Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX1499

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-07-2012
Datum publicatie
16-07-2012
Zaaknummer
11/1229 AW + 11/1230 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verbetertraject. Plichtsverzuim. Disciplinaire straf van schriftelijke berisping. Omvang van het hoger beroep. (Geen) compensatie van niet-genoten onregelmatigheidsdiensten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/1229 AW

11/1230 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 30 december 2010, 10/1489 en 10/1491 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.] (appellante)

de Raad van Bestuur van het Universitair Medisch Centrum Rotterdam (raad van bestuur)

Datum uitspraak: 12 juli 2012

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. R.C.M. Klatten hoger beroep ingesteld.

De raad van bestuur heeft verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met enige andere zaken van appellante, plaatsgehad op 31 mei 2012. Appellante is niet verschenen. De raad van bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.G.A.M. van Terwisga en M. Koster. Na de zitting is de behandeling van de zaken gesplitst.

OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante was sinds 1988 werkzaam bij - thans - het Universitair Medisch Centrum Rotterdam en vervulde de functie van operatieassistente bij de afdeling Operatiekamers in een betrekkingsomvang van 36 uur per week. Nadat appellante op 21 oktober 2005 niet op het werk was verschenen, werd haar bij een besluit van 12 juli 2006 met ingang 13 juli 2006 ontslag verleend wegens ernstige verstoring van de arbeidsrelatie. De rechtbank Rotterdam heeft bij uitspraak van 30 januari 2008, 06/3454 AW, het besluit van 12 juli 2006 vernietigd op de grond dat van een dergelijke verstoring ten tijde van belang geen sprake was. De raad van bestuur werd opgedragen opnieuw op het bezwaar van appellante te beslissen. Die uitspraak heeft kracht van gewijsde gekregen.

1.2. De raad van bestuur heeft bij besluit van 3 juni 2008 aan die uitspraak uitvoering gegeven. Bepaald is dat het dienstverband van appellante met terugwerkende kracht tot 13 juli 2006 wordt hersteld en dat appellante op 9 juni 2008 haar werk weer moet hervatten, aanvankelijk in een inwerktraject van een half jaar naar 32 uur per week. In dit besluit heeft appellante berust.

1.3. Het zojuist bedoelde traject is - na verlof van appellante - op 1 september 2008 van start gegaan. In januari 2009 is vastgesteld dat het traject kan worden afgerond. Afgesproken werd dat appellante met ingang van 8 februari 2009 ingeroosterd zal worden voor avond- en nachtdiensten (M7-diensten), waarin zij haar werkzaamheden zelfstandig dient te verrichten. Dit ging naar de opvatting van haar begeleiders niet naar wens. Dit heeft geleid tot een brief van 7 mei 2009, waarin appellante werd meegedeeld dat zij niet meer voor M7-diensten (en daarmee avond- en nachtdiensten) zal worden ingeroosterd. Een verbeterplan zou worden opgesteld, voor de uitvoering waarvan een periode van vier maanden, verminderd met drie weken vakantieverlof, nodig werd gevonden. Tegen deze brief heeft appellante zich niet verzet. Bij besluit van 2 juli 2009 is het verbeterplan nader ingevuld en zijn afspraken vastgelegd.

1.4. Het zojuist bedoelde plan is op 6 juli 2009 van start gaan. Daarin was onder meer voorzien in het houden van tweewekelijkse evaluatiegesprekken. Nadat eerdere pogingen met appellante zo’n gesprek te voeren waren mislukt, werd zij op 2 september 2009 opgeroepen voor een gesprek op 4 september 2009. Appellante is toen wel verschenen. Maar door haar opstelling - appellante meende dat, nu zij tegen het besluit van 5 juli 2009 bezwaar had gemaakt, van het houden van evaluatiegesprekken geen sprake kon zijn - is het niet tot zo’n gesprek gekomen. De raad van bestuur heeft dit handelen van appellante als plichtsverzuim aangemerkt. Na het voornemen daartoe aan appellante te hebben meegedeeld, is haar bij besluit van 26 oktober 2009 de disciplinaire straf van schriftelijke berisping opgelegd. Tegen dit besluit heeft appellante bezwaar gemaakt.

1.5. Bij besluit van 19 juni 2009 is - voor zover hier van belang - een verzoek van appellante om compensatie van niet-genoten onregelmatigheidsdiensten in de periode vanaf 7 mei 2009 afgewezen, omdat zij in die periode geen avond- en nachtdiensten kan doen. Bij besluit van 2 juli 2009 is de overige inhoud van het besluit van 19 juni 2009 in korte vorm herhaald en is toegevoegd dat van appellante verwacht wordt dat zij de in dat besluit vastgelegde afspraken nakomt.

