Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX1238

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-07-2012
Datum publicatie
12-07-2012
Zaaknummer
11-2511 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In hetgeen door appellant is aangevoerd (...) bevat geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb. De enkele omstandigheid dat appellant zich sedert juni 1992 alsnog onafgebroken arbeidsongeschikt acht, derhalve de hersteldverklaring per 23 juni 1992 onjuist acht en in het verlengde daarvan eveneens onjuist acht dat per 14 augustus 1992 een nieuw ziektegeval is ingetreden tijdens een niet-verzekerde periode, maakt niet dat sprake is van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/2511 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 29 maart 2011, 10/2292 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 6 juli 2012

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend, waarop door appellant is gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 mei 2012. Appellant is niet verschenen. Het Uwv was vertegenwoordigd door drs. J.P.H. Loogman.

OVERWEGINGEN

1.1. Bij besluit van 12 april 2010 (bestreden besluit) heeft het Uwv in bezwaar gehandhaafd zijn besluit van 18 november 2009, waarbij het Uwv heeft geweigerd terug te komen van zijn beslissing van 28 februari 1994. Bij die beslissing was appellant ter zake van een ziektegeval van 14 augustus 1992 niet in aanmerking gebracht voor een uitkering ingevolge de Ziektewet, op de grond dat hij niet verzekerd was en de uitval evenmin binnen de nawerkingsperiode van een maand had plaatsgevonden.

1.2. De weigering bij het bestreden besluit om terug te komen van de beslissing van 28 februari 1994 berust op de grond dat geen sprake is van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

2.1. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het door appellant tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat appellant heeft aangevoerd dat hij sinds juni 1992 onafgebroken ziek is geweest en dus nog verzekerd zou zijn op 14 augustus 1992. De bezwaarverzekeringsarts heeft in zijn rapport van 7 april 2010 geconcludeerd dat de door appellant in bezwaar overgelegde medische verklaringen geen nieuw licht op de zaak werpen. De verklaring de het verst terug gaat in de tijd is die waarin wordt aangegeven dat appellant arbeidsongeschikt is vanaf 17 november 1992, wat later is dan de datum (14 augustus 1992) waarover is beslist in de beslissing van 28 februari 1994. De bezwaarverzekeringsarts kon overigens de waarde van de medische verklaringen niet vaststellen. Dat appellant sinds juni 1992 ziek is, is dan ook niet aangetoond.

2.2. De rechtbank heeft geoordeeld dat appellant aan zijn verzoek geen nieuw gebleken feiten en omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb ten grondslag heeft gelegd en dat het Uwv derhalve bevoegd was het verzoek van appellant af te wijzen onder verwijzing naar de eerdere besluitvorming.

3.1. In hoger beroep heeft appellant andermaal naar voren gebracht dat hij sinds 1992 tot op heden volledig arbeidsongeschikt is.

3.2. Bij verweerschrift heeft het Uwv erop gewezen dat in het bestreden besluit abusievelijk is verzuimd op te nemen dat tevens wordt geweigerd terug te komen van een eerdere beslissing op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) van 3 mei 2002, destijds in bezwaar gehandhaafd bij beslissing van 20 augustus 2002, daar appellant met zijn onderhavige verzoek kennelijk beoogt ter zake van een in 1992 aangevangen en naar zijn opvatting nog immer bestaande arbeidsongeschiktheid niet alleen alsnog ziekengeld te verkrijgen, maar in het bijzonder alsnog voor een WAO-uitkering in aanmerking wenst te komen. In verband hiermee heeft het Uwv verzocht het bestreden besluit aldus op te vatten dat dit mede de weigering behelst terug te komen van genoemde WAO-beslissingen.

4.1. De Raad is van oordeel dat geen beletselen bestaan om het bestreden besluit in de door het Uwv voorgestane zin op te vatten. De Raad is het eens met het Uwv dat sprake is van een kennelijke misslag, nu de stukken inderdaad uitwijzen dat appellant in het bijzonder een WAO-uitkering wenst te verkrijgen. Voorts berust de weigering van WAO-uitkering bij de beslissingen van 3 mei 2002 en 20 augustus 2002 op dezelfde grond als waarop hem bij de beslissing van 28 februari 1994 uitkering krachtens de Ziektewet is ontzegd, namelijk dat hij ten tijde van de uitval op 14 augustus 1992 niet langer verzekerd is.

4.2. Voorts is de Raad met de rechtbank van oordeel dat het aldus op te vatten bestreden besluit in rechte stand kan houden. Appellant stelt uitsluitend dat hij vanaf een eerder ziektegeval, ingetreden tijdens een nog wel verzekerde periode in juni 1992, tot op heden onafgebroken arbeidsongeschikt is gebleven. In verband hiermee, zo begrijpt de Raad de stelling van appellant, berusten de beslissing van 28 februari 1994 en de beslissingen van 3 mei 2002 en 20 augustus 2002 op een onjuiste feitelijke grondslag, nu daarbij immers tot uitgangspunt is genomen dat het ziektegeval van juni 1992 - met een hersteldverklaring per 23 juni 1992 - tot een einde is gekomen en appellant zich nadien op 14 augustus 1992 opnieuw arbeidsongeschikt heeft gemeld op een moment waarop hij inmiddels niet meer verzekerd was.

4.3. Met het Uwv is de Raad van oordeel dat hetgeen door appellant is aangevoerd, als weergegeven in 4.2, geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden bevat als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb. De enkele omstandigheid dat appellant zich sedert juni 1992 alsnog onafgebroken arbeidsongeschikt acht, derhalve de hersteldverklaring per 23 juni 1992 onjuist acht en in het verlengde daarvan eveneens onjuist acht dat per 14 augustus 1992 een nieuw ziektegeval is ingetreden tijdens een niet-verzekerde periode, maakt niet dat sprake is van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden. Het Uwv heeft zich terecht bevoegd geacht met toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb de aanvraag van appellant af te wijzen. In hetgeen door appellant is gesteld, is geen grond gelegen voor het oordeel dat het Uwv niet in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik kon maken.

5. Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel, in tegenwoordigheid van J.R. Baas als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 juli 2012.

(getekend) J.W. Schuttel

(getekend) J.R. Baas

TM