Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX1262

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-07-2012
Datum publicatie
12-07-2012
Zaaknummer
11-6203 WMO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag toelating maatschappelijk opvang. Geen rechtmatig verblijf ongewenst verklaarde vreemdeling. De fysieke en psychische gezondheid van appellant wordt niet substantieel bedreigd indien hij verstoken blijft van verdergaande opvang dan nu door het college wordt geboden. Geen sprake van een vernederende of onmenselijke behandeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2012/252 met annotatie van C.W.C.A. Bruggeman, H.F. van Rooij
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/6203 WMO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 12 oktober 2011, 11/699 WWB (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Apeldoorn (college)

Datum uitspraak: 11 juli 2012

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J. Klaas, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 juni 2012. Appellant is verschenen en heeft zich laten bijstaan door mr. Klaas. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.C. Maassen van den Brink-Jager.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant, geboren op 15 maart 1965, is in 1992 vanuit Algerije naar Nederland gekomen.

1.2. Op 28 september 2010 heeft appellant - voor zover van belang - bij het college een aanvraag ingediend voor toelating tot de maatschappelijke opvang als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder c, van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo), dan wel om hem buitenwettelijke hulp te verlenen. In deze aanvraag is aangegeven dat een verblijfsvergunning asiel is afgewezen en dat appellant in zoverre is uitgeprocedeerd. Voor het generaal pardon kan appellant niet in aanmerking komen omdat hij op grond van artikel 67 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) ongewenst is verklaard. Appellant is dakloos en woont in een zelfgemaakte tent in het bos. Wanneer het vriest kan appellant slapen in het - zogeheten - stoelenproject van de Stichting Omnizorg Apeldoorn (Omnizorg). Hier kan appellant zich ook douchen en dagelijks ophouden. Hij heeft geen inkomsten, wel ontvangt hij € 10,- per week van de kerk.

1.3. Bij besluit van 25 november 2010 heeft het college de door appellant gevraagde voorziening(en) afgewezen onder verwijzing naar het feit dat appellant illegaal in Nederland verblijft.

1.4. Bij besluit van 2 mei 2011 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van appellant tegen het besluit van 25 november 2010 onder verwijzing naar het advies van de bezwarencommissie van 28 februari 2011 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat de omstandigheden van appellant onvoldoende zijn voor de conclusie dat hij behoort tot de categorie van kwetsbare personen die gezien artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) in het bijzonder recht hebben op bescherming van hun privé- en gezinsleven. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 29 juni 2011, LJN BR1061 heeft de rechtbank verder geoordeeld dat het op de weg van appellant ligt om met een begin van bewijs te komen van de stelling dat hij behoort tot de categorie van kwetsbare personen die in het bijzonder bescherming verdienen. Ook is appellant niet rechtmatig in Nederland. Naar het oordeel van de rechtbank is niet gebleken dat de weigering om hulp te bieden aan appellant in de gegeven omstandigheden geen blijk geeft van een ‘fair balance’ tussen de publieke belangen die betrokken zijn bij de weigering van de hulp en de particuliere belangen van appellant om die hulp wel te ontvangen.

3.1. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd en onder meer aangevoerd dat hij kwetsbaar is en dat hij niet kan terugkeren naar Algerije, omdat de ambassade geen laissez-passer verstrekt. De weigering van het college om hem op te vangen is in strijd met de artikelen 3 en 8 van het EVRM.

3.2. Het college heeft in verweer naar voren gebracht dat niet vaststaat dat appellant niet kan worden uitgezet naar Algerije. Voorts heeft het college zich op het standpunt gesteld dat appellant niet heeft doen blijken te behoren tot de categorie van kwetsbare personen die gelet op de artikelen 3 en 8 van het EVRM in het bijzonder recht hebben op bescherming.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Appellant is ongewenst verklaard. Artikel 67, derde lid, van de Vw bepaalt dat in afwijking van artikel 8 van de Vw de ongewenst verklaarde vreemdeling geen rechtmatig verblijf kan hebben.

4.2. Uit de uitspraak van de Raad van 9 mei 2012, LJN BW6239, volgt dat een beslissing van het college inhoudende dat een belanghebbende recht heeft op bekostiging van tijdelijke opvang moet worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste en tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht, dat gebaseerd is op artikel 20, in verbinding met artikel 1, eerste lid, onder en c, van de Wmo. Dat het daarbij in sommige gevallen gaat om personen die ingevolge artikel 10, eerste lid, van de Vw 2000 in beginsel geen aanspraak kunnen maken op voorzieningen doet hieraan niet af. Zoals de Raad meermalen heeft geoordeeld volgt onder bepaalde omstandigheden uit de doorwerking van artikel 8 van EVRM in de nationale rechtsorde, dat niet in redelijkheid kan worden volgehouden dat de weigering van toelating tot maatschappelijke opvang in de vorm van het tijdelijk bieden van onderdak blijk geeft van een “fair balance” tussen de publieke belangen die betrokken zijn bij de weigering van die toegang en de particuliere belangen om wel toegelaten te worden. Ook het feit dat de Raad heeft geoordeeld dat uit artikel 2 van de Wmo volgt dat de positieve verplichting van de staat om bij opvang van vreemdelingen recht te doen aan artikel 8 van het EVRM zich primair richt tot het bestuursorgaan dat belast is, of de bestuursorganen die belast zijn, met de uitvoering van wettelijk geregelde voorliggende voorzieningen als bedoeld in artikel 2 van de Wmo, doet aan het voorgaande niet af.

