Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX1519

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-07-2012
Datum publicatie
16-07-2012
Zaaknummer
11-6029 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Toekenning WGA-loonaanvullingsuitkering. Hoewel aan het primaire besluit geen nieuwe medische beoordeling ten grondslag lag, is dit motiveringsgebrek in de bezwaarfase hersteld. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat de door de bezwaarverzekeringsarts opgestelde prognose onjuist zou zijn. De informatie van de psychiaters bevestigen de prognose van de bezwaarverzekeringsarts ten aanzien van de datum in geding dat er een reële kans op herstel is mits appellante haar medewerking verleent aan de behandeling. Terecht heeft het Uwv bij het bestreden besluit dan ook de toekenning van de WGA-uitkering gehandhaafd en geen aanleiding gezien tot toekenning van een IVA-uitkering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/6029 WIA

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

26 augustus 2011, 11/1057 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 13 juli 2012

PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 januari 2012. Appellante is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde mr. H. Stoppelenburg. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J. Vis. Het onderzoek ter zitting is geschorst, waarbij is afgesproken dat appellante nadere stukken zal inzenden.

Appellante heeft vervolgens nadere stukken ingezonden en het Uwv heeft hierop een schriftelijke reactie ingezonden.

Desgevraagd hebben partijen toestemming gegeven een nader onderzoek ter zitting van de Raad achterwege te laten. Gelet op de verleende toestemming heeft de Raad het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1. Aan appellante is een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toegekend vanaf 5 januari 2009, waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid is bepaald op 80 tot 100%.

1.2. Bij besluit van 17 mei 2010 heeft het Uwv vastgesteld dat de loongerelateerde WGA-uitkering van appellante op 5 juli 2010 eindigt en dat voor appellante met ingang van 5 juli 2010 recht ontstaat op een WGA-loonaanvullingsuitkering, waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid ongewijzigd 80-100% is. Appellante heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt omdat zij meent dat zij volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is.

Het bezwaar van appellante tegen dit besluit is bij besluit van 13 januari 2011 (het bestreden besluit) ongegrond verklaard.

1.3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft hiertoe overwogen dat, zoals door appellante ter zitting is bevestigd, het geschil beperkt is tot de vraag of appellante per 5 juli 2010 terecht niet in aanmerking is gebracht voor een IVA-uitkering, waarbij de toetsing beperkt is tot de duurzaamheid van de psychische klachten van appellante. De rechtbank is van oordeel dat de bezwaarverzekeringsarts voldoende inzichtelijk heeft gemotiveerd dat er in de situatie van appellante geen aanleiding was om duurzaamheid van de arbeidsbeperkingen aan te nemen en dat er sprake was van een reële herstelverwachting. Voorts heeft de rechtbank geconcludeerd dat er geen aanknopingspunten zijn voor het oordeel dat de bezwaarverzekeringsarts een onjuiste inschatting heeft gemaakt van de verwachting omtrent de arbeidsgeschiktheid van appellante.

2.1. In hoger beroep heeft appellante herhaald dat zij volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is en derhalve in aanmerking komt voor een IVA-uitkering. Zij heeft al jarenlang, sinds 2006, ernstige psychische klachten. Nu er na 5 jaar geen sprake is van een daadwerkelijke verbetering is dit een bewijs dat herstel niet te verwachten is.

2.2. Het Uwv heeft bij verweerschrift aangevoerd dat uit de in de bezwaarfase verkregen informatie van de behandelend psychiater S. Sidali van 15 november 2010 blijkt dat de klachten wisselend aanwezig zijn en chronisch van aard lijken te zijn maar dat er tevens sprake is van een voorzichtige stijgende lijn, hetgeen het oordeel van de bezwaarverzekeringsarts ten aanzien van de inschatting van de herstelkansen ondersteunt.

3.1. De Raad overweegt het volgende.

3.2. Allereerst wordt vastgesteld dat, gelet op de overweging van de rechtbank onder 3.4 van de aangevallen uitspraak, in hoger beroep het geding eveneens beperkt is tot de vraag naar de duurzaamheid van de aangenomen psychische beperkingen, in het kader van artikel 4 van de Wet WIA.

