Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX1243

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-07-2012
Datum publicatie
13-07-2012
Zaaknummer
11-5717 WUBO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag omdat appellant geen gebeurtenissen heeft meegemaakt die onder de werking van de Wubo vallen. Al meermalen heeft de Raad beslist (CRvB 27 augustus 2009, LJN BJ6588) dat het (...)j moet gaan om directe confrontatie met objectief gezien zeer ernstig en uitermate schokkend fysiek optreden tegenover derden dat op één lijn te stellen is met doodslag en executie. Van een dergelijk fysiek optreden is hier niet gebleken. Dat brengt mee dat deze op zich ernstige gebeurtenis die voor appellant als jong kind schokkend zal zijn geweest, niet kan worden aangemerkt als een gebeurtenis die onder de werking van de Wubo kan worden gebracht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/5717 WUBO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak in het geding tussen

Partijen:

[A. te B.] (appellant)

de Pensioen- en Uitkeringsraad (verweerder)

Datum uitspraak: 12 juli 2012

PROCESVERLOOP

Appellant heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 18 augustus 2011, kenmerk BZ01311837 (bestreden besluit). Dit betreft de toepassing van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (Wubo).

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 juni 2012. Aldaar is appellant verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-van Berckel.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant, geboren in 1938, heeft in november 2010 bij verweerder een (samenloop) aanvraag ingediend en verzocht om erkenning als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wubo en als zodanig in aanmerking te worden gebracht voor onder meer een periodieke uitkering. Deze aanvraag heeft appellant gebaseerd op gezondheidsklachten die hij toeschrijft aan zijn oorlogservaringen in het toenmalig Nederlands-Indië.

1.2. Verweerder heeft die aanvraag afgewezen bij besluit van 10 maart 2011, na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit. Daartoe heeft verweerder geoordeeld dat appellant geen gebeurtenissen heeft meegemaakt die onder de werking van de Wubo vallen.

2. De Raad overweegt als volgt.

2.1. Ter zitting heeft appellant in hoofdzaak aangegeven zich niet te kunnen verenigen met het standpunt van verweerder om de gebeurtenis van de bestrafte Indonesiër niet onder de Wubo te brengen.

2.2. Uit de verklaringen van de broer en zuster van appellant komt naar voren dat zij gedrieën buitenshuis aan het spelen waren en het gerucht hoorden dat er iemand aan een boom was opgehangen. Nieuwsgierig geworden gingen zij kijken en zagen dat een man aan zijn armen achterlangs omhoog aan een boom was opgehangen. De schouders van het slachtoffer waren volledig verdraaid en hij had zijn behoefte moeten laten lopen.

2.3. Ook de Raad moet concluderen dat die gebeurtenis niet kan worden aangemerkt als een confrontatie met extreem geweld in de zin van artikel 2, eerste lid, onder d, van de Wubo. Al meermalen heeft de Raad beslist (CRvB 27 augustus 2009, LJN BJ6588) dat het hierbij moet gaan om directe confrontatie met objectief gezien zeer ernstig en uitermate schokkend fysiek optreden tegenover derden dat op één lijn te stellen is met doodslag en executie. Van een dergelijk fysiek optreden is hier niet gebleken. Dat brengt mee dat deze op zich ernstige gebeurtenis die voor appellant als jong kind schokkend zal zijn geweest, niet kan worden aangemerkt als een gebeurtenis die onder de werking van de Wubo kan worden gebracht. Van andere wel onder de werking van de Wubo vallende gebeurtenissen is ook de Raad niet gebleken.

2.4. De Raad ziet nog aanleiding het volgende op te merken. Appellant heeft in november 2010 bij verweerder ook verzocht om gelijkstelling met de vervolgde in de zin van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (Wuv). Dat verzoek is afgewezen en na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het besluit van 28 juli 2011. Hiertegen heeft appellant geen beroep ingediend. Ter zitting heeft appellant ook aangegeven dat hij zich niet kan vinden in de afwijzing van de Wuv aanvraag. Omdat de termijn voor het instellen van beroep tegen het Wuv-besluit al was verstreken bij het indienen van onderhavig beroep, rest appellant niets anders dan bij verweerder een (gemotiveerd) verzoek in te dienen om de Wuv-afwijzing te herzien.

3. Gezien het voorgaande moet het beroep van appellant ongegrond worden verklaard.

4. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra, in tegenwoordigheid van M.C. Nijholt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 juli 2012.

(getekend) A. Beuker-Tilstra

(getekend) M.C. Nijholt

HD