Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX1501

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-07-2012
Datum publicatie
16-07-2012
Zaaknummer
11-1228 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Schriftelijke berisping. Zonder toestemming een verlofweek toegevoegd aan het al vastgestelde zomerverlof.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/1228 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 30 december 2010, 10/1488 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.] (appellante)

de Raad van Bestuur van het Universitair Medisch Centrum Rotterdam (raad van bestuur)

Datum uitspraak: 12 juli 2012

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. R.C.M. Klatten hoger beroep ingesteld.

De raad van bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met enige andere zaken van appellante, plaatsgehad op 31 mei 2012. Appellante is niet verschenen. De raad van bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.G.A.M. van Terwisga en M. Koster. Na de zitting is de behandeling van de zaken gesplitst.

OVERWEGINGEN

1. Voor een weergave van de hier van belang zijnde feiten en omstandigheden van algemene aard wordt verwezen naar de uitspraak van de Raad van heden, 11/1229 AW en 11/1230 AW, onder 1.1 tot 1.4. De Raad volstaat hier met het volgende.

1.1. Appellante heeft op een daarvoor bestemd formulier op 1 december 2008 verlof aangevraagd voor de maanden mei tot september 2009. Zij heeft ingevuld voor de zomer te opteren voor de weken 32 tot met 35 en dat haar tweede keus ligt bij de weken 32, 33 en 34. In januari 2009 is haar bericht dat zij in de zomer 2009 vakantieverlof heeft in de weken 32 tot en met 34.

1.2. Aan de vooravond van haar zomervakantie op 31 juli 2009 heeft appellante haar dienstoudste gezegd dat zij in het lopende jaar ook week 35 wegens vakantie afwezig zal zijn. De dienstoudste heeft het dienstrooster van appellante dienovereenkomstig aangepast. Deze functionaris heeft van deze gang van zaken kort daarna het unithoofd op de hoogte gesteld. Deze functionaris heeft op 18 augustus 2009 appellante via een e-mailbericht, gericht aan haar e-mailadres op het werk en thuis gelast in week 35 te werken. Hierop heeft appellante niet gereageerd. Zij is in week 35 niet op het werk geweest.

1.3. Nadat het voornemen daartoe aan appellante was meegedeeld, is zij bij besluit van 23 oktober 2009 wegens plichtsverzuim - haar gedrag op 31 juli 2009 en haar afwezigheid gedurende week 35 van 2009 - de disciplinaire straf van schriftelijke berisping opgelegd. Het bezwaar tegen dit besluit is bij het bestreden besluit van 15 maart 2010 ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

3.1. Voor de Raad staat vast dat appellante het haar verweten plichtsverzuim heeft begaan. Zij heeft, zonder daarvoor aan bevoegde zijde toestemming te hebben gevraagd of van die zijde te hebben gekregen, week 35 van 2009 aan het voor haar al vastgestelde zomerverlof 2009 als een aansluitende verlofweek toegevoegd. Dit is tegen de regel, die inhoudt dat in de zomerperiode maximaal drie weken aaneengesloten vakantieverlof kan worden opgenomen. Van die regel was appellante op de hoogte, want deze was in het in 1.1 genoemde formulier duidelijk opgenomen en is bij het toekennen van het verlof voor de zomer van 2009 aan appellante ook toegepast.

3.2. Uit de brieven van 19 juni 2009 en 2 juli 2009 heeft appellante niet en zeker niet zonder meer kunnen afleiden dat haar voor 2009 een verlof van vier weken aansluitend toekwam. Weliswaar komt in de brief van 19 juni 2009 de tekst voor: “… een periode van vier maanden minus uw vakantieverlof van drie weken (3 augustus 2009 – 30 augustus 2009) …”, maar dit rechtvaardigt zeker niet zonder meer de opvatting dat appellante de genoemde periode, dus vier weken, vakantieverlof had. Zou appellante zich daadwerkelijk bij haar stap op 31 juli 2009 door die tekst hebben laten leiden, dan had van haar verwacht mogen worden dat zij haar leidinggevenden om opheldering had gevraagd. Dit heeft zij niet gedaan. Zij heeft dus tegen de besluitvorming daarover in, week 35 als vakantieverlof opgenomen. Duidelijk is dat appellante zich met deze gedragingen niet als goed ambtenaar heeft gedragen.

3.3. In de gedingstukken bevinden zich geen aanwijzingen dat appellante het plichtsverzuim niet kan worden toegerekend. Mede in aanmerking genomen dat de straf van schriftelijke berisping de laagste disciplinaire straf is, acht de Raad het plichtsverzuim voldoende ernstig om de opgelegde straf niet als onevenredig aan het plichtsverzuim van appellante te beschouwen.

4. Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en J.G. Treffers en J.L.P.G. van Thiel als leden, in tegenwoordigheid van M.R. Schuurman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 juli 2012.

(get.) N.J. van Vulpen-Grootjans.

(get.) M.R. Schuurman.

HD