich met name ten aanzien van psychotische en schizofrene mensen de situatie kan voordoen dat de betrokkene geen uitkering aanvraagt of weigert een uitkering aan te vragen en dat dit een gevolg kan zijn van het feit dat de betrokkene zijn ziekte ontkent en dat het niet terecht zou zijn indien deze personen hierdoor niet in aanmerking zouden kunnen komen voor een uitkering op grond van deze wet.

4.3. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat er geen toereikende aanknopingspunten zijn om aan te nemen dat appellant, bij wie de diagnose schizofrenie is gesteld, onvoldoende ziektebesef heeft gehad. Blijkens de medische stukken is appellant verschillende malen met psychische klachten opgenomen geweest, is hij onder behandeling geweest en heeft hij medicatie gebruikt. Van zijn 16de tot zijn 18de is appellant daarnaast ten minste een aantal periodes gedurende een dag per week naar school geweest en heeft hij diverse kortdurende werkzaamheden verricht al dan niet via uitzendbureaus. Na meerderjarig te zijn geworden heeft appellant tussen periodes dat hij kampte met psychoses (korte) periodes gewerkt, heeft hij zijn rijbewijs gehaald, heeft hij in 2004 gewerkt in een naaiatelier van een oom in Turkije en is hij na een geweldsincident opgenomen geweest in een forensisch psychiatrisch ziekenhuis en na ontslag daaruit onder behandeling gebleven van een psychiater. Deze gegevens in onderlinge samenhang beschouwd maken dat het onaannemelijk is dat het appellant zodanig heeft ontbroken aan ziektebesef dat hij niet al in een vroegtijdig stadium moet hebben begrepen, althans moet hebben kunnen begrijpen, dat hij met wezenlijke psychische problemen te kampen had, van een zodanige ernst dat ze van invloed waren op zijn functioneren in het algemeen en op zijn vermogen om inkomensvormende arbeid te verrichten in het bijzonder. Een gebrek aan ziekte-inzicht bij appellant van zodanige aard dat dit aan het op tijd indienen van een aanvraag om Wajong-uitkering in de weg heeft gestaan vermag de Raad aan de beschikbare gegevens derhalve niet te ontlenen.

4.4. Appellant kan ook worden geacht feitelijk in staat te zijn geweest tot het doen van een eerdere aanvraag, althans in de perioden dat hij niet kampte met psychoses dan wel vanwege zijn psychische klachten in een instelling was opgenomen. Er zijn geen medische gegevens voorhanden op grond waarvan aangenomen zou dienen te worden dat appellant als gevolg van zijn aandoening bij voortduring buiten staat is geweest tot adequate behartiging van de eigen belangen, waaronder in dit verband met name moet worden begrepen het aanvragen van een arbeidsongeschiktheidsuitkering bij het Uwv. Daarbij valt tevens te wijzen op de aanvragen om een ziektewetuitkering en een bijstandsuitkering van appellant. Voor zover hij niet zelf, maar zijn naaste familieleden die aanvragen hebben verzorgd valt niet in te zien waarom van één van hen de aanvraag van een arbeidsongeschiktheidsuitkering ten behoeve van appellant niet had kunnen worden gevergd op het moment dat appellant daartoe door zijn ziekte zelf feitelijk niet in staat was. De ouders en broer van appellant waren van zijn ziekte, naar uit de gedingstukken valt af te leiden, op de hoogte en zijn ook daadwerkelijk onder meer door aan te dringen op opname en door bemoeienis met zijn vertrek naar Turkije om bij een oom te gaan werken, bij appellant betrokken geweest.

4.5. Onder al deze omstandigheden kan niet worden gezegd dat appellant redelijkerwijs niet in verzuim is geweest ten aanzien van het eerder (kunnen) doen van een aanvraag tot toekenning van een Wajong-uitkering. Onbekendheid met het bestaan van deze regelgeving, zoals door appellant in de aanvraag van 23 juni 2008 is vermeld, vormt krachtens vaste jurisprudentie van deze Raad geen rechtens te honoreren verontschuldiging voor het doen van een late aanvraag.

4.6. Uit het vorenstaande vloeit voort dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, voor bevestiging in aanmerking komt.

5. De Raad acht in hoger beroep geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake de vergoeding van proceskosten.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en A.I. van der Kris en D.J. van der Vos als leden, in tegenwoordigheid van K.E. Haan als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 juli 2012.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) K.E. Haan.

KR