4.3. Vaststaat dat appellant wordt opgevangen wanneer het vriest. Deze opvang wordt geboden door Omnizorg, een stichting waarin de gemeente Apeldoorn participeert. Ter zitting is uiteengezet dat het college over deze toelating beslist en de daarmee gemoeide kosten draagt. Voorts is opgemerkt dat Omnizorg wanneer het vriest aan appellant een bed en niet een stoel ter beschikking zal stellen. Wanneer het niet vriest kan appellant bij Omnizorg terecht om te douchen en mag hij daar overdag aanwezig zijn. Onder deze omstandigheden ziet de Raad aanleiding het bestreden besluit op te vatten als een weigering van het college om de reeds geboden opvangvoorziening uit te breiden in de door appellant gewenste zin. Appellant wenst structurele opvang met inbegrip van voeding en kleding.

4.4. De Raad wijst er allereerst op dat ingevolge artikel 1, eerste lid, onder c, van de Wmo maatschappelijke opvang uitsluitend een tijdelijke voorziening betreft. De Raad acht voorts van belang dat appellant een vreemdeling is die ten tijde in geding niet rechtmatig in Nederland verbleef. Zoals de Raad heeft geoordeeld in zijn uitspraak van 29 juni 2011, BR1061 ligt het op de weg van een betrokkene om met een begin van bewijs te komen voor een geslaagd beroep op het bijzondere recht op bescherming ingevolge artikel 8 van het EVRM. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat door appellant - in bezwaar en beroep - niet aan dit vereiste is voldaan. De Raad stelt vast dat ook uit de door appellant in hoger beroep overgelegde verklaring van psychiater H.S. Nandoe van 1 juni 2012 niet naar voren komt dat de fysieke en psychische gezondheid van appellant substantieel wordt bedreigd indien hij verstoken blijft van verdergaande opvang dan nu door het college wordt geboden. De Raad wijst er daarbij ten overvloede nog op dat voor appellant medische voorzieningen beschikbaar zijn via de bekostigingsgarantie van artikel 122a van de Zorgverzekeringswet. Hieruit volgt dat niet is gebleken dat de weigering van het college de reeds aan appellant geboden opvangvoorziening uit te breiden, geen blijk geeft van een “fair balance” tussen de publieke belangen die betrokken zijn bij deze weigering en de particuliere belangen van appellant.

4.5. Ten aanzien van het beroep van appellant op artikel 3 van het EVRM, onder verwijzing naar het arrest M.S.S. tegen België en Griekenland van 21 januari 2011 van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, zaak nr. 30696/09, JV 2011/68, is de Raad van oordeel dat uit het voorgaande volgt dat er geen sprake is van een vernederende of onmenselijke behandeling van appellant door het college. De situatie van appellant is niet vergelijkbaar met de situatie die aan de orde was in het voornoemde arrest. Appellant is geen asielzoeker, hij is gehouden om Nederland te verlaten en niet is gebleken dat hij een kwetsbaar persoon is. Hij is daardoor niet volledig afhankelijk van hulp van de overheid.

4.6. Appellant heeft ten slotte aangevoerd dat er sprake is van een schending van artikel 8 EVRM, in verbinding met artikel 14 van het EVRM. In dit verband heeft hij aangegeven dat het college het koppelingsbeginsel al heeft doorbroken door hem in aanmerking te brengen voor een minimale opvangvoorziening. Op grond van het gelijkheidsbeginsel is het college vervolgens gehouden appellant hetzelfde pakket te bieden als aan andere in de opvang verblijvende personen. Dit betreft met name ook de opvang buiten de vriesperiode zoals deze op grond van het beleid aan residentieel daklozen wordt geboden. De Raad kan appellant hierin niet volgen. In een reeks van uitspraken van 26 juni 2001 (zie bijvoorbeeld: LJN AB2277) heeft de Raad geoordeeld dat het uitgangspunt van de koppelingswetgeving in het algemeen niet op bedenkingen stuit. Daarbij sluit aan de doelstelling van de koppelingswetgeving zoals deze in de wetsgeschiedenis is neergelegd, te weten het wegnemen van de mogelijkheid om ondanks het ontbreken van een verblijfstitel aanspraak te maken op uitkeringen en verstrekkingen, dit ter ondersteuning van een consistent vreemdelingenbeleid, dat onder meer tot doel heeft degenen die geen toelating verkrijgen het land te doen verlaten. Daarmee is naar het oordeel van de Raad ook in overeenstemming om daar waar een noodzaak tot een uitzondering op het koppelingsbeginsel wordt aangenomen, deze uitzondering zo beperkt mogelijk te houden. De situatie van appellant is in zoverre onvoldoende vergelijkbaar met de groep(en) waarmee hij wenst te worden vergeleken, zodat het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalt.

4.7. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd. Er is daarom geen grond voor het toekennen van een schadevergoeding.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek om veroordeling tot schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door H.C.P. Venema als voorzitter en H.J. de Mooij en J.M.A. van der Kolk-Severijns als leden, in tegenwoordigheid van M.C. Nijholt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 juli 2012.

(getekend) H.C.P. Venema

(getekend) M.C. Nijholt

RB