1.6. Tegen de besluiten van 19 juni 2009 en 2 juli 2009 heeft appellante bezwaar gemaakt, dat bij besluit van 15 maart 2010 (bestreden besluit 1) niet-ontvankelijk is verklaard, voor zover gericht tegen het besluit van 2 juli 2009, en ongegrond is verklaard voor het overige. Het bezwaar van appellante tegen het besluit van 26 oktober 2009 is bij besluit, ook van 15 maart 2010 (bestreden besluit 2), ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen beide bestreden besluiten ongegrond verklaard.

3. Gelet op hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd, overweegt de Raad het volgende.

Omvang van het hoger beroep

3.1. De Raad deelt het oordeel van de rechtbank dat bij bestreden besluit 1 het bezwaar van appellante tegen het besluit van 2 juli 2009 over (kort gezegd) de noodzaak van een verbeterplan, terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. De Raad onderschrijft ook de motivering van dat oordeel, neergelegd in rechtsoverweging 3.2 van de aangevallen uitspraak, en maakt deze tot de zijne. De inhoud van dat besluit kan dus ook in hoger beroep niet aan de orde komen.

Compensatie

3.2.1. Achtergrond van het besluit van 19 juni 2009 hierover is dat de raad van bestuur ervan uitging dat appellante, gezien haar ruime ervaring als allround operatieassistente, nadat zij inwerktraject van 1 september 2008 tot februari 2009 had doorlopen, weer het niveau zou hebben bereikt dat zij vóór 1 november 2005 had. Dat dit niet zo bleek te zijn en dat een verbetertraject met enkel het doen van dagdiensten noodzakelijk bleek te zijn, achtte de raad van bestuur verbazingwekkend en teleurstellend, gegeven de lange ervaring van appellante. Naar zijn mening kan deze gang van zaken geen verklaring vinden in het feit dat appellante bijna drieëneenhalf jaar niet heeft gewerkt. Daarom heeft de raad van bestuur geen aanleiding gevonden om appellante in de periode waarin zij geen avond- en nachtdiensten verricht heeft toch in aanmerking te brengen voor een toelage onregelmatige dienst, geregeld in artikel 4.7.3 van de CAO-AZ, zoals appellante heeft gevraagd.

3.2.2. De Raad kan deze redenering van de raad van bestuur onderschrijven. Hierbij weegt hij mee dat appellante in het kader van het in het besluit van 7 mei 2009 bedoelde verbetertraject en ook daarna meermalen heeft laten blijken dat dit verbeterplan van vier maanden, gezien haar ervaring, te lang is.

3.2.3. Het toewijzen van het verzoek om haar een onregelmatigheidstoeslag toe te kennen terwijl zij geen onregelmatige dienst heeft verricht, stuit af op artikel 4.7.3 van de CAO-AZ. De raad van bestuur was dus gerechtigd het verzoek van appellante af te wijzen.

Schriftelijke berisping

3.3. Appellante heeft zich niet gehouden aan de afspraak in het kader van het verbeterplan, genoemd in 1.4, om tweewekelijkse evaluatiegesprekken aan te gaan. Ook aan de dienstopdracht van 2 september 2009 heeft zij geen gevolg gegeven. Een en ander levert plichtsverzuim op. De raad van bestuur was dus bevoegd appellante een disciplinaire straf op te leggen. De Raad is niet gebleken dat appellante dit plichtsverzuim niet kan worden toegerekend. In het bijzonder heeft de Raad niet kunnen vaststellen dat het appellante onmogelijk gemaakt werd aan de afspraak en de dienstopdracht te voldoen. Mede in aanmerking genomen dat de straf van schriftelijke berisping de laagste disciplinaire straf is, acht de Raad het plichtsverzuim voldoende ernstig om de opgelegde straf niet als onevenredig aan dit plichtsverzuim te beschouwen.

4. Uit het voorgaande volgt het hoger beroep niet kan slagen. De aangevallen uitspraak moet dus worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en J.G. Treffers en J.L.P.G. van Thiel als leden, in tegenwoordigheid van M.R. Schuurman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 juli 2012.

(get.) N.J. van Vulpen-Grootjans.

(get.) M.R. Schuurman.

HD