Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX1234

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-07-2012
Datum publicatie
12-07-2012
Zaaknummer
11-2214 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aanvraag niet in behandeling genomen. Hoewel het de voorkeur zou hebben verdiend indien het Uwv meer concreet en specifiek had aangegeven welke gegevens en bescheiden ontbraken en noodzakelijk waren om over te kunnen gaan tot het in (verdere) behandeling nemen van zijn aanvraag, (moet) het voor appellant op grond van de brief van het Uwv van 19 oktober 2009 toch voldoende duidelijk (...) zijn geweest dat hij nadere gegevens en bescheiden diende te verstrekken die betrekking hadden op zijn in de brief van 16 oktober 2008 genoemde aanvraag, in het bijzonder gegevens en bescheiden met betrekking tot de door hem in Nederland ten tijde van belang verrichte werkzaamheden en het gestelde arbeidsongeschiktheidsgeval.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/2214 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 23 februari 2011, 10/1446 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 6 juli 2012

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 mei 2012. Appellant is niet is verschenen. Het Uwv was vertegenwoordigd door drs. J.P.A. Loogman.

OVERWEGINGEN

1.1. Bij onder meer een brief van 16 oktober 2008, gericht aan GAK Amsterdam, heeft de echtgenote van appellant gevraagd hoe het ervoor staat met de aanvraag van haar man. Daarbij is aangegeven dat hij ernstig ziek en volledig arbeidsongeschikt is. Bovendien heeft hij geen inkomsten meer sinds zijn terugkeer naar Marokko. Appellant lijdt erg onder zijn ziekte die hij tijdens zijn werk in Nederland heeft opgelopen. Bij de brief waren stukken gevoegd van het GAK en de GMD uit 1992 en 1993, voor zover na te gaan betrekking hebbend op een arbeidsongeschiktheidsmelding van appellant in 1992.

1.2. Bij schrijven van 19 oktober 2009 heeft het Uwv de ontvangst van genoemde brief bevestigd en appellant onder meer meegedeeld dat hij, om in aanmerking te komen voor een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), verzekerd dient te zijn. Voorts heeft het Uwv appellant doen weten dat een onderzoek in de verzekerdenadministratie over de afgelopen vijf jaren geen verzekeringstijdvakken heeft opgeleverd en dat het op basis van de beschikbare gegevens niet mogelijk is appellant een WAO-uitkering toe te kennen. Daarbij is appellant expliciet tot 1 december 2009 in de gelegenheid gesteld te reageren en aanvullende informatie, die voor de beoordeling van zijn aanvraag van belang zou kunnen zijn, aan het Uwv toe te zenden.

2.1. Bij besluit van 2 december 2009 heeft het Uwv aan appellant meegedeeld dat de aanvullende informatie die nodig is om zijn aanvraag te behandelen niet binnen de gestelde termijn is ontvangen en dat daarom is besloten de aanvraag niet verder in behandeling te nemen.

2.2. Bij bezwaarschrift van 14 december 2009 heeft appellant gesteld dat het dossier wel compleet is en heeft hij andermaal gewezen op zijn ziekte, het feit dat hij geen werk en inkomen heeft en niet weet hoe hij medicijnen moet kopen en zijn kinderen moet onderhouden.

2.3. Bij besluit van 18 februari 2010 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar ongegrond verklaard. Daarbij is overwogen dat de door appellant verstrekte gegevens onvoldoende zijn voor de beoordeling van zijn aanvraag, dat hij niet heeft gereageerd op de hem geboden gelegenheid om voor 1 december 2009 aanvullende gegevens te verstrekken en dat daarom de aanvraag met toepassing van artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet (verder) in behandeling wordt genomen.

3.1. In beroep heeft appellant andermaal erop gewezen dat hij gedurende een lange periode in Nederland werkzaam is geweest en tijdens die werkzaamheden ziek is geworden. Voorts heeft appellant daarbij gesteld dat zijn dossier allerlei bewijsstukken bevat.

3.2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat appellant in de gelegenheid is gesteld zijn aanvraag aan te vullen en geoordeeld dat de gevraagde informatie noodzakelijk is om op de aanvraag te beslissen. Nu appellant niet binnen de gestelde termijn heeft gereageerd, heeft het Uwv naar het oordeel van de rechtbank terecht zijn beslissing gehandhaafd om de aanvraag niet in behandeling te nemen.

4. In hoger beroep heeft appellant volstaan met een herhaling van hetgeen hij in beroep naar voren heeft gebracht.

5.1. De Raad overweegt als volgt.

5.2. Artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder c, van de Awb bepaalt dat het bestuursorgaan kan besluiten de aanvraag niet te behandelen, indien de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad de aanvraag binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn aan te vullen.

5.3. Voor de Raad staat genoegzaam vast dat het Uwv niet over voldoende gegevens en bescheiden beschikte om tot behandeling en beoordeling van de aanvraag van appellant over te gaan en dat de door het Uwv aan appellant gevraagde aanvullende gegevens noodzakelijk zijn om zijn recht op WAO-uitkering te kunnen beoordelen.

5.4. Onder verwijzing naar het verhandelde ter zitting, overweegt de Raad hierbij dat, hoewel het de voorkeur zou hebben verdiend indien het Uwv meer concreet en specifiek had aangegeven welke gegevens en bescheiden ontbraken en noodzakelijk waren om over te kunnen gaan tot het in (verdere) behandeling nemen van zijn aanvraag, het voor appellant op grond van de brief van het Uwv van 19 oktober 2009 toch voldoende duidelijk moet zijn geweest dat hij nadere gegevens en bescheiden diende te verstrekken die betrekking hadden op zijn in de brief van 16 oktober 2008 genoemde aanvraag, in het bijzonder gegevens en bescheiden met betrekking tot de door hem in Nederland ten tijde van belang verrichte werkzaamheden en het gestelde arbeidsongeschiktheidsgeval.

5.5. Er zijn voorts geen aanknopingspunten op grond waarvan zou moeten worden aangenomen dat appellant redelijkerwijs niet in staat is geweest om de gevraagde ontbrekende gegevens binnen de gestelde hersteltermijn te verstrekken.

5.6. De Raad concludeert met de rechtbank dat het Uwv bevoegd was de aanvraag van appellant met toepassing van artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder c, van de Awb buiten behandeling te laten. In hetgeen appellant heeft aangevoerd is geen grond gelegen voor het oordeel dat het Uwv niet in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel, in tegenwoordigheid van J.R. Baas als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 juli 2012.

(getekend) J.W. Schuttel

(getekend) J.R. Baas

TM