Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX1264

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-07-2012
Datum publicatie
12-07-2012
Zaaknummer
10-6125 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking bijstand: De gedingstukken bieden onvoldoende feitelijke grondslag voor de conclusie dat appellante gedurende de periode van 1 juli 2010 tot en met 21 juli 2010 werkzaamheden heeft verricht en daaruit inkomsten heeft verworven. Vaststaat dat appellante niet werkend is aangetroffen. De waarnemingen hebben plaatsgevonden van 1 mei 2010 tot en met 25 juni 2010, zodat die geen grondslag kunnen bieden voor het standpunt dat appellante van 1 juli 2010 tot en met 21 juli 2010 werkzaamheden heeft verricht. De confrontatiegesprekken met appellante bieden evenmin voldoende concrete aanknopingspunten ter ondersteuning van dit standpunt van het college. De verklaring van appellante op 19 juli 2010 dat zij van haar schoonzoon twee adressen heeft gekregen waar zij in het huishouden wat kan doen, is onvoldoende, omdat daaruit niet volgt dat appellante gedurende de hier van belang zijnde periode ook daadwerkelijk werkzaamheden heeft verricht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/6125 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank ’s-Gravenhage van 4 oktober 2010, 10/5568 en 10/6555 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van ’s-Gravenhage (college)

Datum uitspraak: 11 juli 2012

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. L. Leenders, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 juni 2012. Voor appellante is verschenen mr. A. Orhan, kantoorgenote van mr. Leenders. Het college heeft zich, met bericht, niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante ontving sinds 1 december 1979 bijstand, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande.

1.2. Naar aanleiding van een anonieme tip dat appellante werkzaamheden als schoonmaakster verricht, heeft de afdeling Bijzonder Onderzoek van de Dienst Sociale Zaken en Werkgelegenheidsprojecten van de gemeente ’s-Gravenhage een onderzoek verricht naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. In het kader van dat onderzoek zijn gedurende de periode 1 mei 2010 tot en met 25 juni 2010 waarnemingen verricht in de nabijheid van (onder andere) de woning van appellante en op 28 juni 2010 en 19 juli 2010 confrontatiegesprekken met appellante gevoerd.

1.3. Op basis van de onderzoeksbevindingen heeft het college bij besluit van 21 juli 2010 de bijstand van appellante met ingang van 1 juli 2010 ingetrokken op de grond dat appellante geen inlichtingen heeft verstrekt over de inkomsten uit haar werkzaamheden als hulp in de huishouding, waardoor haar recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

1.4. Bij besluit van 13 september 2010 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 21 juli 2010 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellante heeft onder meer betoogd dat zij geen inkomsten uit arbeid heeft gehad. Zij heeft verder aangevoerd dat het onderzoek van het college betrekking heeft op juni 2010, dus voor de intrekking van de bijstand per 1 juli 2010, en dat verder geen concrete aanwijzingen bestaan dat appellante heeft gewerkt.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Het college heeft de intrekking van de bijstand niet beperkt tot een bepaalde periode. In een dergelijk geval bestrijkt de beoordeling door de bestuursrechter de periode vanaf de datum met ingang waarvan de bijstand is ingetrokken tot en met de datum van het primaire besluit. Dit betekent dat hier beoordeeld moet worden de periode van 1 juli 2010 tot en met 21 juli 2010.

4.2. De intrekking van bijstand is een voor appellante belastend besluit. Dit brengt met zich dat het aan het college is om de nodige kennis te vergaren over de relevante feiten en omstandigheden en om aannemelijk te maken dat appellante over de periode van 1 juli 2010 tot en met 21 juli 2010 werkzaamheden als hulp in de huishouding heeft verricht en over die periode de op haar rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden.

4.3. Met appellante is de Raad van oordeel dat het college daarin niet is geslaagd. De gedingstukken bieden onvoldoende feitelijke grondslag voor de conclusie dat appellante gedurende de periode van 1 juli 2010 tot en met 21 juli 2010 werkzaamheden heeft verricht en daaruit inkomsten heeft verworven. Vaststaat dat appellante niet werkend is aangetroffen. De waarnemingen hebben plaatsgevonden van 1 mei 2010 tot en met 25 juni 2010, zodat die geen grondslag kunnen bieden voor het standpunt dat appellante van 1 juli 2010 tot en met 21 juli 2010 werkzaamheden heeft verricht. De confrontatiegesprekken met appellante bieden evenmin voldoende concrete aanknopingspunten ter ondersteuning van dit standpunt van het college. De verklaring van appellante op 19 juli 2010 dat zij van haar schoonzoon twee adressen heeft gekregen waar zij in het huishouden wat kan doen, is onvoldoende, omdat daaruit niet volgt dat appellante gedurende de hier van belang zijnde periode ook daadwerkelijk werkzaamheden heeft verricht.

4.4. Uit 4.3 volgt dat het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig is voorbereid en niet op een deugdelijke grondslag berust. De rechtbank heeft dit niet onderkend, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het bestreden besluit wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vernietigen. Omdat het primaire besluit op dezelfde onhoudbaar gebleken grond is gebaseerd en niet aannemelijk is dat dat gebrek kan worden hersteld, zal de Raad met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, aanhef en onder c, van de Awb zelf in de zaak voorzien en het besluit van 21 juli 2010 herroepen.

4.5. Gelet op het voorgaande behoeven de andere gronden geen bespreking meer.

5. Tot slot bestaat aanleiding het college te veroordelen in de kosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 874,- in bezwaar, € 874,- in beroep en € 874,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 13 september 2010;

- herroept het besluit van 21 juli 2010 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit van 13 september 2010;

- veroordeelt het college in de kosten van appellante tot een bedrag van € 2.622,--;

- bepaalt dat het college aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 152,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door E.J.M. Heijs als voorzitter en E.J. Govaers en A.M. Overbeeke als leden, in tegenwoordigheid van V.C. Hartkamp als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 juli 2012.

(getekend) E.J.M. Heijs

(getekend) V.C. Hartkamp

HD