Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX1259

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-07-2012
Datum publicatie
12-07-2012
Zaaknummer
10-4348 WMO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag verhuiskostenvergoeding. Geen medische noodzaak voor verhuizing naar gelijkvloerse woning.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/4348 WMO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 24 juni 2010, 10/1119 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B. ] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Zaanstad (college)

Datum uitspraak: 11 juli 2012

PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het hoger beroep is behandeld ter zitting van 30 november 2011. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. P.H. Visser, advocaat. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door C.M. Valkering en mr. A. Slotboom.

De Raad heeft het onderzoek ter zitting geschorst in afwachting van nadere informatie van het college en een reactie daarop van appellante.

Na ontvangst van die nadere informatie en de reactie van appellante heeft de Raad met toestemming van partijen als bedoeld in artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht bepaald dat een nader onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.2. Appellante heeft mobiliteitsproblemen en pijnklachten als gevolg van beperkingen van met name haar linkerknie en -heup. Appellante is daarnaast onder andere bekend met psychische problemen en verslavingsproblematiek.

1.3. Bij aanvraag van 14 augustus 2009 heeft appellante het college verzocht om haar op grond van de bepalingen bij of krachtens de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) een woonvoorziening toe te kennen in de vorm van een verhuiskostenvergoeding, omdat zij vanwege mobiliteitsproblemen zal gaan verhuizen van een eengezinswoning naar een gelijkvloerse woning.

1.4. Naar aanleiding van de aanvraag heeft J. Kampschreur, indicatieadviseur, op basis van een huisbezoek, dossieronderzoek en na raadpleging van de medisch adviseur B. van Klink, arts bij het RIO Zaanstreek, op 19 augustus 2009 aan het college gerapporteerd dat er geen medische noodzaak is om af te zien van traplopen en dat er bovendien behandelmogelijkheden zijn die de mobiliteit van appellante zullen doen verbeteren. Verhuizing naar een gelijkvloerse woning is in het geval van appellante dan ook niet aangewezen.

1.5. Bij besluit van 9 september 2009 heeft het college de aanvraag om een verhuiskostenvergoeding op de in het rapport van Kampschreur genoemde gronden afgewezen.

1.6. Bij besluit van 25 januari 2010 heeft het college het tegen het besluit van 9 september 2009 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het besluit op bezwaar ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank – samengevat – overwogen dat er geen aanleiding is om het medische oordeel voor onjuist te houden, nu de rapportage van de medisch adviseur van 19 augustus 2009 niet onzorgvuldig tot stand is gekomen, de door de arts op grond van het rapport van J. Kampschreur van 19 augustus 2009 getrokken conclusie voldoende duidelijk en inzichtelijk is en appellante geen medische gegevens, zoals verklaringen van een huisarts of medisch specialist, heeft overgelegd die haar stelling dat zij niet langer in staat is om trap te lopen nader onderbouwen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college het verzoek van appellante om een woonvoorziening in de vorm van een verhuiskostenvergoeding dan ook terecht afgewezen.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep - evenals in bezwaar en beroep - op het standpunt gesteld dat de verhuizing naar een gelijkvloerse woning wel medisch noodzakelijk is en dat het door het college daarnaar verrichte onderzoek onzorgvuldig is geweest. Appellante heeft gelet daarop de Raad verzocht een medische deskundige te benoemen en aldus onderzoek te laten verrichten naar haar beperkingen.

4. De Raad ziet in hetgeen appellante heeft aangevoerd geen aanleiding om te twijfelen aan de zorgvuldigheid van het door het college verrichte onderzoek naar de beperkingen van appellante en de benodigde voorzieningen. De Raad wijst er in dat verband op dat de indicatieadviseur Kampschreur appellante thuis heeft bezocht en onderzoek heeft gedaan naar zowel de beperkingen van appellante als naar de kenmerken van haar woonsituatie. Kampschreur heeft bovendien advies van een medisch deskundige ingewonnen. De beroepsgrond van appellante faalt.

5. De Raad is verder met de rechtbank van oordeel dat er geen grond is om het standpunt van het college dat er geen medische redenen zijn om een woonvoorziening te treffen, onjuist te achten. In dat opzicht is van belang dat uit de door appellante overgelegde verklaringen over haar gezondheidstoestand niet blijkt dat zij zodanig (medisch) beperkt is dat zij is aangewezen op een gelijkvloerse woning. De verklaring van de huisarts van appellante, J.H. van den Berg, van 22 september 2010 bevat de stelling dat een gelijkvloerse woning voor appellante noodzakelijk is. Weliswaar wordt daarbij opgemerkt dat de mobiliteit van appellante niet zodanig zal verbeteren dat zij in de toekomst gemakkelijker zal kunnen traplopen, maar van een (substantiële) medische onderbouwing is geen sprake. Appellante heeft verder een verklaring van de revalidatiearts P.G. Starmans overgelegd die dateert van 15 mei 2006, ver voor het moment van de aanvraag om een woonvoorziening. Aan de door appellante overgelegde verklaringen kan dan ook niet de waarde worden toegekend die appellante er aan toegekend wenst te zien.

6. Gelet op het vorenstaande ziet de Raad ook geen aanleiding om een medisch deskundige te benoemen en (nader) onderzoek te laten verrichten naar de beperkingen van appellante.

7. Het vorenstaande betekent dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

8. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H.J. de Mooij als voorzitter, in tegenwoordigheid van P.J.M. Crombach als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 juli 2012.

(getekend) H.J. de Mooij

(getekend) P.J.M. Crombach

HD