Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX1244

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-07-2012
Datum publicatie
13-07-2012
Zaaknummer
11-3994 WUBO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing herhaalde aanvraag. Ter zitting heeft appellante herhaaldelijk verklaard dat zij ook tijdens de Japanse bezetting seksueel is misbruikt. Zij heeft dit bij de eerdere aanvragen niet naar voren gebracht uit piëteit met haar moeder. Weliswaar is de moeder zo’n zeven jaar geleden al overleden, maar uit schaamte heeft zij dit niet eerder onder de aandacht van verweerder durven te brengen, aldus appellante. Dit nieuw gegeven kan echter niet bij de beoordeling van de onderhavige zaak worden betrokken. Appellante zal zich dan ook opnieuw met een aanvraag tot verweerder moeten wenden, waarna tot verificatie van die gebeurtenis kan worden overgegaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/3994 WUBO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak in het geding tussen

Partijen:

[A. te B.] (appellante)

de Pensioen- en Uitkeringsraad (verweerder)

Datum uitspraak: 12 juli 2012

PROCESVERLOOP

Appellante heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 23 juni 2011, kenmerk BZ01337578 (bestreden besluit). Dit betreft de toepassing van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (Wubo).

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 juni 2012. Daar is appellante verschenen, bijgestaan door haar echtgenoot J.H. Hoed. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-van Berckel.

OVERWEGINGEN

1. In dit geding zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.

1.1. Appellante is geboren in 1935 in het toenmalige Nederlands-Indië. In 1988 en 1995 heeft zij bij de rechtsvoorgangers van verweerder aanvragen ingediend om op grond van de Wubo te worden erkend als burger-oorlogsslachtoffers en als zodanig in aanmerking te worden gebracht voor onder meer een periodieke uitkering. Deze aanvragen zijn afgewezen op de grond dat niet is gebleken dat appellante is getroffen dan wel direct betrokken is geweest bij een handeling of maatregel in de zin van artikel 2 van de Wubo. Hiertegen heeft appellante geen bezwaar gemaakt.

1.2. In 1999 en 2001 heeft appellante verzocht om de eerdere afwijzing te herzien, welke verzoeken werden afgewezen. Bij het na bezwaar genomen besluit van 29 maart 2002 is de afwijzing gehandhaafd van het door appellante in 2001 ingediende verzoek. Het daartegen ingediende beroep is door de Raad bij uitspraak van 14 augustus 2003, nummer 02/2358 WUBO, ongegrond verklaard. Daarbij is overwogen dat het seksueel misbruik van appellante door een Indonesiër tijdens de Bersiap-periode bij de beoordeling van haar aanvraag van 1999 al is betrokken. Herhaald is dat - hoe ernstig dit vergrijp ook is geweest - die gebeurtenis niet onder de werking van de Wubo kan worden gebracht.

1.3. Appellante heeft in maart 2006 bij verweerder nogmaals verzocht de eerdere besluiten te herzien. Dat verzoek is, ook na bezwaar, afgewezen. De Raad heeft het beroep tegen deze afwijzing ongegrond verklaard bij uitspraak 26 juli 2007, nummer 06/5832 WUBO.

1.4. In april 2011 heeft appellante zich tot verweerder gewend met opnieuw het verzoek om te worden erkend als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wubo. Dat verzoek heeft verweerder afgewezen bij besluit van 6 mei 2011 en die afwijzing is na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het thans bestreden besluit. Verweerder heeft in dat verband geoordeeld dat appellante aan haar aanvraag geen relevante nieuwe feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ten grondslag heeft gelegd.

2. De Raad overweegt als volgt.

2.1. In artikel 4:6 van de Awb is voor herhaalde aanvragen bepaald dat van degene die een bestuursorgaan verzoekt van een eerder genomen besluit terug te komen wordt verlangd dat bij dat verzoek nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld die een dergelijk terugkomen rechtvaardigen.

2.2. Appellante heeft bij haar aanvraag en ook in bezwaar tegen de afwijzing daarvan, geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden vermeld als hiervoor onder 2.1 bedoeld. Verweerder heeft dus op goede gronden kunnen besluiten de aanvraag af te wijzen zonder het verrichten van een nader onderzoek en voor de motivering van de afwijzing kunnen verwijzen naar de eerdere besluiten.

2.3. De Raad ziet verder nog aanleiding het volgende op te merken. Ter zitting heeft appellante herhaaldelijk verklaard dat zij ook tijdens de Japanse bezetting seksueel is misbruikt. Zij heeft dit bij de eerdere aanvragen niet naar voren gebracht uit piëteit met haar moeder. Weliswaar is de moeder zo’n zeven jaar geleden al overleden, maar uit schaamte heeft zij dit niet eerder onder de aandacht van verweerder durven te brengen, aldus appellante. Dit nieuw gegeven kan echter niet bij de beoordeling van de onderhavige zaak worden betrokken. Appellante zal zich dan ook opnieuw met een aanvraag tot verweerder moeten wenden, waarna tot verificatie van die gebeurtenis kan worden overgegaan.

2.4. Het voorgaande brengt mee dat voor vernietiging van het bestreden besluit geen aanleiding bestaat. Het beroep moet ongegrond worden verklaard.

3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra, in tegenwoordigheid van M.C. Nijholt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 juli 2012.

(getekend) A. Beuker-Tilstra

(getekend) M.C. Nijholt

HD