Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX1566

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-07-2012
Datum publicatie
16-07-2012
Zaaknummer
11-1227 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen aangifte gedaan van diefstal. De raad van bestuur had zo weinig gegevens om de schadeclaim te beoordelen dat de raad van bestuur bevoegd was het verzoek om schadevergoeding van appellante af te wijzen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/1227 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 30 december 2010, 10/1487 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.] (appellante)

de Raad van Bestuur van het Universitair Medisch Centrum Rotterdam (raad van bestuur)

Datum uitspraak: 12 juli 2012

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. R.C.M. Klatten hoger beroep ingesteld.

De raad van bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met enige andere zaken van appellante, plaatsgehad op 31 mei 2012. Appellante is niet verschenen. De raad van bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.G.A.M. van Terwisga en M. Koster. Na de zitting is de behandeling van de zaken gesplitst.

OVERWEGINGEN

1. Voor een weergave van de hier van belang zijnde feiten en omstandigheden van algemene aard wordt verwezen naar de uitspraak van de Raad van heden, 11/1229 AW en 11/1230 AW, onder 1.1 tot 1.4. De Raad volstaat hier met het volgende.

1.1. Appellante had in de naaste omgeving van haar werkplek de beschikking over een afsluitbaar garderobekastje. Toen zij op 1 november 2005 op non-actief werd gesteld, heeft zij naar eigen zeggen een paar spullen uit dat kastje meegenomen; wat verder in het kastje zou hebben gelegen, zou zij daar hebben laten liggen. Bij haar terugkeer op het werk, rond september 2008, heeft zij gevraagd naar haar achtergelaten spullen. Nadat het kastje was geopend, bleken er geen spullen te zijn.

1.2. Op 19 juni 2009 heeft appellante een schadeclaimformulier ingediend betreffende de vermissing van de inhoud van het kastje, met een schade van € 1.035,-. Bij besluit van 16 september 2009 is de schadeclaim afgewezen. Deze afwijzing is na bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit van 15 maart 2010.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

3.1. De rechtbank heeft in rechtsoverweging 1.2 van de aangevallen uitspraak de hier van toepassing zijnde rechtsregels op juiste wijze uiteengezet.

3.2. Eerst is van belang artikel 9.2 van de CAO-AZ, regelende de zorgplicht van de werkgever tegenover zijn werknemers. Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat de raad van bestuur tegenover appellante aan die plicht heeft voldaan, dit al doordat haar een eigen, afsluitbaar garderobekastje ter beschikking was gesteld.

3.3. Blijkens artikel 9.2.2 van de CAO-AZ kan de raad van bestuur naar redelijkheid en billijkheid beslissen schade die de medewerker bij de uitoefening van zijn functie heeft geleden te vergoeden. Op dit voorschrift heeft appellante een beroep gedaan.

3.4. Dat voorschrift geeft de raad van bestuur een bevoegdheid tot vergoeding van schade die discretionair van aard is. De Raad moet de wijze waarop de raad van bestuur hier van deze bevoegdheid gebruik heeft gemaakt, terughoudend toetsen.

3.5. De raad van bestuur heeft niet kunnen achterhalen, aangenomen dat appellante spullen in het kastje heeft achtergelaten, wie de inhoud van het kastje heeft verwijderd en wanneer en onder welke omstandigheden dit is gedaan. Volgens de stukken is van een opdracht tot vrijmaken van het kastje door of vanwege de raad van de bestuur in de periode van november 2005 tot september 2008 geen sprake. Verder kan niet buiten beschouwing blijven dat appellante tussen november 2005 en september 2008 niet naar de inhoud van het kastje heeft omgekeken, wat het vaststellen van de noodzakelijke feiten onmiskenbaar heeft bemoeilijkt. Hierbij klemt ook dat appellante bij de politie geen aangifte van diefstal heeft gedaan. Op het doen van aangifte bij diefstal is in punt 6 van de richtlijn 14E betreffende schadeclaims, die op 10 februari 2005 door de raad van bestuur is vastgesteld, met nadruk gewezen.

3.6. Dit brengt de Raad tot de slotsom dat de raad van bestuur zo weinig gegevens had om de schadeclaim te beoordelen dat de raad van bestuur bevoegd was het verzoek om schadevergoeding van appellante op grond van artikel 9.2.2 van de CAO-AZ af te wijzen.

4. Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en J.G. Treffers en J.L.P.G. van Thiel als leden, in tegenwoordigheid van M.R. Schuurman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 juli 2012.

(getekend) N.J. van Vulpen-Grootjans

(getekend) M.R. Schuurman

HD