3.3. Hoewel aan het besluit van 17 mei 2010 geen nieuwe medische beoordeling ten grondslag lag, is dit motiveringsgebrek in de bezwaarfase hersteld, gelet op de rapportages van de verrichte medische onderzoeken van de verzekeringsarts van 4 oktober 2010 en 26 november 2010 en van de bezwaarverzekeringsarts van 5 januari 2011. De verzekeringsarts heeft een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) opgesteld, gedateerd 4 oktober 2010, waarbij in verband met gegeneraliseerde angstklachten een aantal psychische beperkingen is opgenomen waaronder ook een urenbeperking van 20 uur per week. De verzekeringsartsen hebben onder andere rekening gehouden met de door de behandelend psychiater Sidali verstrekte informatie, gedateerd 15 november 2010. Gelet op de bij de FML vastgestelde beperkingen konden er geen passende functies voor appellante worden geselecteerd, waarmee het arbeidsongeschiktheidspercentage werd vastgesteld op 80 tot 100.

3.4. Op basis van onder andere de informatie van psychiater Sidali hebben de verzekeringsartsen gemotiveerd aangegeven dat geen sprake is van duurzaamheid van de psychische beperkingen omdat de verwachting is dat er een reële kans op herstel is, nu de therapeutische mogelijkheden nog niet ten volle zijn benut en er bovendien, gelet op de informatie van Sidali, sinds september 2010 reeds een voorzichtige stijgende lijn is. Appellante heeft in hoger beroep nadere informatie van haar huidige psychiater A.E. Schröder ingezonden, gedateerd 8 maart 2012. Hieruit blijkt dat sinds de datum in geding, 5 juli 2010, behandelmogelijkheden werden gezien en dat appellante ook verbetering liet zien. Voorts merkt Schröder op dat appellante sinds maart 2011 bij hem onder behandeling is en dat hij gedurende de periode die hij haar behandeld heeft tot op heden geen duidelijk stijgende lijn ziet, waarbij hij opmerkt dat compliance tijdens de behandeling moeizaam blijft en dat de voorgestelde cognitieve gedragstherapie nog niet van de grond is gekomen vanwege afbellen van appellante. Hij geeft aan dat mogelijk cognitieve gedragstherapie nog voor verbetering kan zorgen.

3.5. Ter beoordeling ligt de vraag voor of met inachtneming van de overgelegde gegevens met betrekking tot de medische situatie op de datum in geding, 5 juli 2010, aangaande de verwachting die de behandelende artsen hadden van een ingezette behandeling, het oordeel van de verzekeringsartsen over de duurzaamheid in stand kan blijven (zie de uitspraak van de Raad van 1 oktober 2010, LJN BN9226). De omstandigheid dat de behandelingen, achteraf bezien, geen dan wel minder verbetering hebben gebracht dan was te verwachten, is geen grond om aan te nemen dat de door de bezwaarverzekeringsarts destijds aangegeven verwachting voor onjuist moet worden gehouden (zie de uitspraak van de Raad van 16 december 2009, LJN BK7027). Uit de overgelegde informatie van Sidali en Schröder blijkt niet dat de prognose van de bezwaarverzekeringsarts ten aanzien van de datum in geding onjuist was. Het standpunt van de bezwaarverzekeringsarts, zoals neergelegd in de rapportage van 21 maart 2012 wordt onderschreven.

3.6. Gelet op het voorgaande is de Raad met de rechtbank van oordeel dat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat de door de bezwaarverzekeringsarts opgestelde prognose onjuist zou zijn. De informatie van Sidali en ook de informatie van Schröder bevestigen de prognose van de bezwaarverzekeringsarts ten aanzien van de datum in geding dat er een reële kans op herstel is mits appellante haar medewerking verleent aan de behandeling. Terecht heeft het Uwv bij het bestreden besluit dan ook de toekenning van de WGA-uitkering gehandhaafd en geen aanleiding gezien tot toekenning van een IVA-uitkering. Gelet op het voorgaande dient de aangevallen uitspraak te worden bevestigd.

BELISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.P.M. Zeijen, in tegenwoordigheid van P. Boer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 juli 2012.

(getekend) J.P.M. Zeijen

(getekend) P. Boer

EK